Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/9.2.3
9.2.3 De Belgische Wet betreffende de verzekeringen van 4 april 2014
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949795:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Schuermans en Van Schoubrouck 2015, p. 154-155; Fostier, Lodewijckx en Hamels, Tijdschrift voor Verzekeringen september 2020, p. 235-262.
Wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen (Belgisch Staatsblad 29 juli 1975).
Art. 34 Verzekeringswet luidt letterlijk: “Bij verzekeringen uit de groep activiteiten “niet-leven”, licht de verzekeraar de verzekeringnemer gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst in over elke wijziging van de volgende gegevens: a) naam en adres van het hoofdkantoor en, in voorkomend geval, van het bijkantoor van de verzekeraar die de dekking verleent; b) de naam en het adres van de vertegenwoordiger van de verzekeraar zoals bedoeld in artikel 557 van de wet van 13 maart 2016. De verzekeraar bezorgt de FSMA een afschrift van deze mededelingen.”Er is op dit moment geen equivalent van deze bepaling opgenomen in de Nederlandse toezichtregelgeving.
Dit blijkt uit Fostier, Lodewijckx en Hamels, Tijdschrift voor Verzekeringen september 2020, p. 247-248: “Het artikel verwijst uitdrukkelijk naar de artikelen 34 (schadeverzekeringen) en 36 (levensverzekeringen) van de Verzekeringswet, op grond waarvan de verzekeraar de verzekeringnemer gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst in kennis stelt van elke wijziging van de verzekeringsovereenkomst, met name van de naam en het adres van het hoofdkantoor en, in voorkomend geval, van het bijkantoor van de verzekeraar die de dekking verleent. Hieruit volgt dat de verzekeringnemers per afzonderlijke kennisgeving op de hoogte dienen te worden gebracht van de verrichting en dat de overnemende onderneming dus niet kan volstaan met de publicatie in het Belgisch Staatsblad. Een afschrift van deze mededelingen dient aan de FSMA te worden bezorgd (art. 34 en 36 van de Verzekeringswet). De wet schrijft niet voor dat een voorafgaande kennisgeving dient te gebeuren.”
Art. 36 Verzekeringswet luidt letterlijk: “Bij verzekeringen uit de groep activiteiten “leven”, licht de verzekeraar de verzekeringnemer gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst in over elke wijziging van de volgende gegevens: a) de algemene, speciale en bijzondere voorwaarden, b) de naam of firmanaam, de rechtsvorm en het adres van het hoofdkantoor van de verzekeraar en, in voorkomend geval, van het bijkantoor waarmede de overeenkomst is gesloten; c) alle in artikel 35, §3, onder d tot en met j, bedoelde inlichtingen zowel indien de wijziging het gevolg is van een addendum aan de overeenkomst dan wel van een op de overeenkomst van toepassing zijnde wetswijziging; d) elk jaar inlichtingen betreffende de situatie van de winstdeling. De verzekeraar bezorgt de FSMA een afschrift van deze mededelingen.”Art. 73 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft is het Nederlandse equivalent van deze bepaling. Zie hoofdstuk 1.4 van dit onderzoek voor een bespreking van dit artikel. Ik heb daar uiteengezet dat art. 73 Bgfo mijns inziens bij een portefeuilleoverdracht niet tot een informatieverplichting leidt. De Wft-regeling over portefeuilleoverdracht bevat overigens ook geen verwijzing naar deze bepaling.
Zie de eerste alinea van art. 39 lid 6 van de Solvency II richtlijn. De tekst daarvan luidt: “De overeenkomstig de leden 1 tot en met 5 toegestane portefeuilleoverdracht wordt hetzij alvorens, hetzij nadat toestemming is verleend, bekendgemaakt, overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat van herkomst, de lidstaat van het risico of de lidstaat van de verbintenis.” In België is er dus voor gekozen de bekendmaking van de portefeuilleoverdracht nadat toestemming is verleend te laten plaatsvinden. De publicatie in het Belgisch Staatsblad, op grond van art. 106 Toezichtswet, kan ook beschouwd worden als onderdeel van de wijze waarop de portefeuilleoverdracht in België bekend wordt gemaakt in de zin van art. 39 lid 6 van de Solvency II richtlijn.
