Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/5.1.1.4
5.1.1.4 Pluraliteit van verweerders
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85943:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Voorheen art. 6, aanhef en onderdeel 1, EEX-Vo en daarvoor art. 6, aanhef en onderdeel 1, EEX-Verdrag. Cf.art. 7, eerste lid, Rv en daarover HR 29 maart 2019, NJ 2019/259, r.o. 4.2.2 alsmede de noot, onder 13-14, van Strikwerda als opgenomen in NJ 2019/260.
Conclusie, onder 26, van A-G Ruiz-Jarabo Colomer bij HvJ EG 13 juli 2006, C-103/05, NJ 2008/79, JBPR 2008/16, m.nt. D.F. de Lange (Reisch Montage).
Vide de conclusie, onder 26, van A-G Ruiz-Jarabo Colomer bij HvJ EG 13 juli 2006, C-103/05,NJ 2008/79, JBPR 2008/16, m.nt. D.F. de Lange (Reisch Montage); de noot (p. 987) van Polak bij HvJ EG 11 oktober 2007, C-98/06, NJ 2008/80, JBPR 2008/1, m.nt. D.F. de Lange, AA 2007/12, m.nt. M.V. Polak (Freeport).
Conclusie, onder 27, van A-G Ruiz-Jarabo Colomer bij HvJ EG 13 juli 2006, C-103/05, NJ 2008/79, JBPR 2008/16, m.nt. D.F. de Lange (Reisch Montage).
In art. 8, aanhef en onderdeel 1, EEX-Vo II, evenals zijn voorloper art. 6, aanhef en onderdeel 1, EEX-Vo (art. 6, aanhef en onderdeel 1, EEX-Verdrag bevatte niet, althans niet expliciet, zulk een vereiste), wordt gesproken van een ‘zo nauwe band’. Het Hof van Justitie bezigt evenwel het samenhangvereiste; vide HvJ EG 13 juli 2006, C-539/03, NJ 2008/76, m.nt. P. Vlas, IER 2006/76, m.nt. R.E.P. de Ranitz, punt 20-21 (Roche); HvJ EG 11 oktober 2007, C-98/06, NJ 2008/80, JBPR 2008/1, m.nt. D.F. de Lange, AA 2007/12, m.nt. M.V. Polak, punt 39, 41 en 52-54 (Freeport); HvJ EU 1 december 2011, C-145/10, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer en P.B. Hugenholtz, IER 2012/16, m.nt. S.J. Schaafsma en P.G.F.A. Geerts, punt 80 (Painer); HvJ EU 12 juli 2012, C-616/10,NJ 2013/67, m.nt. Th.M. de Boer en Ch. Gielen, IER 2012/62, m.nt. S.J. Schaafsma, punt 23 (Solvay); HvJ EU 11 april 2013, C-645/11, NJ 2013/499, punt 42 (Land Berlin); HvJ EU 21 mei 2015, C-352/13, NJ 2016/106, m.nt. L. Strikwerda, JBPR 2016/15, m.nt. R.B. van Hees, punt 20 (CDC); HvJ EU 20 april 2016, C-366/13, NJ 2016/468, m.nt. L. Strikwerda, JOR 2016/159, m.nt. T.M.C. Arons, Ondernemingsrecht 2016/120, m.nt. L.F.A. Welling-Steffens, punt 64 en 66 (Profit Investment); HvJ EU 27 september 2017, gevoegde zaken C-24/16 en C-25/16, punt 45 (Nintendo). Vide echter ook HvJ EG 27 september 1988, C-189/87, NJ 1990/425, m.nt. J.C. Schultsz, punt 12-13 (Kalfelis); HvJ EU 12 juli 2012, C-616/10, NJ 2013/67, m.nt. Th.M. de Boer en Ch. Gielen, IER 2012/62, m.nt. S.J. Schaafsma, punt 29 (Solvay); HvJ EU 11 april 2013, C-645/11, NJ 2013/499, punt 48 (Land Berlin). Vide voorts de noot, onder 3.1, van De Lange bij HvJ EG 11 oktober 2007, C-98/06, NJ 2008/80, JBPR 2008/1, m.nt. D.F. de Lange, AA 2007/12, m.nt. M.V. Polak (Freeport).
HvJ EU 11 april 2013, C-645/11, NJ 2013/499, punt 56 (Land Berlin). Vide ook de noot, onder 9, van Strikwerda erbij, welke te vinden is in NJ 2013/500. Zowel de ankerverweerder als de medeverweerder dient zijn woonplaats op het grondgebied van een lidstaat te hebben. In gelijk zin S.J. Schaafsma, ‘Multiple defendants in intellectual property litigation’, NIPR 2016, afl. 4, p. 698.
Vide ook Schaafsma 2016, l.s.c.
HvJ EG 27 september 1988, C-189/87, NJ 1990/425, m.nt. J.C. Schultsz, punt 12 (Kalfelis).
HvJ EG 11 oktober 2007, C-98/06, NJ 2008/80, JBPR 2008/1, m.nt. D.F. de Lange, AA 2007/12, m.nt. M.V. Polak, punt 54 (Freeport).
Vide ook de noten, onder 3 (i.f.) respectievelijk 7, van Vlas en Strikwerda bij HvJ EG 13 juli 2006, C-539/03, NJ 2008/76, m.nt. P. Vlas, IER 2006/76, m.nt. R.E.P. de Ranitz (Roche) respectievelijk HvJ EU 21 mei 2015, C-352/13, NJ 2016/106, m.nt. L. Strikwerda, JBPR 2016/15, m.nt. R.B. van Hees (CDC). Vide ook Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 37-38. Vide over dat beginsel tevens Ibili 2007, para 3.2.5; M. Zilinsky, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, ‘Inleidende opmerkingen’ over afdeling 1 van titel 1 van Boek 1 Rv, aant. 10d en het aldaar aangehaalde.
