Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/5.4.3.3
5.4.3.3 Lid 2: leningen van verbonden lichamen of verbonden natuurlijke personen die samenhingen met bepaalde rechtshandelingen
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS305612:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kosten die werden gemaakt om een valutaresultaat op de lening af te dekken vielen hieronder. Hetzelfde gold voor kosten om renterisico’s af te dekken. Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 5 (Nota), p. 30.
Of een verband aanwezig was tussen enerzijds de geldlening en anderzijds de genoemde rechtshandelingen werd beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden. Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3 (MvT), p. 18. In BNB 2005/51* vormde belanghebbende een fiscale eenheid met haar dochter. De dochtervennootschap exploiteerde een hotel. De aandelen in belanghebbende waren in handen van een stichting. In oktober 1997 werd een interim-dividend van f 2 miljoen uitgekeerd. In januari 1998 verstrekte de stichting een krediet van f 3 miljoen in rekening-courant aan de dochtervennootschap van belanghebbende. Het krediet werd vrijwel geheel aangewend voor de verbouwing van hotelkamers. Hof 's-Gravenhage oordeelde dat de Inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat tussen de kredietverstrekking door de stichting en de dividenduitkering een verband aanwezig was als bedoeld in art. 10a, lid 2, VPB 1969. De omstandigheid dat belanghebbende, toen in oktober 1997 werd besloten tot de uitkering van het dividend, ervan op de hoogte was dat haar dochtervennootschap op afzienbare termijn zou moeten investeren in een renovatie van hotelkamers, deed daaraan niet af. Dit oordeel gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. HR 8 oktober 2004, nr. 39 435, BNB 2005/51*.
In HR 11 juli 2008, 43 376, V-N 2008/34.15 is beslist dat een lijfrenteverplichting geen geldlening was als bedoeld in art. 10a, lid 2. Zie ook A-G Wattel in zijn conclusie van 6 september 2007, nr. 43 376, punten 5.4, 5.9 en 5.13.
Zie O.C.R. Marres, Winstdrainage door renteaftrek (beoordeling van artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969), FM nr. 113, Deventer: Kluwer 2005, p. 139.
Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 5 (Nota), p. 31.
Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 5 (Nota), p. 34.
Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 5 (Nota), p. 32.
Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 7 (Nota), p. 7. Marres meent dat de motivering van de staatssecretaris het onderscheid tussen het eerste en het tweede lid niet kon rechtvaardigen. O.C.R. Marres, Winstdrainage door renteaftrek (beoordeling van artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969), FM nr. 113, Deventer: Kluwer 2005, p. 84-87.
Art. 10a, lid 2, Wet VPB 1969 verbood de aftrek van de rente – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen –1 op leningen van verbonden lichamen of verbonden natuurlijke personen die samenhingen2 met bepaalde rechtshandelingen. Deze rechtshandelingen werden opgesomd in de onderdelen a tot`en met c van het tweede lid. Onderdeel a had betrekking op geldleningen die verband hielden met winstuitdelingen of kapitaalterugbetalingen aan grootaandeelhouders (dat wil zeggen: een aandeelhouder met een belang van ten minste een derde). Onderdeel b zag op geldleningen3 die waren aangegaan in verband met de verhanging van een verbonden lichaam binnen het concern. Onderdeel c bestreek situaties waarin het vermogen dat door de crediteur was gebruikt om de lening te verstrekken, afkomstig was van de belastingplichtige of van een in Nederland gevestigd verbonden lichaam of een in Nederland woonachtige natuurlijk persoon.4 Daarvan was bijvoorbeeld sprake als een met de belastingplichtige verbonden lichaam, dat in Nederland was gevestigd, kapitaal stortte in een verbonden crediteur en de crediteur de kapitaalstorting gebruikte om een lening te verstrekken aan de belastingplichtige. Was het desbetreffende vermogen dat in de crediteur was terechtgekomen echter niet afkomstig van een in Nederland gevestigd verbonden lichaam, dan was onderdeel c niet van toepassing.5 In dat geval werd de Nederlandse belastinggrondslag immers niet geërodeerd. Een ander voorbeeld dat in de parlementaire geschiedenis werd gegeven, betrof een Nederlandse tussenhoudster die dividenden ontving van haar buitenlandse deelnemingen en deze uitkeerde aan haar buitenlandse moeder. Wanneer de buitenlandse moeder deze gelden vervolgens leende aan een verbonden vennootschap die in Nederland was gevestigd, was onderdeel c eveneens van toepassing.6 Het voorschrift in onderdeel c kon verder aan de orde komen wanneer een in Nederland gevestigd lichaam de aandelen in een financieringsmaatschappij kocht en deze maatschappij vervolgens geld leende aan een in Nederland gevestigd lichaam dat was verbonden met de koper.7
Art. 10a, lid 2, Wet VPB 1969 was alleen van toepassing als de desbetreffende geldlening rechtens dan wel in feite direct of indirect was verschuldigd aan een verbonden lichaam of een verbonden natuurlijk persoon. Voor de uitleg van de zinsnede ‘rechtens dan wel in feite direct of indirect’ wordt verwezen naar hetgeen hierover is opgemerkt ten aanzien van het eerste lid.
De wetgever verklaarde het verschil tussen het eerste en het tweede lid van art. 10a als volgt. Bij art. 10a, lid 1, Wet VPB 1969 ging het om situaties waarbij nergens binnen het concern een feitelijke wijziging in het werkkapitaal optrad.
Zo vond er in het geval van een schuldiggebleven dividend een kasrondje plaats met gesloten beurzen. Het werkzame vermogen van de dochter bleef gelijk. Art. 10a, lid 2, Wet VPB 1969 betrof daarentegen gevallen waarin wel wijziging plaatsvond in het werkkapitaal. De uitzondering op de aftrekbeperking wanneer de rente bij de crediteur was onderworpen aan een compenserende heffing, die was opgenomen in het derde lid, gold daarom alleen ten aanzien van het tweede lid en niet voor het eerste lid.8