Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/5.4.1
5.4.1 Algemeen
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706300:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:972, r.o. 3.5.6 (Bethanie/Rabobank). In gelijke zin Steneker 2022/2.19; Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/40; Perrick 2020/4.5.5.6 en 12.7.2; Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/431. Vgl. Perrick 2018, p. 691; Burgers 2017, p. 101; Dortmond 2013/184. Anders Van Daal 2012, §4.1 die in de wetsgeschiedenis juist een bewuste keuze voor het tegendeel leest.
Zie Kamerstukken II 1973/74, 12 897, nr. 3, p. 6 (MvT), waarover §5.2.
Zie Kamerstukken II 1973/74, 12 897, nr. 3, p. 4 (MvT); Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 775 (MvA II).
Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 775 (MvA II). Vgl. Parl. Gesch. BW Inv. Boek 2, p. 1012. Zie ook HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:972, r.o. 3.5.4 (Bethanie/Rabobank).
Zie Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 775 (MvA II), waar het nemo-plusbeginsel wordt toegepast.
In gelijke zin Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/34; Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/380 en 404. Zie hierover nader Oosterink 2013. Of een statutaire regeling de overdraagbaarheid van het aandeel beperkt of slechts een verbintenisrechtelijke beperking inhoudt, is mijns inziens een kwestie van uitleg. Zie nader Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/404 onderdeel g. Zie ook Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 16 (MvT) waar de minister uitgaat van de mogelijkheid van een verbintenisrechtelijke werkende regeling.
In gelijke zin Ten Hove 2007, p. 223-224; Van Deutekom 1940, p. 240. Vgl. Van Daal 2012, §4.1.
‘nemo plus iuris ad alium transferre potest quam ipse habet’, zie Lokin/Brandsma 2016/46. Zie Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 775 (MvA II), waarin dit beginsel op de executie van geblokkeerde aandelen wordt toegepast.
HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:972, r.o. 3.5.8 (Bethanie/Rabobank). Vgl. Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020/198a.
HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:972, r.o. 3.5.8 (Bethanie/Rabobank).
Zie voor een overzicht de conclusie van A-G Rank-Berenschot bij HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:972 (Bethanie/Rabobank).
HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:972 (Bethanie/Rabobank).
Zie Hutten 2018.
Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/431 bij e. Zie bijv. Rb. Amsterdam 19 juni 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:4238, r.o. 2.27 (Solutus).
Zie Didden 2012, p. 258. Een afschrift van het goedkeuringsbesluit kan aan de akte van verpanding worden gehecht. Veerbeek 2003, p. 32 lijkt ervan uit te gaan dat goedkeuring vooraf niet kan.
191. Aandelen kunnen niet steeds vrij aan een ander worden overgedragen. In belangrijke gevallen beperken de wet of de statuten de overdracht van de aandelen. Zo moeten bv-aandelen op grond van de wet in beginsel eerst worden aangeboden aan medeaandeelhouders als die er zijn (art. 2:195 lid 1 BW). Deze regeling kan echter opzij worden gezet door de statuten. Die kunnen bepalen dat de aandelen vrij overdraagbaar zijn, of dat de overdracht aan andere beperkingen is onderworpen (art. 2:195 lid 4 BW). Voorbeelden van andere overdrachtsbeperkingen zijn een goedkeuringsregeling en een lock-upregeling. Bij de eerste is voor een geslaagde overdracht de goedkeuring nodig van een bepaald vennootschapsorgaan, zoals de algemene vergadering. Bij de laatste is er sprake van een periode waarin de aandelen niet kunnen worden overgedragen.1 Aandelen in een nv zijn in beginsel vrij overdraagbaar. Maar de statuten kunnen een regeling bevatten die de overdracht beperkt, bijvoorbeeld een aanbiedingsregeling (art. 2:87 lid 1 BW).