Zie Parl.St. Kamer, Doc 53, 3361/001, p. 20, gepubliceerd op de website https://www.dekamer.be.
Zie hierover hoofdstuk 1.4 en 1.5 van dit onderzoek.
Art. 18 Verzekeringswet stelt strenge eisen aan de wijze van opzegging. De termijn van een maand wordt gerekend van de dag volgend op de betekening van het deurwaardersexploit, de dag volgend op de datum van het ontvangstbewijs of de dag volgend op de afgifte van een aangetekende brief. Indien de jaarlijkse premievervaldag eerder zou vallen, gaat de opzegging op dat eerdere moment in. Art. 3:120 lid 7 Wft stelt minder eisen aan de opzegging van een schadeverzekering na een portefeuilleoverdracht. Het artikel bepaalt dat het om een schriftelijke opzegging moet gaan. Deze schriftelijke opzegging hoeft dus niet aangetekend of aangetekend met bericht van ontvangst te worden verstuurd.
Hoofdstuk 1.5 van dit proefschrift.
Hoofdstuk 1.7 van dit proefschrift.
Naar mijn mening is in dat licht overigens ook goed verklaarbaar dat het in art. 17 juncto art. 36 Verzekeringswet een verplichting betreft om kennisgevingen te versturen aan verzekeringnemers, en niet aan een grotere kring van betrokkenen.
Zie hierover hoofdstuk 1.7. van dit onderzoek.
Zie Parl.St. Kamer, Doc 53, 3361/001, p. 20, gepubliceerd op de website https://www.dekamer.be. In de Memorie van Toelichting wordt in 2014 opgemerkt: “Hoewel de beslissing in verband met de toelaatbaarheid van de overdracht zelf samenhangt met het prudentiële toezicht en dus een bevoegdheid is van de Nationale Bank, dan wel van de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat, behoort het toezicht op de naleving van de bepaling in verband met het opzegrecht, op grond van artikel 45, §1, 3e van de wet financieel toezicht, toe aan de FSMA.”
Naar Nederlands recht is een groep, op grond van het bepaalde in art. 2:24b BW, een “economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden.”
In hoofdstuk 1.4 merkte ik al op dat in de verzekeringssector met het “closed book” het deel van de verzekeringsportefeuille van de verzekeraar wordt bedoeld waarin geen nieuwe verzekeringen meer worden gesloten.
Fostier, Lodewijckx en Hamels, Tijdschrift voor Verzekeringen september 2020, p. 248.
De letterlijke tekst van de derde alinea van art. 39 lid 6 Solvency II richtlijn luidt: “De eerste twee alinea’s van dit lid doen geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om de verzekeringnemers de mogelijkheid te bieden de overeenkomst binnen een bepaalde termijn na de overdracht op te zeggen.”
In art. 106 Toezichtswet wordt verwezen naar art. 17 en 18 van de Verzekeringswet. Deze artikelen hebben betrekking op de overdracht van verzekeringsovereenkomsten.1 De Verzekeringswet is op 1 november 2014 in werking getreden. In deze nieuwe wet werd een aantal wetten geïncorporeerd, waaronder de zogenoemde Controlewet Verzekeringen.2 De artikelen 17 en 18 van de Verzekeringswet komen inhoudelijk overeen met de tot 1 november 2014 geldende artikelen 76 en 77 van de Controlewet Verzekeringen.
Titel II – Overdrachten van verzekeringsovereenkomsten
Art. 17. De overdrachten van de rechten en de verplichtingen die voortvloeien uit overeenkomsten betreffende risico’s of verbintenissen gelegen in België, zijn tegenstelbaar aan de verzekeringnemers, de verzekerden, de begunstigden en alle derden die belang hebben bij de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst wanneer ze werden toegestaan door de Bank of door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat.