HvJ EG 13 juli 2006, C-103/05, NJ 2008/79, JBPR 2008/16, m.nt. D.F. de Lange, punt 33 (Reisch Montage). Anders: A-G Ruiz-Jarabo Colomer bij dit arrest. Vide ook H. Muir Watt, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 8 (1), note 35.
Vide HvJ EG 11 oktober 2007, C-98/06, NJ 2008/80, JBPR 2008/1, m.nt. D.F. de Lange, AA 2007/ 12, m.nt. M.V. Polak, punt 41 (Freeport); HvJ EU 1 december 2011, C-145/10, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer en P.B. Hugenholtz, IER 2012/16, m.nt. S.J. Schaafsma en P.G.F.A. Geerts, punt 80 (Painer); HvJ EU 12 juli 2012, C-616/10, NJ 2013/67, m.nt. Th.M. de Boer en Ch. Gielen, IER 2012/62, m.nt. S.J. Schaafsma, punt 23 (Solvay); HvJ EU 20 april 2016, C-366/13, NJ 2016/468, m.nt. L. Strikwerda, JOR 2016/159, m.nt. T.M.C. Arons, Ondernemingsrecht 2016/120, m.nt. L.F.A. Welling-Steffens, punt 64 en 66 (Profit Investment). Evenzo Schaafsma in zijn noot, onder 7, bij het Painer-arrest.
Niettegenstaande het feit dat in art. 8, aanhef en onderdeel 1, EEX-Vo II, net als in zijn voorloper art. 6, aanhef en onderdeel 1, EEX-Vo, wordt gesproken van ‘onverenigbaar’, bezigt het Hof van Justitie, althans in de Nederlandse tekst, ook wel – in de hier bedoelde context – het woord ‘tegenstrijdig’; vide HvJ EG 13 juli 2006, C-539/03, NJ 2008/76, m.nt. P. Vlas, IER 2006/76, m.nt. R.E.P. de Ranitz, punt 26 (Roche); HvJ EG 11 oktober 2007, C-98/06, NJ 2008/80, JBPR 2008/ 1, m.nt. D.F. de Lange, AA 2007/12, m.nt. M.V. Polak, punt 40 (Freeport); HvJ EU 1 december 2011, C-145/10, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer en P.B. Hugenholtz, IER 2012/16, m.nt. S.J. Schaafsma en P.G.F.A. Geerts, punt 79 (Painer); HvJ EU 12 juli 2012, C-616/10, NJ 2013/67, m.nt. Th.M. de Boer en Ch. Gielen, IER 2012/62, m.nt. S.J. Schaafsma, punt 24 (Solvay); HvJ EU 11 april 2013, C-645/11, NJ 2013/499, punt 43 (Land Berlin); HvJ EU 20 april 2016, C-366/13, NJ 2016/468, m.nt. L. Strikwerda, JOR 2016/159, m.nt. T.M.C. Arons, Ondernemingsrecht 2016/120, m.nt. L.F.A. Welling-Steffens, punt 65 (Profit Investment). Vide ook de noot, onder 7 (en voetnoot 8), van Schaafsma bij het Painer-arrest en die, onder 3.1, van De Lange bij het Freeport-arrest.
Vide HvJ EU 21 mei 2015, C-352/13, NJ 2016/106, m.nt. L. Strikwerda, JBPR 2016/15, m.nt. R.B. van Hees, punt 20 (CDC); HvJ EU 27 september 2017, gevoegde zaken C-24/16 en C-25/16, punt 45 (Nintendo).
Vide HvJ EG 11 oktober 2007, C-98/06, NJ 2008/80, JBPR 2008/1, m.nt. D.F. de Lange, AA 2007/ 12, m.nt. M.V. Polak, punt 41 (Freeport); HvJ EU 1 december 2011, C-145/10, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer en P.B. Hugenholtz, IER 2012/16, m.nt. S.J. Schaafsma en P.G.F.A. Geerts, punt 84 (Painer); HvJ EU 12 juli 2012, C-616/10, NJ 2013/67, m.nt. Th.M. de Boer en Ch. Gielen, IER 2012/62, m.nt. S.J. Schaafsma, punt 23 (Solvay); HvJ EU 20 april 2016, C-366/13, NJ 2016/468, m.nt. L. Strikwerda, JOR 2016/159, m.nt. T.M.C. Arons, Ondernemingsrecht 2016/120, m.nt. L.F.A. Welling-Steffens, punt 64 (Profit Investment).
Herhaald in HvJ EU 12 juli 2012, C-616/10, NJ 2013/67, m.nt. Th.M. de Boer en Ch. Gielen, IER 2012/62, m.nt. S.J. Schaafsma, punt 25 (Solvay).
HvJ EG 13 juli 2006, C-539/03, NJ 2008/76, m.nt. P. Vlas, IER 2006/76, m.nt. R.E.P. de Ranitz, punt 27 respectievelijk 34 (Roche). Herhaald in HvJ EU 27 september 2017, gevoegde zaken C-24/16 en C-25/16, punt 51 (Nintendo). Vide ook punt 52 ervan.
HvJ EU 1 december 2011, C-145/10, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer en P.B. Hugenholtz, IER 2012/16, m.nt. S.J. Schaafsma en P.G.F.A. Geerts, punt 83, in fine (Painer). Vide ook Schaafsma 2016, op. cit., p. 700.
