Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/5.4.3
5.4.3 Ontheffing
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706207:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin Perrick 2020/4.5.5.6 en 12.7.3. Vgl. Becker 2019, p. 51; Van Daal 2015, p. 292, Wolf in JIN 2015/86; Quist 2014 p. 850; Wolf in JIN 2013/201.
Zie bijv. Rb. Noord-Holland 17 december 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:11451 (Intraco) waarin een dag voor de mondelinge behandeling van de procedure één aandeel is uitgegeven met het oog op het vertragen van de executieverkoop van de aandelen. Zie ook Damkot & Neuteboom 2010, p. 132-133.
Vgl. Steneker 2022/2.19; mijn betoog in JOR 2019/183.
Zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 52 (MvT) en Rapport van de Nederlands/Nederlands-Antilliaanse Werkgroep concordantie rechtspersonenrecht (maart 2007), p. 13-14.
Vgl. art. 2:111 en 211 lid 1 BW Curaçao.
Zie MvT, Staten van de Nederlandse Antillen 1998/99, Landsverordening inzake de Besloten Vennootschap, nr. 3, p. 13. Vgl. Perrick, Ondernemingsrecht 2017/32.
Dit zou bovendien kunnen verklaren waarom in de oude Antilliaanse variant de pandhouder als een van de personen die gerechtigd is tot het verzoeken van terzijdestelling niet voorkomt. Een onoverdraagbaar aandeel, is in beginsel onverpandbaar (art. 3:228 BW). In de huidige versie van art. 2:111 en 211 lid 1 BW Curaçao komt de pandhouder wel voor.
Ik betoogde dit ook in JOR 2019/183.
Vgl. Perrick Ondernemingsrecht 2017/32, p. 191 en 194.
In gelijke zin Steneker 2022/2.19; Perrick 2020/4.5.5.6.
Vgl. Van Daal 2012, §3.5.
Zoals bijv. wordt overwogen in Rb. Amsterdam 13 november 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7725 (Matrix). Vgl. (verzoek door curator) Gerechtshof Amsterdam 18 februari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:514, r.o. 3.14 (STAK Castle Invest c.s./Schreurs q.q. c.s.). Kritisch daarover is Garcia Nelen in JOR 2020/113 nr. 13.
196. De wet voorziet in een procedure op grond waarvan de wettelijke aanbiedings- en prijsbepalingsregeling, en de statutaire bepalingen ten aanzien van de overdraagbaarheid van bv-aandelen geheel of gedeeltelijk buiten toepassing kunnen worden verklaard. Sinds de flexibilisering van de bv-wetgeving in 2012 kan de pandhouder ontheffing verzoeken. Eenzelfde verzoek is mogelijk door de beslagexecutant, de curator, de bewindvoerder, en de belanghebbende bij de afgifte van een legaat of de toedeling uit een gemeenschap. De toets die de rechter bij zo’n verzoek moet hanteren, is of de belangen van de verzoeker de tijdelijke buitentoepassingverklaring bepaaldelijk vorderen en de belangen van anderen daardoor niet onevenredig worden geschaad (art. 2:195 lid 7 BW). Zo’n verzoek kan mijns inziens slechts in uitzonderingsgevallen worden toegewezen.1 Voorbeelden daarvan zouden kunnen zijn: de disproportioneel hoge kosten van het naleven van de regeling in het licht van de geringe waarde van de aandelen, chicaneus gedrag van de betrokkenen bij naleving van de regeling,2 feitelijke onduidelijkheid ten aanzien van de te volgen procedure, en indien door ontheffing dreigende discontinuïteit van de onderneming kan worden voorkomen.3