Onverminderd de toepassing van de artikelen 34 en 36, heeft die tegenstelbaarheid uitwerking vanaf de dag van de in de artikelen 106 of 567, §2, van de wet van 13 maart 2016 bedoelde publicatie.
Art. 18 §1. De verzekeringnemers hebben de mogelijkheid hun overeenkomst volgens de in artikel 84, §1 voorgeschreven wijzen op te zeggen binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de publicatie bedoeld in de artikelen 106 of 567, §2, van de wet van 13 maart 2016. Die opzegging gaat in na het verstrijken van een termijn van een maand, te rekenen van de dag volgend op de betekening van het deurwaardersexploot, de dag volgend op de datum van het ontvangstbewijs of de dag volgend op de afgifte van de aangetekende brief, of op de jaarlijkse premievervaldag indien die vroeger valt.
Art. 18 §2. De bepalingen van paragraaf 1 zijn niet van toepassing op fusies en splitsingen van verzekeringsondernemingen, noch op overdrachten uitgevoerd in het kader van een inbreng van de algemeenheid van goederen of van een tak van werkzaamheid, noch op andere overdrachten tussen verzekeringsondernemingen die deel uitmaken van eenzelfde geconsolideerd geheel.
Art. 17 Verzekeringswet: het versturen van een individuele, schriftelijke kennisgeving aan verzekeringnemers is verplicht
In het tweede deel van art. 17 Verzekeringswet is een verwijzing opgenomen naar art. 34 en 36 Verzekeringswet. Voor het onderwerp van mijn proefschrift is dit een belangrijke verwijzing. Art. 34 en 36 Verzekeringswet gaan over het verstrekken van informatie aan verzekeringnemers. Art. 34 Verzekeringswet3 regelt over welke gebeurtenissen een schadeverzekeraar de verzekeringnemer gedurende de looptijd van de verzekering moet informeren. De verzekeraar moet de FSMA een afschrift van deze mededelingen toesturen. Dat impliceert dat het om een individuele, schriftelijke kennisgeving aan verzekeringnemers gaat.4 Vervolgens regelt art. 36 Verzekeringswet5 over welke gebeurtenissen een levensverzekeraar de verzekeringnemer gedurende de looptijd van de verzekering moet inlichten. Ook van deze mededelingen moet de FSMA een afschrift ontvangen.
Deze verwijzing naar art. 34 en 36 Verzekeringswet in art. 17 Verzekeringswet (dat gaat over de overdracht van verzekeringsovereenkomsten) impliceert dat verzekeraars in België verplicht zijn de verzekeringnemers een schriftelijke kennisgeving te sturen over de portefeuilleoverdracht, de juridische fusie of de juridische splitsing.6 Er staat niet in de tekst of de kennisgeving bij een portefeuilleoverdracht door de overdragende of de verkrijgende verzekeraar moet worden verstuurd. Ik heb begrepen dat zij dat in de praktijk vaak gezamenlijk doen. In de Memorie van Toelichting van de Verzekeringswet wordt opgemerkt dat de verwijzing naar deze artikelen werd opgenomen om te verduidelijken dat de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad geen afbreuk doet aan de verplichting om de verzekeringnemer persoonlijk en schriftelijk te informeren over de overdracht.7 De verzekeraar moet de FSMA een afschrift sturen van deze kennisgeving. In Nederland moeten een levensverzekeraar en een natura-uitvaartverzekeraar voorafgaand aan de portefeuilleoverdracht daarvan mededeling doen in de Staatscourant en op andere door DNB te bepalen wijze. Een schadeverzekeraar moet dat na de portefeuilleoverdracht doen. Die “andere door DNB te bepalen wijze” is in de praktijk tot nu toe meestal een publicatie in drie landelijke dagbladen.8 Het gaat hier in het kader van het uitoefenen van rechten door verzekeringnemers naar aanleiding van de portefeuilleoverdracht dus om een belangrijk verschil met de Nederlandse regelgeving.