HvJ EG 13 juli 2006, C-539/03, NJ 2008/76, m.nt. P. Vlas, IER 2006/76, m.nt. R.E.P. de Ranitz, punt 29-31 (Roche). Herhaald in HvJ EU 12 juli 2012, C-616/10, NJ 2013/67, m.nt. Th.M. de Boer en Ch. Gielen, IER 2012/62, m.nt. S.J. Schaafsma, punt 25-26 (Solvay); HvJ EU 27 september 2017, gevoegde zaken C-24/16 en C-25/16, punt 46 (Nintendo). Vide ook punt 49 van laatstgenoemd arrest.
Schaafsma 2016, op. cit., p. 703. Vide ook Schaafsma 2016, loc. cit.: ‘Apparently, it seems that parallel patent infringement actions do not constitute a same situation of law, so that Article 8(1) cannot be applied. Such a situation may exist, however, in cases concerning other areas of intellectual property law such as copyright law, trade mark law and design law, where there is European harmonization [curs. RPJ].’
HvJ EG 11 oktober 2007, C-98/06, NJ 2008/80, JBPR 2008/1, m.nt. D.F. de Lange, AA 2007/12, m.nt. M.V. Polak, punten 47 en 57 (Freeport). Vide ook HvJ EU 11 april 2013, C-645/11, NJ 2013/ 499, punt 44 et seq. (Land Berlin) en de noot, onder 11, in fine, van Strikwerda, afgedrukt inNJ 2013/500. Vide bovendien HvJ EU 1 december 2011, C-145/10, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer en P.B. Hugenholtz, IER 2012/16, m.nt. S.J. Schaafsma en P.G.F.A. Geerts, punt 80 (Painer), alwaar wij lezen dat de omstandigheid dat de rechtsgrondslagen van de ingestelde vorderingen identiek zijn, niet de enige relevante factor is. Herhaald het Land Berlin-arrest (ante, punt 44, in fine).
HvJ EU 1 december 2011, C-145/10, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer en P.B. Hugenholtz, IER 2012/16, m.nt. S.J. Schaafsma en P.G.F.A. Geerts, punt 81 (Painer). Herhaald in HvJ EU 21 mei 2015, C-352/13, NJ 2016/106, m.nt. L. Strikwerda, JBPR 2016/15, m.nt. R.B. van Hees, punt 23 (CDC). Vide ook Schaafsma 2016, op. cit., p. 702.
HvJ EU 1 december 2011, C-145/10, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer en P.B. Hugenholtz, IER 2012/16, m.nt. S.J. Schaafsma en P.G.F.A. Geerts, punt 82 (Painer). Vide ook punt 84 hiervan.
Vide hierover ook (op die lijn) Schaafsma in zijn noot, onder 11, bij HvJ EU 1 december 2011, C-145/10, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer en P.B. Hugenholtz, IER 2012/16, m.nt. S.J. Schaafsma en P.G.F.A. Geerts (Painer); H. Muir Watt, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Pivate International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 8 (1), note 24.
Dat ‘wij (…) in Europa gewoon uniek [zijn] met het enquêterecht’ (uitspraak van minister Opstelten in Handelingen II 2011/12, 71, item 23, p. 53) is dus – indien wij een regeling als hier bedoeld naar de kern bezien: een (speciale) onderzoeksprocedure, hetwelk te onzent reeds volgt uit het (gebruik van het) woord ‘enquête’ – niet juist. Vide ook Jager 2014, op. cit., p. 13 (voetnoot 3); R.P. Jager, ‘Het enquêterecht in rechtsvergelijkend perspectief: Nederland, Curaçao, Aruba, de BES-eilanden, Sint-Maarten en Suriname’, Ondernemingsrecht 2015/64, p. 325.
De reeds genoemde en te noemen regelingen heb ik online, al dan niet met behulp van een vertaalprogramma, geraadpleegd. Hierbij een caveat, houdende dat (1) ik niet van iedere lidstaat een regeling, laat staan een met een enquêteregeling, heb kunnen vinden, (2) van sommige wel gevonden regelingen wellicht nieuwere versies – met eventuele wijzigingen van dien – bestaan en (3) de vertaling van sommige buitenlandse bepalingen juridisch gezien mogelijkerwijs niet helemaal dekkend is.
Cf. § 131-132 Aktiengesetz en § 51a-51b GmbH-Gesetz.
Dit betreft de regeling voor de besloten vennootschap. In art. 6:91 en 7:160 Wetboek van vennootschappen en verenigingen staan de in (nagenoeg) gelijkluidende woorden opgenomen enquÊteregelingen voor de coöperatieve vennootschap respectievelijk naamloze vennootschap. Vide over het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen ook M. Zilinsky, ‘Nieuw Belgisch internationaal privaatrecht inzake rechtspersonen en vennootschappen’, WPNR 2019/7246, p. 513, para 1. Vide voor het oude recht art. 168-169 Wetboek van Vennootschappen.
Met ‘Brits recht’ bedoel ik hier het recht dat geldt in het Verenigd Koninkrijk. Het Britse enquêterecht is dus van toepassing in: Engeland, Wales, Schotland en Noord-Ierland.
Deze is gewijzigd bij de Companies Act 2006. Vide over het Britse enquêterecht J.M. de Jongh, ‘Over het Britse enquêterecht en palmen aan de oever van het IJ’, in: G.C. Makkink, M.P. Nieuwe Weme en A.J. van Wees (red.), Ik ben niet overtuigd. Opstellen aangeboden aan mr. P. Ingelse ter gelegenheid van zijn terugtreden als voorzitter van de Ondernemingskamer en als vice-president van het Gerechtshof Amsterdam, Prinsengrachtreeks, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2015, p. 247-254.
