Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/9.3.5
9.3.5 Aansprakelijkheid
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264415:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Over de plicht tot rekening en verantwoording in het algemeen, zie art. 771 Rv; Hof Amsterdam 21 april 1994, NJ 1995/145 (Celebes); HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089, NJ 2014/251 (Velázquez/Zalinco NV), r.o. 3.6. Zie over de plicht tot rekening en verantwoording van de beherend hypotheekhouder Barkey Wolf 2009, p. 124; Loesberg & Van Ingen 2010, p. 175-176; Visser 2011, p. 318-319; Visser 2013, p. 404; Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020, nr. 386; Struycken & Wijnstekers 2016, p. 42; Stein 2018, in: GS Vermogensrecht, ad art. 3:267 BW, nr. 9; Van Bergen 2019, p. 122. Anders: Rb Amsterdam 8 oktober 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BK1877 (Eiseressen/Aareal Bank AG), r.o. 4.7.
HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9132, NJ 2005/180, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Deutsche Hypothekenbank/De Liagre Böhl q.q.), nr. 4.11 van de conclusie; Barkey Wolf 2009, p. 124; Loesberg & Van Ingen 2010, p. 175-176; Visser 2011, p. 318-319; Visser 2013, p. 404-405; Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020, nr. 386; Stein 2018, in: GS Vermogensrecht, ad art. 3:367 BW, nr. 9; Van Bergen 2019, p. 119; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019, nr. 881.
Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020, nr. 386.
Gerver 2001, p. 79-80; Barkey Wolf 2009, p. 124; Visser 2011, p. 319; Visser 2013, p. 404; Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020, nr. 386; Stein 2018, in: GS Vermogensrecht, ad art. 3:267 BW, nr. 10; Van Bergen 2019, p. 121-123.
Gerver 2001, p. 79-80; Visser 2011, p. 319; Visser 2013, p. 404; Stein 2018, in: GS Vermogensrecht, ad art. 3:267 BW, nr. 10-12; Van Bergen 2019, p. 122. Op verrekening van de beheersopbrengst met de door het hypotheekrecht gesecureerde vordering ga ik nader in §9.3.2; §9.3.6.
Barkey Wolf 2009, p. 125; Visser 2011, p. 319; Visser 2013, p. 404; Van Bergen 2019, p. 123.
De hypotheekhouder is regelmatig rekening en verantwoording verschuldigd over de wijze waarop hij het hypotheekobject heeft beheerd. Hij dient ten minste jaarlijks en aan het einde van het beheer rekening en verantwoording af te leggen aan de hypotheekgever.1 De hypotheekhouder is daarnaast verplicht het hypotheekobject te beheren als een goed beheerder.2 Of de hypotheekhouder aan deze open norm heeft voldaan, hangt af van de omstandigheden van het geval. Vermoedelijk is van belang of de hypotheekhouder het hypotheekobject doelmatig heeft beheerd.3
De beherend hypotheekhouder kan de kosten die hij voor het beheer heeft gemaakt, verhalen op de hypotheekgever. De vordering van de hypotheekhouder tot vergoeding van deze kosten is slechts gedekt door het hypotheekrecht als uit de hypotheekakte blijkt dat het hypotheekrecht is gevestigd tot zekerheid van deze vordering. Wordt deze vordering niet gedekt door het hypotheekrecht, dan heeft de hypotheekhouder in beginsel een concurrente vordering. Kwalificeren kosten die de hypotheekhouder heeft gemaakt evenwel als kosten tot behoud van het hypotheekobject, dan is de vordering tot vergoeding van deze kosten bevoorrecht (art. 3:284 lid 1 BW).4 De hypotheekhouder zal de gemaakte kosten veelal verhalen door verrekening met de opbrengst van het beheer.5 De hypotheekhouder kan de kosten tot beheer alleen verhalen op de hypotheekgever, indien hij deze kosten in redelijkheid heeft gemaakt.6