De wet bepaalt dat de pandhouder bij de uitwinning van de aandelen de statutaire regels moet naleven die gaan over de vervreemding en de overdracht (art. 2:89 lid 5/198 lid 6 BW). De pandhouder mag daarbij alle ten aanzien van de vervreemding en overdracht aan de pandgever toekomende rechten uitoefenen en is gehouden zijn verplichtingen na te komen. Hetzelfde geldt mijns inziens voor de wettelijke aanbiedingsregeling uit artikel 2:195 lid 1 BW, hoewel de wet dat niet met zoveel woorden bepaalt.2 De wetgever heeft dit voor statutaire regelingen expliciet willen bepalen, omdat aan het bestaan van die verplichting in de literatuur werd getwijfeld. Zo is wel geschreven dat de wettelijke executiebevoegdheid van een pandhouder zou voorgaan op de statuten van een vennootschap.3 De door de wetgever ingevoerde regel dat de pandhouder (ook) een statutaire regeling moet respecteren, waarborgt de vennootschappelijke beslotenheid.4 De regel voorkomt dat door de uitwinning van aandelen de overige aandeelhouders een nieuwe medeaandeelhouder krijgen opgedrongen.5 Deze achtergrond verklaart mijns inziens waarom de expliciete regel ontbreekt dat de pandhouder een wettelijke blokkeringsregeling tegen zich moet laten werken. Van de toepasselijkheid ervan op pandexecutie lijkt de wetgever impliciet te zijn uitgegaan.6 Dat lijkt mij terecht, omdat als zo’n wettelijke regeling de overdraagbaarheid van een aandeel beperkt, de tegenwerpbaarheid al volgt uit het wettelijke stelsel. In de literatuur wordt terecht geschreven dat een wettelijke blokkeringsregeling goederenrechtelijke werking heeft – net als bij een statutaire doorgaans het geval is.7 Zo’n blokkeringsregeling werkt in op het aandeel zelf. Het beperkt de vatbaarheid ervan voor overdracht.8 Mijns inziens volgt ook daaruit dat een pandhouder bij de executie een blokkeringsregeling moet naleven, ongeacht of deze statutair dan wel wettelijk is.9 Dit houdt mede verband met het goederenrechtelijke beginsel dat niemand meer rechten kan verschaffen dan hij zelf heeft – het zogenoemde nemo-plusbeginsel.10 Wanneer een pandgever een beperkt overdraagbaar aandeel heeft, kan hij de pandhouder geen pandrecht verschaffen op een vrij-overdraagbaar aandeel.
192. Uit het voorgaande blijkt dat verpande geblokkeerde aandelen zich doorgaans niet lenen voor uitwinning bij wijze van openbare verkoop.11 De specifieke voorschriften maken de verkoop en vrije overdracht immers lastig. Wanneer bijvoorbeeld een aanbiedingsregeling toepasselijk is, moet de pandhouder de aandelen eerst te koop aanbieden aan eventuele medeaandeelhouders.12 Komt er vervolgens conform een blokkeringsregeling een koopovereenkomst tot stand, dan is daarmee nog geen sprake van executie. Voor het executoriale karakter daarvan is dan nog steeds de toestemming nodig van de rechter of de pandgever (art. 3:251 BW).13 Er is dan immers sprake van een van openbare verkoop afwijkende wijze van executie.
In de literatuur heeft een lange tijd discussie bestaan over de kwestie of de regel uit Boek 2 BW dat de pandhouder bij de uitwinning van de aandelen een blokkeringsregeling moet naleven een regel is die in de plaats komt van de pandexecutieregeling uit Boek 3 BW.14 In 2018 kwam de Hoge Raad tot het oordeel dat ook als aandelen het pandobject zijn, artikel 3:250 en 3:251 BW toepassing vinden.15 De regels van Boek 2 en Boek 3 BW vullen elkaar op dit punt aan.16 Een blokkeringsregeling, zowel de wettelijke als een statutaire, is geen regeling die in de plaats treedt van de pandexecutieregeling uit Boek 3 BW. Beide regeling beogen andere belangen te waarborgen. De gelijktijdige toepasselijkheid van beide regelingen zorgt ervoor dat bij executie zowel het belang van de vennootschap bij beslotenheid, als de belangen van de pandgever en overige crediteuren bij een zo hoog mogelijke opbrengst worden gewaarborgd.
193. Als de pandhouder en de pandgever beogen dat de pandhouder bij executie niet is gebonden aan een blokkeringsregeling, dan moet in de statuten worden bepaald dat de blokkeringsregeling niet van toepassing is op pandexecutie. Dit wordt ook wel een permitted-transferregeling genoemd.17 In het geval dat de blokkeringsregeling een goedkeuringsregeling inhoudt, zou het aangewezen orgaan mijns inziens bij voorbaat goedkeuring kunnen verlenen voor een eventuele executoriale verkoop.18 Een permitted-transferregeling kan dan achterwege blijven. In beide gevallen is de executiekoper van de aandelen later wel gebonden aan de regeling, wat een prijsdrukkend effect kan hebben. Beoogt de pandhouder dat te voorkomen, dan zal hij moeten eisen dat de blokkeringsregeling uit de statuten verdwijnt.