Blijkens section 10, para 1, Companies Act 2014 wordt in part 13 inzake Investigations met een ‘company’ bedoeld een ‘private company limited by shares’. Niettemin is in sections 1126, 1225 en 1281 Companies Act 2014 bepaald dat section 747, para 2, Companies Act 2014 (mede) van toepassing is op respectievelijk een PLC (= public limited company; vide section 1000, para 1), CLG (=company limited by guarantee; vide section 1172), en een PUC en een PULC (= public unlimited company respectievelijk public unlimited company that has no share capital; vide section 1228, para 1), zij het in gewijzigde vorm (de toegangsdrempel is aangepast).
De pendant is art. 72 Act No. 138/1994 respecting Private Limited Companies.
Cf. art. 67 Commercial Company Act.
Voluit: Federal Act on the Amendment of the Swiss Civil Code (Part Five: The Code of Obligations). Cf. art. 802 Code of Obligations met betrekking tot de SARL/société à responsabilité limitée (= LLC/ limited liability company, GmbH/Gesellschaft mit beschränkter Haftung of bv/besloten vennootschap).
Cf. art. 512-513 Companies Act (ZGD-1). Vide ook art. 92 Companies Act (ZGD-1).
Per 19 december 2017, ten gevolge van een herschikking, opgenomen – in nagenoeg dezelfde bewoordingen – in art. 1400-3 van de Grand-Ducal Regulation of 5 December 2017 coordinating the amended law of 10 August 1915 concerning commercial companies.
De pendant is § 45 et seq. GmbH-Gesetz (Limited Liability Companies Act).
Het perspectief is hier vanuit de bovenkant van het concern, maar wat ik daarover opmerk geldt mutatis mutandis ook voor de onderkant van het concern, d.w.z. de situatie waarin een enquêteverzoekende, en daartoe gerechtigde, aandeelhouder van een op het grondgebied van een lidstaat zetelende dochtermaatschappij mede een enquête wil uitlokken bij haar Nederlandse moedermaatschappij en deze gehele enquêtezaak bij de Ondernemingskamer wil aanbrengen op de voet van art. 8, aanhef en onderdeel 1, EEX-Vo II.
Vide e.g. hof Amsterdam (OK) 20 december 2018, JOR 2019/103, m.nt. P.D. Olden, r.o. 3.6 (Parlevliet): ‘Uit het vorenstaande volgt dat PPB niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in een deel van haar verzoeken en dat deze voor het overige dienen te worden afgewezen. PPB dient te worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Daarbij ziet de Ondernemingskamer aanleiding de proceskosten te bepalen op het dubbele van het gebruikelijke liquidatietarief. De Ondernemingskamer is van oordeel dat PPB op voorhand moest begrijpen dat deze verzoeken geen kans van slagen hadden [curs. RPJ].’
P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1 Brussel I-bis, aant. 8; F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1 Brussel I-bis, aant. 1b.
Ingevolge art. 3 EEX-Vo II omvat het begrip ‘gerecht’ bepaalde autoriteiten in Hongarije en in Zweden. Men zie aldaar; zulks is hier verder niet van belang. Volgens art. 62 EVEX-Verdrag II omvat het begrip ‘gerecht’, voor de toepassing van dit verdrag, ‘alle autoriteiten aangewezen door een door dit verdrag gebonden staat die bevoegd zijn om uitspraak te doen over zaken die onder het toepassingsgebied van dit verdrag vallen’. Aangenomen mag worden dat daaronder niet valt de in voetnoot 128 infra genoemde persoon.
F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1 Brussel I-bis, aant. 1b.
Section 431 Companies Act 1985.
Section 158 Companies Law.
Art. 403 Companies Act (Chapter 386). Ingevolge art. 2, para1, daarvan wordt met een ‘Registrar’ bedoeld ‘the person appointed by the Minister pursuant to article 400’. Laatstgenoemd artikel (para 1) luidt, voor zover hier van belang, aldus: ‘The Minister, acting on the advice of the Malta Financial Services Authority, shall appoint a senior official of the said Authority to be Registrar of Companies and other Commercial Partnerships, who shall be designated “Registrar of Companies”, (…).’
Section 22 (Chapter 10) Companies Act.
Section 7 (Chapter 7) Limited Liability Companies Act.
Section 150 Commercial Law.
Art. 97 Act respecting Public Limited Companies No. 2/1995 en art. 72 Act No. 138/1994 respecting Private Limited Companies. Blijkens art. 1 van de eerstgenoemde wet wordt met ‘Minister’ bedoeld de ‘Minister of Economic Affairs’ en blijkens art. 1 van de laatstgenoemde wet wordt daarmee bedoeld de ‘Minister of Commerce’.
Schaafsma 2016, op. cit., p. 701 haalt uit de door hem besproken rechtspraak de volgende niet- uitputtende lijst van elementen die in intellectuele eigendomszaken voor de beoordeling van de vraag of sprake is van eenzelfde feitelijke situatie, van belang zouden kunnen zijn: ‘(i) the objects involved, (ii) the key players involved, and (iii) the acts involved’. De aanwezigheid van één element is volgens hem niet voldoende; het gaat om de accumulatie daarvan.
Cf. Schaafsma 2016, op. cit., p. 700: ‘The fact that the defendants are “different” cannot be an obstacle, as this is the very raison d’être [curs. aut.] of Article 8(1). Perhaps the Court [in the Roche case, toev. RPJ] meant that the defendants are not affiliated.’ Vide ook Schaafsma 2016, op. cit., p. 701.
Cf. Schaafsma 2016, l.s.c.
