Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/16.3.1
16.3.1 Doorwerking van de omkering via de grondslagkoppeling
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940433:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De wetgever heeft aangekondigd de boetegrondslag per 2025 te willen wijzigen in de omvang van het ‘belastingnadeel’, dat – afhankelijk van de omstandigheden – gelijk kan zijn aan het bedrag van de heffing. Zie daarover nader paragraaf 9.3.3.3.1 (slot) en paragraaf 9.3.3.3.2 (slot).
Dat laatste geldt uiteraard alleen voor vergrijpboetes. Zie over deze grondslagkoppeling nader paragraaf 9.3.3.3.1. Zie ook paragraaf 9.3.2.1 voor een bijzonder bewijsprobleem dat zich kan voordoen ten aanzien van (het preluderen op) een redelijke schatting in het kader van de omkering.
Behoudens in de gevallen waarin er sprake is van strijd met het nemo tenetur-beginsel, zoals beschreven in paragraaf 16.4 hierna.
Zie in het bijzonder paragraaf 16.5.3.
De omvang van de fiscale bestuurlijke boete is doorgaans het product van enerzijds de boetegrondslag en anderzijds een percentage dat is afgestemd op de ernst van de verweten gedraging. Die boetegrondslag is gelijk aan het bedrag van de heffing (de alsnog verschuldigde belasting),1 voor zover de belastingplichtige met betrekking tot dat bedrag opzettelijk of grofschuldig heeft gehandeld.2 Door deze grondslagkoppeling zou, in gevallen waarin de omvang van de heffing is vastgesteld onder toepassing van de omkering, ook de boete – voor wat betreft de grondslag – worden opgelegd naar een omgekeerde bewijslast.3 Deze doorwerking kan botsen met de waarborgen die op grond van art. 6 EVRM in de sfeer van de beboeting gelden. Het systeem van een omgekeerde bewijslast (het belasten van de belastingplichtige met het bewijs van het tegendeel) staat immers haaks op de onschuldpresumptie en het voordeel van de twijfel dat in boetezaken aan de boeteling toekomt. In het navolgende onderzoek ik daarom de spanningen die ontstaan op dit snijvlak van heffing en beboeting.4