Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/6.3.4.2
6.3.4.2 Contractuele regeling van opzegging
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186652:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Art. 7:129e BW.
Verdaas 2018, p. 71 e.v., artt. 27 en 35 Algemene Bankvoorwaarden 2017, Algemene Bepalingen Kredietverlening ABN AMRO 2015, p. 9 en 12-14 en Algemene Kredietvoorwaarden ING 2017, p. 10.
Zie Verdaas 2018, p. 73-74.
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 8 maart 2016, JOR 2016/173 (Thielen q.q./SKS & Buitentuin) en mijn annotatie daarbij onder 6.
Zie HR 24 april 2015, NJ 2015/222 (ForFarmers/Doens), r.o. 3.3.3, HR 13 juni 2003, NJ 2003/ 506 (Vos/Heipro), het daaraan voorafgaande arrest van het hof en HR 28 november 1997, NJ 1998/705 (Visser/Avéro). Zie ook Van Rossum & Lamers 2016 en Tjittes 2009, p. 35.
Zie Rb. Rotterdam 22 februari 2001, JOR 2001/103 (Rijnsburger/Gelderblom), Rb. Amsterdam 15 augustus 2012, JOR 2012/376 (Curatoren VDM/Avalon e.a.), Hof Arnhem-Leeuwarden 15 april 2014, JOR 2014/219 (Klaasse/Lintelo), Rb. Rotterdam (vzr.) 17 november 2014, JOR 2015/157 (Swagemakers/High Care & Ambucare), Hof Arnhem-Leeuwarden 8 maart 2016, JOR 2016/173 (Thielen q.q./SKS & Buitentuin) en Hof ’s-Hertogenbosch 20 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2015:4973 (Beheer/CB & Rabo). Vgl. ook Rb. Zutphen (vzr.) 21 juni 2002, ECLI:NL:RBZUT:2002:AE4415 (Management/Exploitatie) en de ongepubliceerde uitspraken beschreven in Pabbruwe 1991.
Zie par. 4.2.3. Vgl. bovendien HR 1 juli 1985, NJ 1986/692 (Frenkel/KRO), Drion 2016, art. 1381 BW (oud), Rb. Amsterdam 15 augustus 2012, JOR 2012/376 (Curatoren Van der Moolen/AMG c.s.), r.o. 4.4, Hof ’s-Gravenhage 31 oktober 2000, JOR 2001/41 (Curatoren Habo/Besix), Thijssen & Rutten 2001, p. 137, Rb. Rotterdam (pres.) 11 mei 1993, KG 1993/ 215 (Jachtwerf Lelystad/Doeve, Pemen & Scheepskoopers) en de conclusie van A-G Vranken voor het arrest HR 30 september 1994,NJ 1995/626 (Kuijsters/Gaalman q.q.), overweging 15 tot 18.
Zie HR 20 februari 2004, NJ 2005/493 (Pensioenfonds DSM/Fox), HR 23 december 2005, JOR 2006/117 (Van Olphen/De Rooij), maar ook reeds HR 20 mei 1949,NJ 1950/72 (ZMVO/Koppe) en HR 15 november 1968, NJ 1969/1 (ERMV/Het Hollandsche Kruisch). Zie verder par. 4.2.4.
Vgl. de conclusie van A-G Langemeijer bij HR 2 oktober 1998, NJ 1999/467 (Alsag AG/ Curatoren Femis), onder 2.8: “De term ‘achtergestelde vordering’ wordt ook wel eens oneigenlijk gebruikt voor verbintenissen met een uitgestelde opeisbaarheid; …”
Dit is mijn persoonlijke indruk, hier ligt geen empirisch verantwoord onderzoek aan ten grondslag.
Zie Bitter & Rauhut 2014, p. 1009 over BGH 19 juli 2007, IX ZB 36/07, ZIP 2007/1666, NZI 2007/579, LMK 2007, 243216. Het Bundesgerichtshof spreekt in dat arrest van vorderingen waarvan de schuldeisers met een “späteren oder nachrangigen Befriedigung” hebben ingestemd. Die vorderingen moeten niet opeisbaar worden geacht. Volgens Bitter & Rauhut gebruikt daarmee ook het Bundesgerichtshof de term nachrangig waar eigenlijk ‘niet opeisbaar’ wordt bedoeld. Genuanceerder echter Uhlenbruck/Mock InsO § 17, rn. 142 en BGH 19 juli 2007, IX ZB 36/07, ZIP 2007/1666, NZI 2007/579, ZInsO 2007/939, LMK 2007, 243216.
Vgl. Rb Rotterdam 17 november 2014, JOR 2015/157 (Swagemakers/High Care & Ambucare) en HR 17 december 1976, NJ 1977/241 (Bunde/Erckens). Zie echter ook HR 7 februari 2014,JOR 2014/92 (Afvalzorg/Slotereind), r.o. 4.2.2.
312. Op grond van de wet is een geldlener bevoegd de geldlening op te zeggen en betaling van de geleende som binnen zes weken na opeising te vorderen, tenzij de overeenkomst van geldlening de opzegging nader regelt.1 Dat doet vrijwel iedere overeenkomst van geldlening. Daarin worden doorgaans aan de geldlener ruime bevoegdheden toegekend om de lening op te zeggen en vervolgens betaling te vorderen van de schuldenaar zodra de schuldenaar in verzuim is ten aanzien van enige verbintenis uit die overeenkomst.2
Een dergelijke opzegging is geen ontbinding van de overeenkomst van geldlening of anderszins directe beëindiging, maar een bijzondere wijze van uitvoering daarvan. De opzegging wijzigt het moment waarop de verbintenissen uit de overeenkomst van geldlening moeten worden nagekomen.3 De bevoegdheid tot opzegging van de lening is dus een bevoegdheid om eenzijdig het tijdstip van nakoming van de verbintenis tot terugbetaling te wijzigen. Die bevoegdheid ontleent de geldlener aan de overeenkomst van geldlening.