Schaafsma 2016, op. cit., p. 703 haalt uit de door hem besproken rechtspraak de volgende niet- uitputtende lijst van factoren die in intellectuele eigendomszaken voor het gerecht in het kader van de beoordeling van de vraag of sprake is van eenzelfde situatie rechtens, van belang zouden kunnen zijn: ‘(i) identity of the legal basis of the actions against the various defendants, (ii) the extent to which the relevant national laws are identical, and (iii) whether the actions are directed at the same interest’.
Het gaat het bestek te buiten om alle eerder opgesomde enquêteregelingen met elkaar te gaan vergelijken. De ene enquêteregeling zal meer (inhoudelijke) gelijkenis (kunnen) vertonen met de onze dan een andere enquêteregeling. In het concrete aan de Ondernemingskamer voorgelegde geval zal moeten worden bepaald of de enquêteregelingen op basis waarvan de respectieve verzoeken zijn gedaan, dusdanig op elkaar lijken dat sprake is van eenzelfde situatie rechtens.
Cf. J.F. Vlek, Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (diss. VU Amsterdam), Serie Burgerlijk Proces & Praktijk, deel XVI, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 116: ‘Daaruit [het Roche-arrest van het Hof van Justitie, toev. RPJ] kan als regel worden afgeleid dat in geval van verschillend toepasselijk recht, met name indien het desbetreffende recht niet (volledig) geharmoniseerd is zoals in het geval van Europees octrooirecht, geen plaats is voor toepassing van art. 8 sub 1 EEX-Vo II en er ook geen sprake is van “onverenigbare beslissingen”.’
Zo kan er in Duitsland enkel een enquête worden uitgelokt bij een AG/Aktiengesellschaft (= nv/ naamloze vennootschap). Ook onder de Zwitserse enquêteregeling kan het enquêtesubject alleen een SA/société anonyme (= een company limited by shares of Aktiengesellschaft) zijn.
Zo bepaalt de Zwitserse enquêteregeling (videart. 697b, para2, Code of Obligations) dat de ‘applicants are entitled to have a special auditor appointed where they make a prima facie case that the founding members or governing officers have violated the law of the articles of association and thereby harmed the company or the shareholders [curs. RPJ]’. De Belgische enquêteregeling (videart. 5:106 Wetboek van vennootschappen en verenigingen) vereist dat ‘de belangen van de vennootschap op ernstige wijze in gevaar komen of dreigen te komen [curs. RPJ]’. Onder de Sloveense enquêteregeling (videart. 318, para2, Companies Act (ZGD-1)) kan er een special auditor worden benoemd wanneer ‘there is reason to believe that serious fraud or violations of the articles of association or of the law have occured in the conduct of business and procedures’. Naar Oostenrijks enquêterecht (vide § 130, para2, Aktiengesetz en § 45, para1, in fine, GmbH-Gesetz) wordt er in dit verband gesproken van ‘dishonesty or gross violation of the law or the statutes’ (men leze in geval van een GmbH i.p.v. ‘statutes’ ‘social contract’).
Saillant is dat in bijna alle enquêteregelingen van lidstaten of EVEX-staten geen mogelijkheid tot het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen is opgenomen. Uitzonderingen zijn (in ieder geval) Italië (videart. 2.409, para4, Civil Code), Litouwen (videart. 2.131 Civil Code) en Portugal (videart. 292, para3-5, Commercial Company Act).
De EEX-Verordening II kent ook – ter aanvulling op de hierboven besproken hoofdregel – een aantal alternatieve bevoegdheidsregels. Deze zijn opgenomen in art. 7 en 8 EEX-Vo II. Op grond daarvan kán (facultatief dus, niet imperatief) een verweerder voor een ander gerecht worden opgeroepen dan dat krachtens art. 4 EEX- Vo II bevoegd is. Een alternatieve regel waar ik hieronder bij stil wil staan, betreft art. 8, aanhef en onderdeel 1, EEX-Vo II1 (het forum connexitatis). Daarin staat dat een op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebbende (rechts)persoon eveneens, indien er meerdere verweerders zijn, kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een der verweerders (die verweerder is de zogenoemde ‘ankerverweerder’ en de overige verweerders zijn de ‘medeverweerders’), met dien verstande dat er tussen de vorderingen (verzoeken) een ‘zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven’.
Ingeval meerdere personen bij het proces betrokken zijn, spreken we van litis consortium.2 Deze pluraliteit van procespartijen kan zich voordoen aan de actiefzijde, i.e. twee of meer eisers dan wel verzoekers ageren tegen één gedaagde dan wel verweerder, aan de passiefzijde, i.e. één eiser dan wel verzoeker betrekt twee of meer gedaagden dan wel verweerders in rechte, of aan beide zijden (gemengd), i.e. twee of meer eisers dan wel verzoekers procederen tegen twee of meer gedaagden dan wel verweerders.3 Eerdergenoemd artikel betreft de passieve litis consortium, hoewel de gemengde niet valt uit te sluiten.4 Mij gaat het hier om (de beoordeling van) de toepasselijkheid van art. 8, aanhef en onderdeel 1, EEX-Vo II in de situatie waarin een aandeelhouder van een Nederlandse moedermaatschappij (mede) haar in het buitenland zetelende dochtermaatschappij(en) in een bij de Ondernemingskamer aan te brengen enquêtezaak wil betrekken.
