Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/2.3:2.3 De modellen
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/2.3
2.3 De modellen
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248535:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De politicoloog Lijphart is van grote invloed geweest op het gebruik van de modelbenadering voor het analyseren van het democratisch karakter van verschillende staten. In zijn boek uit 1984, Democracies: Patterns of Majoritarian and Consensus Government in Twenty-one Countries, onderscheidt hij twee verschillende vormen van democratische samenlevingen. Dat doet hij voor een belangrijk deel aan de hand van de wijze waarop besluiten tot stand komen. Enerzijds zijn er landen die een majoritair of meerderheidssysteem kennen, waarin besluiten worden genomen op basis van een gewone meerderheid (50+1). Het klassieke voorbeeld van dit type democratie is het Verenigd Koninkrijk, waardoor het bekend staat als het Westminster-model. Anderzijds zijn er landen die een consensusbenadering hanteren, waarin voor een besluit een zo groot mogelijk draagvlak wordt gezocht. Klassieke voorbeelden van dit type democratie zijn landen als Nederland en Duitsland, waardoor het bekend staat als het Rijnland-model.1
De twee modellen van Lijphart zijn door de bestuurskundige Hendriks aangevuld met twee extra modellen. Hendriks komt tot vier modellen doordat hij democratieën categoriseert aan de hand van een tegenstelling op twee assen. De eerste as kent een verschil tussen democratieën met aggregatieve besluitvorming en democratieën met integratieve besluitvorming en komt in principe neer op het onderscheid van Lijphart tussen majoritaire en consensuele besluitvorming. De tweede as kent een tegenstelling tussen directe en indirecte besluitvorming, wat ziet op degene die besluiten neemt. In het eerste geval worden beslissingen door burgers zelf genomen, waarbij natuurlijk gedacht kan worden aan referenda. In het tweede geval worden er vertegenwoordigers aangewezen om besluiten te nemen.2 Aan de hand van de tegenstelling op de assen aggregatief-integratief en direct-indirect komt Hendriks zoals gezegd tot vier democratiemodellen die hierna worden toegelicht, namelijk:
De penduledemocratie (aggregatief en indirect).
De consensusdemocratie (integratief en indirect).
De kiezersdemocratie (aggregatief en direct).
De participatiedemocratie (integratief en direct).
2.3.1 De penduledemocratie2.3.2 De consensusdemocratie2.3.3 De kiezersdemocratie2.3.4 De participatiedemocratie