Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.2.1
2.2.1 Strafbare feiten
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859054:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 90.
Zie hierover nader par. 4.7.
De Hullu 2021, p. 78 en Lindenberg & Wolswijk 2021, p. 76-77. Is er wel sprake van opzet op de dood dan is een ander delict gepleegd, namelijk doodslag of moord.
Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, artikel 302 Sr, aant. 2 (online, bijgewerkt tot en met 1 oktober 2012).
Rb. Den Haag 1 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:2957.
Rb. Maastricht 26 september 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BX9399. Mogelijk heeft bij deze uitspraak een rol gespeeld dat het om een buitenlandse veroordeling gaat. Zie over deze uitspraak nader par. 2.3.4 en 2.7.3. In par. 2.2.3.1 wordt duidelijk dat een buitenlandse veroordeling voor art. 4:3 lid 1 a BW ook volstaat. Zie ook par. 2.3.5 over het opgaan van onwaardigheidsgrond onder a in onwaardigheidsgrond onder b.
Artikel 4:3 lid 1 sub a BW spreekt over ‘ombrengen’, een term die in het Wetboek van Strafrecht niet voorkomt. Uit de parlementaire geschiedenis wordt duidelijk dat de wetgever hiermee niettemin een verwijzing naar het Wetboek van Strafrecht voorstaat.
De Toelichting Meijers merkt hierover het volgende op:
‘Ombrengen slaat slechts op de opzettelijke misdrijven der artikelen 287 en vlg. Wetboek van Strafrecht, niet op het culpoze misdrijf van artikel 307 en vlg., evenmin op de mishandelingen met dodelijke afloop der artikelen 300 j°. 301 en 302 j°. 303.’1
Het gaat bij deze onwaardigheidsgrond dus om het opzettelijk ombrengen van de erflater. De concrete delicten die daarbij horen zijn: doodslag (art. 287 Sr), moord (art. 289 Sr), kinderdoodslag (art. 290 Sr), kindermoord (art. 291 Sr) en levensbeëindiging op verzoek (art. 293 lid 1 BW). Voldoet de arts aan de zorgvuldigheidseisen die gelden voor euthanasie dan is hij niet strafbaar en als gevolg daarvan ook niet onwaardig (art. 293 lid 2 Sr). Worden de zorgvuldigheidseisen niet in acht genomen, maar geschiedt de levensbeëindiging op uitdrukkelijk verzoek van de erflater dan kan vergeving in beeld komen.2
Mishandeling de dood ten gevolg hebbend is weliswaar een opzetdelict, maar het opzet is niet gericht op het ombrengen van het slachtoffer. Het gaat hier om een door het gevolg gekwalificeerd delict. Het intreden van de dood is een strafverzwarende omstandigheid die aan het opzet is onttrokken. Dit gevolg is geobjectiveerd. Dat betekent dat opzet op de dood niet vastgesteld hoeft te worden.3 Het opzet is bij dit delict gericht op het toebrengen van pijn of letsel (art. 300 Sr)4 of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (art. 302 Sr).5 De dader brengt het slachtoffer dus niet opzettelijk om het leven, maar zijn (zware) mishandeling loopt slechter af dan hij wilde. Dit verklaart waarom deze opzetdelicten niet onder sub a van het eerste lid vallen.6
Hoewel onwaardigheid in de gevallen van lid 1 sub a BW alleszins gerechtvaardigd is, kan deze bepaling gemist worden. Met de invoering van de tweede onwaardigheidsgrond, betreffende opzettelijk tegen de erflater gepleegde misdrijven waarop een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier jaren, vallen de gedragingen uit lid 1 sub a BW ook daaronder. Een noodzaak om de onwaardigheidsgrond uit lid 1 sub a BW te handhaven, ontbreekt daarmee. De Rechtbank Den Haag past in 2020 artikel 4:3 lid 1 sub b BW al op deze wijze toe. Zonder verdere motivering, schaart de rechtbank een poging tot doodslag onder artikel 4:3 lid 1 sub b BW.7 Hetzelfde geldt voor de Rechtbank Maastricht bij het voltooide delict doodslag.8