Voor de toepasselijkheid van dat artikel is een zodanige ‘samenhang’5 vereist tussen de door eenzelfde eiser (of verzoeker) tegen verschillende – op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebbende –6gedaagden (verweerders) ingestelde (gerichte) vorderingen (verzoeken) dat het van belang is ze tezamen te behandelen en te berechten.7 In de arresten Kalfelis8 en Freeport9ligt besloten dat de aangezochte rechter bij de beantwoording daarvan het perpetuatio fori-beginsel in acht moet nemen, op grond waarvan voor het bepalen van zijn bevoegdheid beslissend is het moment waarop de zaak in prima wordt aangebracht, zodat eventuele nadien gewijzigde feiten of omstandigheden niet meer aan zijn eenmaal op dat tijdstip vastgestelde bevoegdheid kunnen afdoen.10
Buitendien kan op art. 8, aanhef en onderdeel 1, EEX-Vo II een beroep worden gedaan wanneer een in lidstaat A ingestelde vordering tegen een aldaar woonachtige verweerder en een in lidstaat B woonachtige medeverweerder – naar nationaal recht – jegens de eerstgenoemde verweerder reeds niet-ontvankelijk wordt geacht ‘op het tijdstip van de instelling ervan’.11
Het begrip ‘samenhang’ houdt in dat er gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat in geval van afzonderlijke berechting van de verschillende bij de nationale rechter ingestelde vorderingen (of ingediende verzoeken).12 Beslissingen worden ‘onverenigbaar’13 geacht als sprake is van een – zich in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk én rechtens, voordoende – divergentie in de beslechting van het geschil,14 bij de beoordeling waarvan de nationale rechter rekening dient te houden met alle noodzakelijke elementen van het dossier.15
Ten aanzien van (de voorwaarde inzake het bestaan van) eenzelfde feitelijke situa- tie overwoog het Hof van Justitie in zijn Roche-arrest dat in het door de verwijzende rechter in zijn eerste (prejudiciële) vraag beoogde geval, sc. het geval van rechtsvorderingen ter zake van inbreuken op een Europees octrooi waarbij verscheidene in verschillende verdragsluitende staten gevestigde vennootschappen zijn gedagvaard voor feiten die zij zouden hebben begaan op het grondgebied van een of meer van deze staten, géén sprake is van zulk een situatie, nu de verweerders verschillen en de hun ten laste gelegde, in verschillende verdragsluitende staten gepleegde, octrooi-inbreuken niet dezelfde zijn,16 maar in het door die rechter in zijn tweede vraag beoogde geval, sc. het geval waarin d(i)e verwerende vennootschappen tot eenzelfde concern behoren en op (bijkans) dezelfde wijze hebben gehandeld conform een gemeenschappelijk beleidsplan dat is uitgegaan van slechts een van hen, wél.17 Hieraan kan nog worden toegevoegd het overwogene in zijn Painer-arrest, houdende dat het van belang kán zijn of de verweerders die de houder van een auteursrecht inhoudelijk identieke inbreuken op zijn recht verwijt, onafhankelijk van elkaar hebben gehandeld.18
Ten aanzien van (de voorwaarde inzake het bestaan van) eenzelfde situatie rech- tens overwoog het Hof van Justitie in zijn hogergenoemde Roche-arrest dat daartoe niet kan worden geconcludeerd wanneer bij verschillende gerechten van onderscheiden verdragsluitende staten rechtsvorderingen wegens inbreuk op een in elk van deze staten verleend octrooi tegen in deze staten woonachtige verweerders aanhangig zijn gemaakt voor feiten die beweerdelijk op hun grondgebied zijn begaan, omdat blijkens het Europees Octrooiverdrag een Europees octrooi onderworpen blijft aan de nationale regeling van elk van die staten waarvoor het is verleend, en dat elke rechtsvordering ter zake van een inbreuk daarop (dan ook) moet worden beoordeeld in dat licht.19 Volgens Schaafsma lijkt, met betrekking tot de vraag hoe dit oordeel zich verhoudt tot dat in de Painer-uitspraak, ‘the most plausible explanation’ te zijn ‘that, in the Court’s view, the national patent laws in Europe are not sufficiently harmonised or, at least, there is no European Union instrument harmonising patent law which would justify an application of Article 8(1). By contrast, copyright law is harmonised to a large extent by means of a European Directive, as is trade mark law and design law’.20
Hoewel er (mede) sprake moet zijn van eenzelfde situatie rechtens, staat aan de toepasselijkheid van art. 8, aanhef en onderdeel 1, EEX-Vo II niet in de weg als de tegen verschillende verweerders gerichte vorderingen verschillende rechtsgrondslagen hebben,21 mits het voor die verweerders voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar ten minste een van hen zijn woonplaats heeft.22 Dit geldt a fortiori wanneer de nationale bepalingen waarop de tegen de diverse verweerders ingediende vorderingen zijn gebaseerd, volgens de verwijzende rechter in hoofdzaak identiek zijn.23
Overigens zij naar voren gebracht dat bij gebreke van een andersluidend arrest van het Hof van Justitie aangenomen mag worden dat het kiezen van het forum waarvoor de verweerders moeten worden opgeroepen, ter vrije bepaling van de eiser staat, met dien verstande dat evenbedoeld gerecht gelokaliseerd is op het grondgebied van de lidstaat waarop ten minste een van de verweerders zijn woonplaats heeft (vide ook supra).24
Tegen de achtergrond van het vorenstaande kom ik nu toe aan een bespreking van art. 8, aanhef en onderdeel 1, EEX-Vo II in het kader van het enquêterecht.
