Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt
Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.3.2.1:4.3.2.1 Ghent Coal-arrest
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.3.2.1
4.3.2.1 Ghent Coal-arrest
Documentgegevens:
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS304306:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 15 januari 1998, zaak C-37/95, (Ghent Coal), V-N 1998/29.14.
Cursivering SB.
Zoals ik hiervoor in hoofdstuk 3 heb beschreven zal de vraag naar de gevolgen voor de aftrek bij niet-gebruik niet bij alle goederen en diensten aan de orde kunnen komen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na het INZO-arrest was de beslissing van het Hof van Justitie EU in het Ghent Coal-arrest1 niet verrassend. Er was wel een belangrijk verschil tussen beide gevallen. Bij INZO leidde de aanschaf van goederen en diensten tot belastingplicht (conform het Rompelman-arrest). Vervolgens was de vraag of het uitblijven van belaste output met terugwerkende kracht de belastingplicht kon ontnemen (en daarmee zou moeten leiden tot herziening van de oorspronkelijk genoten aftrek). Het hof besliste in het INZO-arrest dat, behoudens in uitzonderlijke gevallen, de hoedanigheid van belastingplichtige niet met terugwerkende kracht kon worden ontnomen en dat de aftrek in stand bleef. Bij Ghent Coal stond de belastingplicht niet ter discussie. De vraag was of het uitblijven van belaste output tot herziening van de aftrek moet leiden.
Ghent Coal was een bestaande ondernemer die een stuk grond kocht en met betrekking tot deze grond investeringen deed. De op de investeringen drukkende btw bracht Ghent Coal onmiddellijk in aftrek. Enkele jaren later bleek dat Ghent Coal de grond, waarvoor zij de investeringen had gedaan, niet voor belaste handelingen zou gebruiken. De Belgische Belastingdienst vorderde terugbetaling van de in aftrek gebrachte btw. Het Hof van Justitie EU meent echter dat, behoudens gevallen van fraude en misbruik, de aftrek in stand blijft, en overweegt het volgende:
18. (....) blijkt uit het arrest Lennartz (...), dat het gebruik dat van de goederen en de diensten wordt gemaakt, enkel bepalend is voor de omvang2 van de oorspronkelijke aftrek waarop de belastingplichtige recht heeft krachtens artikel 17, en voor de omvang van eventuele herzieningen tijdens de daaropvolgende periodes.
19. In het arrest van 29 februari 1996, INZO (C-110/94, Jurispr. blz. I-857), betreffende de situatie van een onderneming die nooit enige belastbare handelingen heeft verricht, heeft het Hof in de punten 20 en 21 overwogen, dat het recht op aftrek, wanneer het eenmaal is ontstaan, verworven blijft, ook indien de beoogde economische activiteit niet tot belaste handelingen heeft geleid.
20. Op dezelfde wijze blijft het recht op aftrek verworven, wanneer de belastingplichtige de goederen of diensten die tot de aftrek hebben geleid, wegens omstandigheden buiten zijn wil niet heeft kunnen gebruiken in het kader van belastbare handelingen.
21. Uit het arrest INZO (punt 24) volgt eveneens, dat de belastingadministratie in geval van fraude of misbruik, wanneer de betrokkene heeft voorgewend een bepaalde economische activiteit te willen verrichten, doch in werkelijkheid goederen ten aanzien waarvan aftrek mogelijk is, in zijn privévermogen heeft pogen op te nemen, met terugwerkende kracht terugbetaling van de afgetrokken bedragen kan vorderen, omdat deze aftrek op basis van valse verklaringen is verleend.
22. Wanneer daarentegen omstandigheden buiten de wil van de belastingplichtige hem hebben belet, de goederen of diensten die tot de aftrek hebben geleid, voor zijn belastbare handelingen te gebruiken, bestaat er geen enkel gevaar van fraude of misbruik dat een latere terugbetaling kan rechtvaardigen.
Het arrest geeft mij nog aanleiding tot twee opmerkingen. Op de eerste plaats valt op dat in de procedure door de Belgische rechter niet expliciet de vraag aan de orde was wat de betekenis was van het feit dat Ghent Coal, toen vast kwam te staan dat zij deze grond niet voor de beoogde activiteiten zou kunnen gebruiken, de grond vrijgesteld leverde. Toch wijdt het Hof van Justitie EU hier aandacht aan:
23. Ten slotte zij opgemerkt, dat in voorkomend geval de levering van investeringsgoederen gedurende de herzieningsperiode, zoals in de zaak in het hoofdgeding, aanleiding kan zijn voor een herziening van de aftrek onder de voorwaarden van artikel 20, lid 3, van de richtlijn.
Dit lijkt dus al een voorbehoud op het gestelde in ro. 22: wanneer de goederen en diensten niet gebruikt kunnen worden voor belaste prestaties door omstandigheden buiten de wil van de belastingplichtige is dat in beginsel geen reden om op de oorspronkelijke aftrek terug te komen (met uitzondering van gevallen van fraude en misbruik), tenzij aanleiding is voor een herziening als bedoeld in art. 20, lid 3, Zesde richtlijn.
Op de tweede plaats zegt het Ghent Coal-arrest, anders dan het Rompelman- en INZO-arrest niets over de aanvang van de belastingplicht. Zoals gezegd was Ghent Coal immers al belastingplichtige toen zij de grond aanschafte en daarin investeerde. Uiteindelijk gaat het dus om de vraag of het aftrekrecht in stand blijft van een belastingplichtige, die de voorbelasting op de aanschaf van goederen en diensten in aftrek brengt en vervolgens deze goederen en diensten wegens omstandigheden buiten zijn wil niet gebruikt voor belastbare handelingen. Deze vraag beantwoordt het hof bevestigend. Dat heeft verdergaande gevolgen dan enkel voor de in het Ghent Coal-arrest aan de orde zijnde situatie. Er zijn immers veel meer gevallen denkbaar waarin een bestaande belastingplichtige aangeschafte goederen en diensten door omstandigheden buiten zijn wil niet kan gebruiken voor belastbare handelingen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een voor de verhuur bestemde gekochte of gebouwde onroerende zaak waarvoor geen huurder wordt gevonden, bij een ingekochte collectie modeartikelen die onverkoopbaar blijkt te zijn, of bij diefstal, verlies en vernietiging.3 Dat in dergelijk gevallen het Hof van Justitie EU herziening van de aftrek niet uitsluit blijkt niet alleen uit de hiervoor aangehaalde ro. 23 uit het Ghent Coal-arrest maar ook nog uit een aantal latere arresten.