Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.8.4
7.8.4 In beginsel voldoende zeggenschap
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS296752:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Hartlief 2011, p. 1313.
Overigens zal een geval als dit zich veeleer oplossen via de regeling van de WAM jo. art. 6:162 en 185 WVW.
Zie voor een bespreking par. 7.6.5.1.
Conclusie sub 3.16 voor HR 1 april 2011, NJ 2011/405, m.nt. Tjong Tjin Tai (Paard Loretta).
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 6 augustus 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:5865 (Heftruck), waarin een heftruck wegens een gebrek in de beveiliging plotseling ging rijden met ernstig letsel tot gevolg.
Een situatie die onder – het door mij overbodig geachte – lid 2 van art. 6:181 valt.
Een eventuele regresactie van B op A is uiteraard mogelijk.
De doctrine vermeldt ook het voorbeeld van de bezitter die zijn auto ter reparatie naar een garagebedrijf brengt, dat in dat kader een proefrit maakt waarbij de versnellingspook afbreekt met een ongeval en schade bij een derde tot gevolg.1 Alsdan behoort naar mijn idee in beginsel niet de bezitter maar ingevolge art. 6:181 het garagebedrijf als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ van de auto de aansprakelijkheid ex art. 6:173 te dragen. In de eerste plaats betreft het maken van een testrit met de auto een feitelijk handelen waarmee de kans op schade door een (verborgen) gebrek in de zaak wordt verhoogd. Voorts is de bemoeienis met de auto niet vluchtig maar van zekere duur, bevindt de auto zich ‘op het terrein’ van het bedrijf, kan het bedrijf de zeggenschap over de zaak zonder tussenkomst van de bezitter uitoefenen en beschikt het bedrijf daartoe ook over de nodige deskundigheid en vaardigheden. De auto is onderdeel van de bedrijfsvoering geworden c.q. daarin ingebed. Overigens komt een aansprakelijkheid van het garagebedrijf ex art. 6:181 jo. 173 mij ook juist voor als de reparatie niet zag op ‘het pookje’: door het feitelijk handelen met de auto (het laten rijden) wordt het bedrijf geacht het aansprakelijkheidsrisico van schade door (verborgen) gebreken in de auto te hebben aanvaard.2 Daarbij geldt dat (voor een garagebedrijf) het afbreken of losraken van een auto-onderdeel geen absoluut of objectief onbekend gevaar is.
Een voorbeeld biedt ook HR 24 november 2017, RvdW 2017/1278 (Schavemaker/ Planet c.s.). In een bedrijfsverzamelgebouw ontstond brand als gevolg van een (spontane) kortsluiting in de accubekabeling van een vrachtwagen, die daar in de constructiewerkplaats was gestald met het oog op het verhelpen van een storing in het hydraulische systeem. De cassatieprocedure draaide om de vraag of het bedrijf dat de loods had gehuurd waarin de vrachtwagen was gestald, op voet van art. 6:181 jo. 174 aansprakelijk was voor de brandschade door het gestelde gebrek in de opstal (ontbreken van brandwerende voorzieningen, zodat de brand kon overslaan naar naastgelegen bedrijfsunits).3Ik focus nu echter op de vrachtwagen waarin de kortsluiting ontstond. Het was in deze zaak de bezitter zelf, een transportonderneming, die de beoogde reparatie aan de vrachtwagen zou uitvoeren. Stel nu echter dat de reparateur een ander dan de bezitter was geweest, een garagebe drijf waarbij de (verborgen) gebrekkige vrachtwagen was gestald met brandschade bij een derde tot gevolg. Had deze reparateur dan als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ ex art. 6:181 jo. 173 van de vrachtwagen aangemerkt kunnen worden? Ik neig daar wel naar. Ondanks dat van een ‘laten rijden’ geen sprake is, betreft het repareren wel een feitelijk handelen met de vrachtwagen (vgl. het be- en verwerken van zaken of het ‘beleren’ van een paard), waaronder begrepen het onder zich houden hiervan met het oog op de reparatie. De bemoeienis met de zaak is verder niet vluchtig, de vrachtwagen bevindt zich ‘op het terrein’ van het garagebedrijf, terwijl dit bedrijf zonder tussenkomst van de bezitter zeggenschap over de zaak kan uitoefenen en bovendien beschikt over relevante kennis en kunde. De vrachtwagen is onderdeel geworden van de bedrijfsvoering van het garagebedrijf. Dat de voorgenomen reparatie niet zag op de accubekabeling waarin de brand ontstond, doet hieraan niet af. Het met het oog op reparaties binnen het bedrijf stallen van defecte motorrijtuigen betreft een gevaarverhogende bedrijfsactiviteit, die op verschillende wijzen tot schade kan leiden, terwijl kortsluiting in een elektrisch systeem van een te repareren vrachtwagen, hoewel in de gegeven omstandigheden mogelijk niet direct te verwachten of voorzienbaar, (voor een garagebedrijf) geen absoluut of objectief onbekend gevaar is. Het door kortsluiting in brand vliegen van de ter reparatie aangeboden vrachtwagen is in de context van art. 6:181 jo. 173 mijns inziens dan ook als een ‘bedrijfsrisico’ aan te merken. Ondersteunend voor de aansprakelijkheid van het garagebedrijf in dit geval zijn de aspecten opspoorbaarheid en verzekering/schadespreiding.