Degene die (een bundeling van) op verschillende – in Nederland en in een of meer andere lidstaten (of landen ten aanzien waarvan het EVEX-Verdrag II, waarin het gelijkluidende art. 6, aanhef en onderdeel 1, ervan is opgenomen, geldt) woonachtig zijnde –25groepsmaatschappijen betrekking hebbende enquêteverzoeken op gelijktijdige wijze bij de Ondernemingskamer behandeld en berecht wil zien, dient zich allereerst ten aanzien van ieder van hen af te vragen of het recht van het land waarin de in rechte te betrekken groepsmaatschappij zetelt, wel een regeling kent op basis waarvan zulk een verzoek, (ten minste) strekkende tot het doen instellen van een onderzoek bij een vennootschap, kan worden gedaan. Zo opent, als ik dat goed heb gezien, de Spaanse Corporate Enterprises Act daartoe niet de mogelijkheid. Hetzelfde geldt voor de Slowaakse Commercial Code. Een Spaanse of Slowaakse vennootschap kan in een enquêtezaak als bovenbedoeld dan ook geen verweerder worden.
Niettemin kennen de rechtsstelsels van de meeste Europese (lid)staten een (soort) enquêteregeling,26 waaronder ik hier versta de wettelijke mogelijkheid om van (inieder geval) aandeelhouderszijde een gerecht, of een bevoegde autoriteit, te kun- nen verzoeken om (in ieder geval) een of meer personen te benoemen tot het instellen van een (in een verslag uitmondend) onderzoek bij een rechtspersoon. Ter adstructie wijs ik op:27
–
Duits recht:
§ 142 et seq. Aktiengesetz (Stock Corporation Act)28
–
Belgisch recht:
art. 5:106 Wetboek van vennootschappen en verenigingen29
–
Brits recht:30
section 431 et seq. Companies Act 198531
–
Zweeds recht:
section 21 et seq. (Chapter 10) Companies Act
–
Noors recht:
§ 5-25 et seq. Public Limited Liability Companies Act
–
Fins recht:
section 7 et seq. (Chapter 7) Limited Liability Companies Act
–
Estlands recht:
§ 191 en § 330 Commercial Code
–
Letlands recht:
section 150 Commercial Law
–
Litouws recht:
art. 2.124 et seq. Civil Code
–
Pools recht:
art. 223 et seq. Commercial Companies Code
–
Cypriotisch recht:
section 158 et seq. Companies Law
–
Deens recht:
section 150 et seq. Companies Act
–
Frans recht:
art. L223-37 en art. L. 225-231 Commercial Code
–
Italiaans recht:
art. 2.409 Civil Code
–
Iers recht:
section 746 et seq. Companies Act 201432
–
Hongaars recht:
section 3:104 Act V of 2013 on the Civil Code
–
IJslands recht:
art. 97 Act respecting Public Limited Companies No. 2/199533
–
Portugees recht:
art. 216 en 292 Commercial Company Act34
–
Zwitsers recht:
art. 697a et seq. Code of Obligations35
–
Maltees recht:
art. 403 et seq. Companies Act (Chapter 386)
–
Sloveens recht:
art. 318 et seq. Companies Act (ZGD-1)36
–
Luxemburgs recht:
art. 154 Law of 10 August 1915 on commercial companies37
–
Oostenrijks recht:
§ 130 et seq. Aktiengesetz (Stock Corporation Act)38
–
Roemeens recht:
art. 136 Law no. 31 of November 16, 1990 on Companies
–
Grieks recht:
art. 40-40A Law No. 2190/1920 on Limited Companies
Als de in het geding te betrekken buitenlandse concerndelen zetelen op grondgebie- den van lidstaten waarin wél, zoals in de bovenbedoelde, een enquêteregeling van kracht is, rijst de vraag of de enquêteverzoekende, en daartoe gerechtigde, aandeelhouder van een Nederlandse moedermaatschappij39 uit hoofde daarvan mede te hunnen aanzien een enquêteverzoek kan doen, en bijgevolg hun tot verweerders in een bij de Ondernemingskamer aangebrachte enquêtezaak kan maken. Betreffen dit volle dochtermaatschappijen, dan zal het antwoord (in beginsel) ontkennend luiden. Regarderen het géén volle dochtermaatschappijen, dan zal de vorenbedoelde aandeelhouder moeten bezien of hij aan de enquêterechtelijke toegangseisen kan voldoen dan wel een enquêtebevoegde aandeelhouder van een buitenlandse groepsmaatschappij als hier bedoeld bereid kan vinden tezamen met hem bij de Ondernemingskamer een verzoekschrift, met daarin twee enquêteverzoeken, in te dienen. Lukt dit niet, dan kunnen voornoemde buitenlandse concerndelen niet te onzent in rechte worden betrokken.