Wat het naar mijn mening extra interessant maakt, is dat de verwijzing naar art. 34 en 36 Verzekeringswet is opgenomen in de bepaling die regelt wanneer de portefeuilleoverdracht ‘tegenstelbaar’ is aan de verzekeringnemers, de verzekerden, de begunstigden en alle derden die belang hebben bij de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst. In de eerste volzin van art. 17 Verzekeringswet wordt geregeld dat de portefeuilleoverdracht alleen maar van kracht kan worden nadat deze is toegestaan door de NBB (of door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat). Op grond van art. 106 Toezichtswet publiceert de NBB van elke beslissing tot goedkeuring een uittreksel in het Belgisch Staatsblad. In de tweede volzin van art. 17 Verzekeringswet staat dan vervolgens dat de portefeuilleoverdracht van kracht is vanaf de dag van die publicatie “onverminderd de toepassing van de artikelen 34 en 36” (die dus over individuele kennisgevingen gaan). Het lijkt mij daarom mogelijk verdedigbaar dat de verkrijgende verzekeraar de portefeuilleoverdracht niet kan tegenwerpen aan een verzekeringnemer aan wie geen individuele kennisgeving is gestuurd. Het lijkt mij daarom mogelijk ook verdedigbaar dat hij de portefeuilleoverdracht niet aan andere betrokkenen kan tegenwerpen als er geen individuele kennisgeving aan de verzekeringnemers zou zijn gestuurd. Anders gezegd, dat er in België voor is gekozen het versturen van individuele kennisgevingen op deze manier in het wetsartikel in te weven, lijkt tot gevolg te hebben dat het versturen daarvan niet alleen in het belang is van de geadresseerde maar óók in het belang van de verkrijgende verzekeraar. Ik kan mij in een dergelijke redenering bijvoorbeeld voorstellen dat als geen individuele kennisgevingen worden verstuurd, de verzekeringnemers na de portefeuilleoverdracht hun premie nog steeds ‘bevrijdend’ aan de overdragende verzekeraar kunnen betalen. De keuze om op deze manier in art. 17 Verzekeringswet naar art. 34 en 36 Verzekeringswet te verwijzen, zou dus mogelijk een indicatie kunnen zijn voor het belang dat de Belgische wetgever eraan hecht dat aan verzekeringnemers een individuele kennisgeving wordt gestuurd over de portefeuilleoverdracht.
Dit artikel bepaalt overigens niet dat de verzekeraar de verzekeringnemer in de individuele kennisgeving op het opzegrecht moet wijzen. De verzekeringnemer zou naar aanleiding van de kennisgeving kunnen besluiten aan de verzekeraar of de NBB te vragen wat naar aanleiding van de portefeuilleoverdracht zijn rechten zijn.
Artikel 18 §1 Verzekeringswet: zowel bij schadeverzekeringen als levensverzekeringen hebben verzekeringnemers een opzegrecht
Dit artikel bevat een volgend in het kader van het uitoefenen van rechten door verzekeringnemers naar aanleiding van de portefeuilleoverdracht belangrijk verschil met de Nederlandse regeling.
Zowel bij schadeverzekeringen als bij levensverzekeringen kunnen verzekeringnemers in België de verzekeringsovereenkomst gedurende drie maanden na de portefeuilleoverdracht, de juridische fusie of de juridische splitsing, opzeggen. Indien de verzekeringnemer op rechtsgeldige wijze9 opzegt, gaat de opzegging in na het verstrijken van een termijn van een maand na de opzegging (of op de jaarlijkse premievervaldag indien die vroeger valt). Aan de wijze van opzegging worden strenge eisen gesteld: dat moet door middel van een deurwaardersexploot of een aangetekende brief.