Hier ligt in mijn ogen dicht tegenaan het door A-G Langemeijer in zijn conclusie voor het Loretta-arrest gegeven voorbeeld van de hijskraan die de eigenaar voor de jaarlijkse onderhoudsbeurt in handen geeft van een gespecialiseerd onderhoudsbedrijf.4 Gedurende de aanwezigheid van de kraan binnen dit bedrijf gaat deze uit zichzelf rijden, waardoor de giek ergens tegenaan komt of een last naar beneden valt, met schade tot gevolg. Wanneer het onverwachts ‘gaan rijden’ van de kraan is terug te voeren op een gebrek van de kraan,5 meen ik dat de aansprakelijkheid van art. 6:173 ingevolge art. 181 op het onderhoudsbedrijf behoort te rusten. De argumentatie daartoe is sterk vergelijkbaar met die in het hiervoor gegeven voorbeeld van de te repareren vrachtwagen waarin kortsluiting ontstaat. Overigens pleitte ook Langemeijer in het door hemzelf gegeven voorbeeld voor het onderhoudsbedrijf, en niet de bezitter van de hijskraan, als kwalitatief aansprakelijke partij, nu het hem aantrekkelijker voorkomt de aansprakelijkheid ‘te concentreren op de plaats waar de risico’s samenkomen’.
Tot slot het voorbeeld van particulier A, bezitter van een elektrische slijptol, die dit apparaat voor een bepaalde klus uitleent aan bedrijf B. Zeer kort na aanvang van de werkzaamheden en inschakeling van de machine door B, ontploft deze met schade bij een derde tot gevolg. Ondanks het (nog maar) zeer kortstondige gebruik dat B van de machine heeft gemaakt, meen ik dat hij ingevolge art. 6:181 is belast met de aansprakelijkheid ex art. 6:173. Door zijn feitelijk handelen met de zaak kan hij geacht worden het aansprakelijkheidsrisico van schade door een (verborgen) gebrek in de machine te hebben aanvaard. De uitkomst zal niet anders zijn wanneer A geen particulier is, maar de zaak bedrijfsmatig aan B ter beschikking stelt.6 In beide gevallen is de zaak na de terbeschikkingstelling onderdeel van B’s bedrijfsvoering gaan uitmaken. Dat B de zaak op het moment van de schadeveroorzaking nog maar kortstondig had gebruikt, staat zijn aansprakelijkheid niet in de weg nu andere (zwaarder wegende) omstandigheden de kwalitatieve aansprakelijkheid (toch) zijn kant op doen kantelen: het feitelijk handelen met de zaak door B, waarmee de verwezenlijking van het aan de machine verbonden gevaar in geval van aanwezigheid van een (verborgen) in de hand wordt gewerkt.7 Als ondersteunend hebben te gelden de deskundigheid van B, het profijtbeginsel en diens mogelijkheden de kosten van de aansprakelijkheid te spreiden. Overigens kan ter relativering van de maar zeer beperkte duur van het feitelijke gebruik door B in deze casus nog worden bedacht dat die werd veroorzaakt door de ontploffing van de machine; B’s intentie betrof een langduriger, namelijk gedurende de gehele te klaren klus, gebruik van deze zaak.