Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/5.4.2
5.4.2 Prijsbepalingsregelingen en kwaliteitseisen
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706251:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/392. Bijvoorbeeld kan worden geregeld dat aandeelhouders slechts kunnen zijn persoon A, of een van zijn afstammelingen in rechte lijn, of dat slechts overheidslichamen of personen die bevoegd zijn een bepaald beroep uit te oefenen aandeelhouder kunnen zijn.
Vgl. HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:972, r.o. 3.5.4 (Bethanie/Rabobank). In gelijke zin Van Kampen 2019, p. 319.
Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 775.
In gelijke zin Perrick 2020/12.7.2. Damkot & Neuteboom 2010, p. 129 en Prinsen in JOR 2006/93, nr. 7 menen dat na verpanding de pandgever het recht op taxatie door onafhankelijk deskundigen niet meer toekomt. Mijns inziens is dat onjuist, omdat de pandhouder deze bevoegdheid niet in plaats van de pandgever verkrijgt. In gelijke zin Maclaine Pont & Zwaan 2013, §5.2.
Zie ook §5.4.1 voor de achtergrond waarom statutaire regelingen wel expliciet in de wet zijn geregeld.
In gelijke zin Ten Hove 2007, p. 224. Zie ook §2.5.1-2.5.2 en §5.4.1.
Vgl. (vorderingen) HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682, r.o. 3.4.2 (Coface/Intergamma); HR van 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:984 (Rabobank/Ten Berge q.q.).
194. Behalve blokkeringsregelingen kunnen ook prijsbepalingsregelingen en statutaire kwaliteitseisen aan een aandeelhouder invloed hebben op de overdracht van de aandelen.1 In de literatuur wordt wel gesproken van ‘beperkingen van de overdraagbaarheid in ruime zin’.2 De wet kent bijvoorbeeld een prijsbepalingsregeling in artikel 2:87 lid 3/195 lid 1 BW. Op grond daarvan kan een aandeelhouder bij de aanbieding van zijn aandelen van zijn medeaandeelhouders verlangen dat zij een koopprijs betalen die gelijk is aan de waarde van de aangeboden aandelen, zoals vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen. Als een medeaandeelhouder de aandelen niet tegen een contante betaling kan kopen, dan vervalt de verplichting na afloop van drie maanden na de vaststelling daarvan. In de statuten kan een hiervan afwijkende regeling worden getroffen (art. 2:87 lid 3/195 lid 4 BW). Aan de kwaliteit van de aandeelhouders stelt de wet geen eisen, maar de wet biedt wel ruimte voor een statutaire bepaling op dit punt (art. 2:87b/192 lid 1 onderdeel b BW).3 Het is de vraag welk effect deze regelingen hebben op de uitwinning van aandelen.
195. Ik meen dat de pandhouder bij executie kan worden gehouden aan een prijsbepalingsregeling.4 Wat betreft statutaire prijsbepalingsregelingen volgt dit mijns inziens uit de wet. Artikel 2:89 lid 5/198 lid 6 BW bepaalt dat een pandhouder ‘alle ten aanzien van vervreemding en overdracht aan de aandeelhouder toekomende rechten’ mag uitoefenen en is gehouden ‘diens verplichtingen ter zake’ na te komen.5 Mijns inziens zijn de verplichtingen rondom de vaststelling van de verkoopprijs verplichtingen in de zin van artikel 2:89 lid 5/198 lid 6 BW. Voor zover de aandeelhouder rechten aan de prijsbepalingsregeling kan ontlenen, zijn dit rechten die de pandhouder mag uitoefenen op grond van artikel 2:89 lid 5/198 lid 6 BW.6 Het past bij het stelsel van het burgerlijke recht om aan te nemen dat hetzelfde geldt voor de wettelijke prijsbepalingsregelingen.7 Zij vormen mijns inziens tezamen met de wettelijke aanbiedingsregeling als geheel de wettelijke blokkeringsregeling. Wanneer een blokkeringsregeling als geheel de overdraagbaarheid van het aandeel beperkt, volgt de tegenwerpbaarheid van de prijsbepalingsregeling ook uit de systematiek van het goederenrecht.8 De prijsbepalingsregeling vormt dan immers mede de inhoud van het aandeel. Levering van zulke aandelen in strijd met zo’n regeling resulteert zo in een ongeldige overdracht.9
Kwaliteitseisen staan niet altijd in de weg aan een geldige overdracht door de pandhouder. Of dit zo is, hangt mijns inziens af van of de betreffende statutaire regeling de overdraagbaarheid van het aandeel beoogt te beperken, of dat de statuten er slechts verbintenisrechtelijke of vennootschapsrechtelijke gevolgen aan verbinden. Is de regeling zo vormgegeven dat alle zeggenschaps- en financiële rechten zijn opgeschort wanneer een aandeelhouder niet (meer) aan de voorgeschreven kwaliteit voldoet, en/of zelfs verplicht is om zijn aandelen over te dragen, dan volgt daaruit mijns inziens niet dat daarmee ook goederenrechtelijke werking is beoogd. Daarvoor is naar mijn mening een formulering nodig waaruit dat naar objectieve maatstaven blijkt.10 Wel werken de eventuele kwaliteitseisen na de aandelenoverdracht tegenover de executiekoper. Het gevolg daarvan is dat het voor de pandhouder lastig zal zijn om zulke aandelen aan personen te verkopen die niet de voorgeschreven kwaliteit hebben. Hun vooruitzicht is immers weinig rooskleurig. Zo bezien belemmeren kwaliteitseisen, zelfs als deze geen goederenrechtelijke werking hebben, de uitwinning van de aandelen. Wanneer door de werking van kwaliteitseisen de overdracht onmogelijk of uiterst bezwaarlijk is, kan de pandhouder mijns inziens een beroep doen op artikel 2:87a/192a lid 2 BW en verlangen dat de vennootschap gegadigden aanwijst aan wie de aandelen kunnen worden overgedragen (art. 2:89 lid 5/198 lid 6 BW).11 Indien de vennootschap niet binnen drie maanden na het verzoek gegadigden heeft aangewezen, kunnen de aandelen binnen zes maanden na het verstrijken van deze termijn vrij worden overgedragen aan een ander.