Dat ontheffing niet snel zou moeten plaatsvinden, blijkt mijns inziens al uit de bewoording van de wet. ‘Bepaaldelijk vorderen’ wijst er taalkundig op dat het moet gaan om situaties waarin de ontheffing stellig en zeer duidelijk geboden is. Deze lezing sluit aan bij de achtergrond van de wetsbepaling. Uit de beknopte toelichting in de parlementaire geschiedenis blijkt dat artikel 2:195 lid 7 BW is ontleend aan artikel 211 lid 3 (oud) Antilliaans Burgerlijk Wetboek.4 Hierin schuilt een belangrijk argument om in ‘bepaaldelijk’ een strenge eis te lezen die tot grote terughoudendheid noopt. Het Antilliaanse equivalent van artikel 2:195 lid 7 BW was namelijk noodzakelijk omdat naar Antilliaans recht de overdraagbaarheid van aandelen permanent kon worden uitgesloten (art. 2:111 en 221 lid 1 (oud) Antilliaans BW).5 In die context is het nodig om een regeling te treffen die de blokkering tijdelijk opheft. Dit voorkomt dat aandelen als verhaalsobject kunnen worden onttrokken aan crediteuren en dat toedeling bij een verdeling van een nalatenschap onmogelijk wordt.6 Naar Nederlands recht gaat deze redenering echter niet op. Anders dan naar Antilliaans recht, kan naar Nederlands recht de overdraagbaarheid van aandelen niet permanent worden uitgesloten.7 De overdraagbaarheid kan enkel worden beperkt, of voor een bepaalde termijn worden uitgesloten.8 Bepalingen die de overdraagbaarheid onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maken, vinden geen toepassing (art. 2:195 lid 5 BW). Al vanwege deze reden zullen de belangen van een pandhouder mijns inziens niet snel vorderen dat overdrachtbeperkende statutaire bepalingen terzijde worden gesteld.9
Ook bezien vanuit het wettelijk stelsel en de ratio van de bepaling ligt terughoudendheid bij toewijzing voor de hand. Zo werkt een blokkeringsregeling in op de overdraagbaarheid van het aandeel, een kenmerk van het goed (§5.4.1). Toewijzing van het verzoek op grond van artikel 2:195 lid 7 BW leidt ertoe dat de pandhouder een object kan overgedragen dat als zodanig niet bestond in het vermogen van de aandeelhouder.10 Bovendien heeft de pandhouder, anders dan de anderen voor wie een ontheffingsverzoek openstaat, vooraf de gelegenheid gehad om zijn positie aan te passen op de bijzondere kenmerken van het aandeel.11 Daarom valt bij een pandhouder nog meer dan bij anderen niet zomaar in te zien waarom hij bij de executie een blokkeringsregeling niet tegen zich hoeft te laten gelden. Het gebrek aan rechtvaardiging voor ontheffing klemt temeer omdat de wettelijke regeling van pandrecht op aandelen juist beoogt het belang van de vennootschap en de bij haar organisatie betrokken personen voorop te zetten (§5.2). Een ruimere toepassing van artikel 2:195 lid 7 BW ondergraaft dat principe.12
197. Om de hiervoor genoemde reden is het mijns inziens onjuist dat vertraging of bijkomende kosten op zichzelf voldoende aanleiding kunnen zijn voor toewijzing van het verzoek.13 Steeds zal een belangenafweging nodig zijn. Dat blokkeringsregelingen een vertragend en kostenverhogend effect hebben op de uitwinning van aandelen is immers altijd zo. Als je bij deze omstandigheden al toekomt aan de vervolgvraag – of terzijdestelling van de regelingen de belangen van anderen ‘niet onevenredig’ schaadt – dan kan er van een terughoudende toepassing geen sprake meer zijn. Terzijdestelling van de regeling wordt door zo’n opvatting de hoofdregel in plaats van de beoogde uitzondering. Immers, in beginsel heeft elke verzoeker belang bij een zo goedkoop en zo snel mogelijke wijze van verkoop en overdracht. De terughoudendheid komt dan ten onrechte te liggen in de vervolgvraag of de belangen van anderen niet onevenredig worden geschaad.