313. De ruime bevoegdheden van de geldlener om de geldlening op te zeggen en de vordering tot terugbetaling opeisbaar te maken worden beperkt door de achterstellingsovereenkomst en door de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Het eerste type beperkingen komt hier aan bod, het tweede in de volgende paragraaf.
De contractuele opzeggingsbevoegdheid van de achtergestelde lening kan in conflict komen met de achterstelling als de junior daarmee betaling van zijn vordering kan afdwingen voordat de senior is voldaan.
Dat is niet bij iedere achterstellingsovereenkomst het geval, omdat niet iedere achterstellingsovereenkomst de bevoegdheid tot opzegging van de geldlening aantast. Een overeenkomst waarin de junior zich enkel jegens de senior verbindt om de junior-geldlening niet op te zeggen heeft strikt genomen niet tot gevolg dat de junior daar niet langer toe bevoegd is. Die bevoegdheid betreft immers de relatie van de geldlener tot de schuldenaar en er bestaat een verschil tussen het opgeven van een bevoegdheid en een verbintenis om die in bepaalde gevallen niet uit te oefenen.4 Een dergelijke verbintenis is wel een sterke aanwijzing dat partijen ook de bevoegdheid tot opzegging hebben willen beperken.
Veel overeenkomsten van geldlening die een achterstelling bevatten scheppen wel een conflict tussen de bevoegdheid om de lening op te zeggen en de achterstelling. Idealiter regelt de overeenkomst van geldlening en achterstelling dit conflict. Die overeenkomst kan bijvoorbeeld bepalen dat de junior de door hem verstrekte lening wel kan opzeggen, maar dat de vordering tot terugbetaling daarvan niet opeisbaar is totdat de senior is voldaan. Andere mogelijkheden zijn dat de junior de geldlening alleen kan opzeggen als de senior ook tot opzegging en opeising is overgegaan, of dat hij dat alleen kan na toestemming van de senior of na melding aan de senior gevolgd door een wachtperiode. Het LMA-Model voor intercreditor overeenkomsten voorziet bijvoorbeeld in een dergelijke regeling.
Minder uitgebreide overeenkomsten van achterstelling, zoals de achterstellingsovereenkomsten van aandeelhoudersleningen of van verkopersleningen in het midden- en kleinbedrijf, regelen het conflict tussen de opzeggingsbevoegdheid en de achterstelling doorgaans niet, althans niet expliciet. In die gevallen kent de regeling van de geldlening regelmatig de junior-geldlener ruime bevoegdheden tot opeising toe, terwijl de bepalingen van de achterstelling die bevoegdheden juist beperken totdat de senior volledig is voldaan.5 Strikt genomen zijn dergelijke overeenkomsten innerlijk tegenstrijdig of op zijn minst onvolledig, omdat zij geen voorziening bevatten voor dit conflict. De overeenkomst bepaalt dat bij omstandigheid A de junior de lening kan opzeggen en zijn vordering tot terugbetaling kan opeisen terwijl hij dat bij omstandigheid B niet kan. Wat geldt nu als zowel A en B zich tegelijkertijd voordoen?
Die vraag kan op drie manieren worden beantwoord. De ogenschijnlijke tegenstrijdigheid kan worden weggenomen door nadere uitleg van de overeenkomst, door aanvulling daarvan op grond van redelijkheid en billijkheid en door daaraan te derogeren op grond van de redelijkheid en billijkheid. De eerste oplossing komt in deze paragraaf aan bod, de tweede en derde in de volgende.
314. Overeenkomsten worden geacht niet innerlijk tegenstrijdig te zijn, omdat die als een geheel moeten worden uitgelegd.6 Voor het conflict tussen de achterstelling en de opzegbevoegdheid betekent dit dat met nadere uitleg alsnog uit de overeenkomst een keuze voor een van beide regimes moet worden geput.
In de rechtspraak wordt daarbij doorgaans gekozen voor de achterstelling.7 De overeenkomst van geldlening en achterstelling wordt dan zo uitgelegd dat de junior de geldlening niet kan opzeggen, althans dat de juniorvordering niet opeisbaar is zolang de senior niet is voldaan. Dat sluit aan bij het doel van de achterstelling.8 Bovendien sluit dit in veel gevallen aan bij de betekenis van de term ‘achtergesteld’ in de relevante maatschappelijke kring.9 Mijn indruk10 is dat ondernemers in het midden- en kleinbedrijf, hun financiers en juridisch adviseurs met de aanduiding van een vordering als ‘achtergesteld’ doorgaans bedoelen dat die vordering niet kan worden opgeëist of hoeft te worden nagekomen totdat bepaalde andere vorderingen zijn voldaan.11 De term ‘achtergesteld’ betekent dan ‘achter andere vorderingen gesteld in de volgorde van betaling’. Vergelijkbare vormen komen onder het Duitse recht voor.12 Bij een dergelijke betalingsvolgorde past dat de junior de geldlening niet kan opzeggen en opeisen.
Een andere uitleg zou betekenen dat de junior de achterstelling feitelijk kan beëindigen op een moment dat die het hardste nodig is. Dat is niet erg aannemelijk.13