Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/3.4.3.1:3.4.3.1 Reductionistisch perspectief
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/3.4.3.1
3.4.3.1 Reductionistisch perspectief
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stanford Encyclopedia of philosophy, Epistemological Problems of Testimony, te raadplegen op plato.stanford.edu.
Lackley 2006, p. 5.
Pritchard 2004, p. 101. Default betekent letterlijk afwezigheid of standaardwaarde (bij computers).
Thagard 2005, p. 312.
Lackley 2006, p. 5.
Zij het dat het andere bewijs ook mag bestaan uit andere verklaringen, terwijl dit bij een zuiver reductionistisch perspectief niet het geval is.
En de verklaring moet zijn te herleiden tot de eigen waarneming (art. 342 lid 2 Sv).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de epistemologie is op dit punt een tweetal s te onderscheiden. Nonreductionisten zijn van oordeel dat verklaringen een zelfstandige bron van kennis zijn en geven diverse soorten a priori redenen voor het accepteren van verklaringen.1 In de non-reductionistische visie op verklaringen geldt dat we geen redenen hoeven te hebben om de verklaring te geloven, alleen een afwezigheid van redenen om het níét te geloven.2 Het a priori aannemen van een bewering als ‘waar’ zonder indicatie van het tegendeel, uitsluitend op basis van het feit dat een ander die bewering doet, wordt in de kentheoretische literatuur ook wel het default model genoemd.3 Als argumenten voor het hanteren van een non-reductionistisch perspectief worden onder meer genoemd dat mensen van nature zijn geneigd om de waarheid te spreken en dat als verklaringen niet waarheidsgetrouw zouden zijn, men er geen gebruik van zou maken. Vanuit dit perspectief mag een bewering als waar worden aangenomen, als de toehoorder geen reden heeft om aan de oprechtheid van de bron of waarheidsgetrouwheid van de bewering te twijfelen.4 Reductionisten daarentegen gaan ervan uit dat er meer voor nodig is om een bewering als waar aan te nemen louter dan op basis van afwezigheid van indicatoren die op het tegendeel wijzen. Zij menen dat er voldoende ve redenen moeten zijn om een bewering als zodanig te accepteren, redenen die niet primair zijn gegrond in de verklaringen van anderen. Deze ve redenen moeten zijn gebaseerd op andere bronnen en met behulp van inductieve redeneerstappen tot stand worden gebracht, bijvoorbeeld door in geval van een geconstateerde overeenkomstigheid tussen feiten en beweringen met de hulp van het geheugen en de rede inductief af te leiden dat bepaalde sprekers of beweringen betrouwbare bronnen van informatie zijn.5
De vraag of het geloof in een verklaring uitsluitend kan worden gegrondvest op die verklaring zelf (non-reductionisme) of dat er altijd externe – niet op verklaringen berustende – bronnen nodig zijn om die verklaring aan te kunnen toetsen (reductionisme), lijkt relevant voor de juridische strafrechtelijke praktijk. Het gekozen perspectief – reductionistisch of non-reductionistisch – zou van betekenis kunnen zijn voor de vraag hoe we bijvoorbeeld tegen de op getuigen betrekking hebbende bewijsminima aankijken. Mag bijvoorbeeld een getuige worden geloofd (en diens verklaring voor het bewijs worden gebezigd) als er geen reden blijkt te zijn om aan zijn oprechtheid en de waarheidsgetrouwheid van zijn verklaringen te twijfelen, ook als (wezenlijke) inhoudelijke bevestiging in andere bronnen ontbreekt? Aan juridische procedures ligt in beginsel een reductionistisch uitgangspunt ten grondslag in de zin dat er geen a priori acceptatie is van de juistheid van verklaringen. Verklaringen zullen in de strafrechtelijke context altijd (moeten) worden getoetst op hun kwaliteit. Vooruitlopend op het tweede deel kan worden gesteld dat het reductionistische uitgangspunt in het Nederlandse Wetboek van Strafvordering te herkennen is, aan de unus testis, nullus testis-regel. Uit deze regel volgt dat er altijd ander bewijsmateriaal6 nodig is om tot een bewezenverklaring te komen.7 Echter, een wezenlijke inhoudelijke bevestiging van de getuigenverklaring wordt in de jurisprudentie niet vereist. In feite ligt de lat zoals in het tiende hoofdstuk duidelijk zal worden, zo laag dat men zich kan afvragen of de procedure werkelijk als reductionistisch kan worden aangemerkt.