In de Wft is uitsluitend een opzegrecht met betrekking tot schadeverzekeringen opgenomen. Art. 3:120 lid 7 Wft bepaalt dat de betrokken verzekeringnemers de schadeverzekering gedurende drie maanden na de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst schriftelijk kunnen opzeggen met ingang van de dag na afloop van deze termijn.10
De Wft bevat géén opzegrecht voor levensverzekeringen. In onze wettelijke regeling wordt in art. 3:119 Wft aan polishouders van levensverzekeringen en natura-uitvaartverzekeringen voorafgaand aan de portefeuilleoverdracht, de juridische fusie en de juridische splitsing een recht van verzet toegekend.11 In het kader daarvan wordt onder een polishouder de verzekeringnemer (of zijn rechtsopvolger) verstaan, doch indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, de tot de uitkering gerechtigde. Het Belgische opzegrecht in het geval van levensverzekeringen is een recht van verzekeringnemers. Anders gezegd, verzekeringnemers van levensverzekeringen hebben in België een opzegrecht en in Nederland een recht van verzet. Indien een uitkering uit een levensverzekering opeisbaar is, heeft de tot de uitkering gerechtigde in Nederland een recht van verzet. In België komt hem geen opzegrecht toe.12
Dit verschil tussen het Nederlands en het Belgisch recht brengt ons bij de vraag of het een verbetering van de rechtspositie van de Nederlandse verzekeringnemer (van een levensverzekering) zou zijn indien hij voortaan een opzegrecht zou hebben in plaats van een verzetrecht. Naar mijn mening is dat niet het geval. In Nederland zijn immers aan het afkopen van levensverzekeringen nogal wat haken en ogen verbonden.13 Ik noemde in hoofdstuk 1.7 onder meer dat de afkoopwaarde relatief laag zal zijn, dat de fiscale heffingen bij uitkering van de afkoopwaarde fors kunnen zijn en dat bij het afsluiten van een eventuele nieuwe levensverzekering waarschijnlijk een hogere premie verschuldigd zal zijn. Vanuit die optiek kan men het als een voordeel zien dat verzekeringnemers gezamenlijk door middel van het verzetrecht de portefeuilleoverdracht eventueel kunnen verhinderen. Vervolgens rijst dan de vraag of er in Nederland náást het verzetrecht een opzegrecht zou moeten bestaan. Alhoewel in België aan het opzeggen en afkopen van levensverzekeringen waarschijnlijk nadelen zijn verbonden die lijken op de nadelen die daar in Nederland aan zijn verbonden, heeft de Belgische wetgever géén aanleiding gezien om verzekeringnemers van levensverzekeringen bij een portefeuilleoverdracht een wettelijk opzegrecht te onthouden. In hoofdstuk 10.4 bepleit ik om de verzekeringnemers die ondanks de daaraan verbonden nadelen bij een portefeuilleoverdracht toch voor afkoop willen kiezen in Nederland ook dat recht te geven.