Hierbij zij duidelijkheidshalve het volgende opgemerkt. Ofschoon dat, strikt genomen, geen vereiste is voor de toepasselijkheid van art. 8, aanhef en onderdeel 1, EEX-Vo II (vide supra, 4e al. van boven), ga ik er veronderstellenderwijs van uit dat de verzoeker die ab initio weet dat hij met betrekking tot een of meer groepsmaatschappijen niet enquêtegerechtigd is en bijgevolg, ook al zou een beroep op de voornoemde bepaling (kunnen) slagen, (uiteindelijk) in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard, te hunnen aanzien geen verzoek als hier bedoeld zal doen. Het desondanks indienen ervan is immers niet onder risico. Zo zou hier te lande een verzoeker die van tevoren weet, of redelijkerwijs zou moeten weten, dat zijn enquêteverzoek kansloos is (doordat het stukloopt op de ontvankelijkheid), een schadevergoedingsactie tegen zich kunnen krijgen indien de wederpartij ten gevolge van dat verzoek schade heeft geleden en de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat dat verzoek niet op redelijke grond is gedaan (vide art. 2:350, tweede lid, BW). Ook bestaat het gevaar van een proceskostenveroordeling.40
Is er sprake van twee of meer (enquête)verzoeken, afkomstig van een (of meer) daartoe gerechtigde verzoeker(s), en verweerders die alle hun woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, dan dient men erop bedacht te zijn dat art. 8, aanhef en onderdeel 1, EEX-Vo II bepaalt dat in geval van een pluraliteit van verweerders deze laatsten kunnen worden opgeroepen ‘voor het gerecht [curs. RPJ] van de woonplaats van een hunner’, in plaats van de gerechten van de staat alwaar zij hun woonplaats hebben (videart. 4, eerste lid, EEX-Vo II), dit m.u.v. de ankerverweer- der, welke wordt opgeroepen voor het gerecht van zijn eigen lidstaat. Alhoewel blijkens art. 1, eerste lid, EEX-Vo II de EEX-Verordening II wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken ‘ongeacht de aard van het gerecht’ (burgerlijke rechter, strafrechter, bestuursrechter of fiscale rechter),41 laat dit onverlet dat er wel sprake moet zijn van een ‘gerecht’. Wat daaronder moet worden verstaan, blijkt echter niet uit die verordening.42 Volgens Ibili is duidelijk dat met het evenbedoelde begrip wordt bedoeld een ‘van overheidswege met rechtspraak belaste overheidsinstantie van een lidstaat’.43
In de enquêteregelingen van het Verenigd Koninkrijk, Cyprus, Malta, Zweden, Finland, Letland en van IJsland wordt gesproken van respectievelijk ‘Secretary of State’,44 ‘Council of Ministers’,45 ‘Registrar’, 46 ‘County Administrative Board’, 47 ‘State Provincial Office’, 48 ‘Commercial Register Office’49 en ‘Minister’. Deze zijn kennelijk niet met rechtspraak belast en kunnen bijgevolg niet worden gekwalificeerd als een gerecht in de zin van de EEX-Verordening II (of van het EVEX-Verdrag II). Medeverweerders naar aanleiding van enquêteverzoeken op basis50 van de nationale regelingen van de vorenbedoelde staten kunnen dan ook niet exart. 8, aanhef en onderdeel 1, EEX-Vo II (of EVEX-Verdrag II) voor de Ondernemingskamer worden opgeroepen. Dat in de staat van de ankerverweerder zelf wél sprake is van een gerecht in de hier bedoelde zin, maakt zulks niet anders. Zowel in de lidstaat van de ankerverweerder als in de lidstaat van de medeverweer- der(s) moet de (enquête)zaak dus kunnen worden aangebracht bij een gerecht.
Wij zijn thans aangekomen bij de vraag of er sprake is van ‘eenzelfde’ situatie feitelijk en rechtens, te beginnen met de eerstbedoelde situatie.51 Het gaat hier om de situatie waarin een deel van het te enquêteren concern in Nederland is gevestigd en het andere te enquêteren deel zich op het grondgebied van een of meer andere lidstaten bevindt. Te dezen zijn de verweerders (moeder- en dochtermaatschappij(en)) niet verschillend; zij behoren alle tot hetzelfde concern.52 Dit is een aanwijzing voor het bestaan van eenzelfde feitelijke situatie. Indien en voor zover (de aard van) de met betrekking tot de respectieve verweerders naar voren gebrachte bezwaren/verwijten/ argumenten als reden voor het gelasten van een onderzoek (in wezen) hetzelfde zijn, zou dat ook een aanwijzing (kunnen) zijn als hiervoor bedoeld. Niettemin dient men er hierbij op bedacht te zijn dat de in de respectieve enquêteverzoeken opgenomen feiten (geheel of ten dele) kunnen verschillen, nu deze in de regel zullen zijn begaan op het grondgebied van vestiging en ter schraging of invulling dienen van (schending van) de verschillende nationaalrechtelijke (open) (enquête)normen. Als, zoals vaker binnen concerns gebeurt, de groepsmaatschappijen (zich) op (bijkans) dezelfde wijze hebben gehandeld (gedragen) en zij dat handelen (gedrag) onderling hebben afgestemd, een en ander georkestreerd door de moedermaatschappij, dan vormt dat, afhan- kelijk van wat wordt verweten, eveneens een relevante aanwijzing voor eenzelfde feitelijke situatie.53
Is er sprake van zulk een situatie, dan komt de vraag in beeld of er ook sprake is van ‘eenzelfde’ situatie rechtens.54 Daarop moet naar het mij toeschijnt – globaal gezegd –55ontkennend worden geantwoord, aangezien de – binnen de EU in zijn geheel niet geharmoniseerde – enquêteregelingen van de respectieve staten, op basis waarvan de respectieve enquêteverzoeken moeten worden beoordeeld, inhoudelijk (erg) van elkaar verschillen,56 men denke aan de toegangseisen, bij wie een enquête kan worden uitgelokt,57 de reikwijdte van het eventueel te bevelen onderzoek, wie de onderzoekskosten draagt, op grond waarvan een enquête kan worden gelast (de maatstaf),58 de eventuele voorvereisten, de bevoegdheden van onderzoekers en het kunnen treffen van (onmiddellijke) voorzieningen.59 Die verschillen vallen reeds op bij een enkele blik op deze regelingen. Zo telt onze enquêteregeling achttien artikelen, terwijl die van België, Zweden, Estland, Letland, Denemarken, Frankrijk, Italië, Hongarije, IJsland, Portugal, Luxemburg, Roemenië en Griekenland er maar één, twee of drie kennen. Hieruit volgt dat het gevaar voor onverenigbare beslissingen zich niet manifesteert, zodat de aandeelhouder van een Nederlandse moedermaatschappij niet met succes een beroep kan doen op art. 8, aanhef en onderdeel 1, EEX-Vo II.