Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/4.6
4.6 Commentaar vanuit de praktijk op de wijziging van de maatregel door de Wet Boeten
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258856:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Naast de in paragraaf 4.6 aangehaalde bronnen uit de praktijk wijs ik nog aanvullend op Hazewindus, NJB 1994/634, p. 440; Pennings, in: Het actuele recht 2 1995, p. 175-178; Kooijman, SMA 1995, p. 493; Kooijman Rechtshulp 1996/11.
Kieviet, Arbeidsrecht 1996/73.
Van Ogtrop, SociaalRecht 1995/6.
Riphagen geeft geen voorbeelden van uitspraken waarin de CRvB de bedoeling van de wetgever uitdrukkelijk naast zich neergelegd had.
Riphagen, AA 49 (2000) 12; CRvB 5 april 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8750, RSV 2000/151.
Riphagen, AA 49 (2000) 12.
Ulrici, ArbeidsRecht 1996/30.
Hazewindus, NJB 1996/29. Zie ook: Lenos & Hazewindus, NJB 1994/22, p. 751-753.
De praktijk heeft commentaar geleverd op het kabinet ten aanzien van het verscherpte sanctiebeleid en het (grotendeels) uitsluiten van het evenredigheidsbeginsel.1 Zo vroeg Kieviet zich af of de wet er alleen maar was gekomen om advocaten dwars te zitten in de civiele procedures over beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Hij beantwoordde die vraag ontkennend, maar vond wel dat de wetswijzigingen extra werk met zich meebracht. Voorop stond dat het kabinet de rechtshandhaving serieus nam door verzwaring van de sancties. Sterker dan voorheen het geval was, verwachtte het kabinet dat de werknemers zich tot het uiterste inspannen om te voorkomen dat ze op een uitkering aangewezen raken. Uitbetaling zou slechts volgen wanneer de werknemer buiten iedere schuld van zijn kant door werkloosheid op vervangend inkomen aangewezen raakt. Door een sanctieplicht te introduceren voor de bedrijfsverenigingen werd ook geprobeerd meer uniformiteit te bereiken in de op te leggen sancties. Kieviet vond dat kritiek (vanuit de advocatuur) dat nu tot het uiterste moest worden gegaan om een beroep op een uitkering te voorkomen of zo lang mogelijk uit te stellen (en dat extra werk en inspanning met zich meebracht), contraproductief werkte. Het kabinet zou dan immers gelijk hebben dat die inspanning kennelijk nodig was en in het verleden niet tot het uiterste werd gegaan om dat beroep te voorkomen of uit te stellen.2
Van Ogtrop was kritisch over de redenering van het kabinet dat reeds getoetst was aan het evenredigheidsbeginsel, zodat in beginsel alle verwijtbare gedragingen tot een blijvend gehele weigering van de WW-uitkering moest leiden. Hij vond dat er onvoldoende reden was om het evenredigheidsbeginsel uit te sluiten. Hij benadrukte daarbij de belangrijke rol van de CRvB bij de evenredigheidstoets. De CRvB tikte de uitvoeringsorganen regelmatig op de vingers bij het opleggen van een blijvend gehele weigering, omdat de gedragingen zeer zeker niet zo ernstig waren dat het evenredig was een dergelijke maatregel op te leggen. Hij vond het opmerkelijk dat het evenredigheidsbeginsel eenvoudigweg door het kabinet (vrijwel) geëlimineerd werd ten aanzien van een veel toegepaste regel uit de WW. Dit in verband met het feit dat een belangrijk deel van de waarborgen van artikel 6 EVRM in het Nederlandse (bestuurs)recht geïncorporeerd waren. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur hadden een zeer grote betekenis voor de Nederlandse rechtspraktijk. Er leek volgens hem een tendens te zijn in de richting van minder evenredigheid.3
Riphagen vroeg zich af of door de wijzigingen in de Wet Boeten de evenredigheid nu exit was bij verwijtbare werkloosheid. Voorheen was er volgens hem een systeem waarin als het ware de afstemming van de sanctie op de mate van het verwijt was ingebouwd. Dat systeem werd nog versterkt doordat de CRvB de sanctietoepassing in concreto en in feite ook het sanctiebeleid (zeer) kritisch toetste. Met de Wet Boeten werd het systeem omgezet in een systeem waarin – in feite – een in de wet opgenomen verplichte sanctie moest worden opgelegd bij verwijtbaar werkloos worden. De CRvB kon volgens Riphagen niet anders dan met de bedoeling van de wetgever meegaan. In het verleden had de CRvB volgens Riphagen wel eens de bedoeling van de wetgever uitdrukkelijk naast zich neergelegd,4 maar het ging toen om situaties waarin de CRvB aan de op zich zeer duidelijke wettekst voorrang gaf boven de – niet in die tekst terug te lezen – intenties van de wetgever. Bij het uitsluiten van het evenredigheidsbeginsel bij verwijtbare werkloosheid spoorde de intentie en de bedoeling van de wetgever met elkaar. Het kabinet wenste niet in te gaan op suggesties om een evenredigheidstoetsing open te laten. Het wel toelaten van een evenredigheidstoetsing door de CRvB zou op gespannen voet komen te staan met het systeem dat was ingevoerd met de Wet Boeten. Het kabinet had met de keuze van de verplichte maatregel in beide vormen immers beoogd een volledige afweging te maken met betrekking tot de evenredigheid van de maatregel. Uit een uitspraak5 van de CRvB bleek wel dat van uitvoeringsorganen mocht worden verwacht dat, indien zij besloten tot de maatregel van het blijvend geheel weigeren van de uitkering en er sprake was van enige verzachtende omstandigheden, gemotiveerd aangeven moest worden waarom niet was gekozen voor de mitigeringsmogelijkheid die artikel 27 lid 1 biedt.6
Ulrici signaleerde dat uit de Kamerstukken een fors aantal problemen met betrekking tot het wetsvoorstel naar voren komt. Zij vond het een probleem dat het de bedrijfsvereniging niet meer open stond om een belangenafweging te maken bij de maatregel. Door het achterblijven van een toets aan het evenredigheidsbeginsel kon een relatief lichte overtreding een langdurig en onevenredig zwaar gevolg hebben.7
Hazewindus vond dat met de Wet Boeten een ingewikkeld stelsel van maatregelen tot stand was gekomen. Hij vond ook dat het verschil in procedure die tot een boete of een maatregel leidde niet gerechtvaardigd was, omdat de maatregel volgens hem ook aan de vereisten van een ‘criminal charge’ voldoet.8
Het verdwijnen van het evenredigheidsbeginsel bij het opleggen van een maatregel ging dus niet zonder de nodige protesten en zorgen uit de praktijk.