Het toezicht op de naleving van deze bepaling over het opzegrecht behoort toe aan de FSMA.14
Art. 18 §2 Verzekeringswet: uitzondering op het opzegrecht in het geval van een intra-groep transactie
De tweede paragraaf bevat nog een interessant verschil met de Nederlandse regeling in de Wft. Het opzegrecht van verzekeringnemers in het kader van een portefeuilleoverdracht, een juridische fusie en juridische splitsing geldt in België niet indien de verkrijgende verzekeraar deel uitmaakt van eenzelfde geconsolideerd geheel als de overdragende verzekeraar. In Nederland geldt het opzegrecht van verzekeringnemers bij schadeverzekeringen in het geval van een portefeuilleoverdracht, juridische fusie of juridische splitsing, ongeacht of de overdragende en de verkrijgende verzekeraar tot dezelfde groep15 behoren.16 Ook het verzetrecht van polishouders bij levensverzekeringen en natura-uitvaartverzekeringen in het geval van een portefeuilleoverdracht, juridische fusie of juridische splitsing, geldt ongeacht of de overdragende en de verkrijgende verzekeraar tot dezelfde groep behoren.17
Voor het maken van onderscheid met betrekking tot de rechten van verzekeringnemers in het geval van een transactie tussen verzekeraars die tot dezelfde groep behoren zijn goede argumenten aan te voeren, maar er zijn ook argumenten tegen aan te voeren. Bij verzekeraars die tot dezelfde groep behoren, is de kans groter dat zij op belangrijke punten hetzelfde beleid voeren. Zij zijn immers organisatorisch met elkaar verbonden. Dat zou ervoor kunnen pleiten het voor de betrokken verzekeraars beter mogelijk te maken te herstructureren. Zij kunnen dan herstructureren zonder het risico te lopen dat de verzekeringsportefeuille “leegloopt”. Anderzijds kunnen verzekeringnemers in het geval van een transactie tussen verzekeraars die tot dezelfde groep behoren nog steeds in hun ogen valide redenen hebben om niet verzekerd te willen zijn bij de verkrijgende verzekeraar. Denk bijvoorbeeld aan het geval dat een groep van verzekeraars met daarin meerdere levensverzekeraars zodanig aan het herstructureren is dat er binnen de groep één levensverzekeraar overblijft met de actieve portefeuille en één levensverzekeraar met een zogenoemd “closed book”.18 Of denk bijvoorbeeld aan het geval waarin binnen een verzekeringsgroep de ene levensverzekeraar zich sterk profileert met zijn “duurzame” beleggingsbeleid en de andere levensverzekeraar niet. Een polishouder zou om hem moverende redenen kunnen menen dat hij niet verzekerd wil zijn bij de verkrijgende verzekeraar.
Een argument tegen het opnemen van een dergelijke uitzondering op het opzegrecht lijkt mij bovendien dat het opnemen van zo’n uitzondering in de praktijk tot discussie kan leiden over de vraag of deze uitzondering al dan niet van toepassing is. In het geval van een omschrijving als “eenzelfde geconsolideerd geheel” (of een vergelijkbare omschrijving) is het immers niet uitgesloten dat er discussie ontstaat of daar in een concrete situatie al dan niet sprake van is.
Al met al zou mijn standpunt zijn dat het toevoegen van een dergelijke nuance aan de Nederlandse wetgeving, die op zich herstructureringen van verzekeringsgroepen zou faciliteren, vanuit het oogpunt van rechten van polishouders niet wenselijk is. Ik ben van mening dat het aan de eigen beoordeling van de verzekeringnemer zou moeten worden overgelaten of hij bezwaar heeft tegen de herstructurering van de verzekeringsgroep waarvan zijn verzekeraar deel uitmaakt.
Ten slotte een korte opmerking over een vraag die in Belgische verzekeringsrechtelijke literatuur werd aangestipt. 19 Aldaar werd de vraag gesteld of dit verschil in behandeling tussen intra-groep verrichtingen en andere verrichtingen geen inbreuk is op art. 39 van de Solvency II richtlijn. Vervolgens werd geconcludeerd dat er geen sprake is van een dergelijke inbreuk. Art. 39 van de Solvency II richtlijn bevat immers een “loutere mogelijkheid” voor de lidstaten in een recht van opzegging na een portefeuilleoverdracht te voorzien, en geen verplichting.20 De conclusie dat er geen sprake is van een inbreuk op art. 39 van de Solvency II richtlijn lijkt mij juist. Ten eerste op grond van de tekst van art. 39 van de Solvency II richtlijn, waarin wordt gesproken over “de mogelijkheid” van een opzegrecht. Die tekst laat een lidstaat ruimte om het opzegrecht naar eigen inzicht af te bakenen. En ten tweede op grond van de gedachte dat we anders zouden moeten concluderen dat de Nederlandse verzetregeling bij de overdracht van levensverzekeringen en natura-uitvaartverzekeringen ook inbreuk maakt op art. 39 van de Solvency II richtlijn.