Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.2
4.2 Leerstuk van het vertrouwensbeginsel
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661621:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Van Nispen tot Sevenaer 1989.
Happé 1996.
Gorissen 2008. Zie ook Gorissen 2009/8. Voor een EU-rechtsvergelijking zie De Vos 2011.
Pauwels 2009, hoofdstuk 8.
Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.3.0 (actueel t/m 16 oktober 2021); NDFR deel Formeel belastingrecht, Vertrouwensbeginsel, par. 3.1.2.; Vakstudie Algemeen Deel, art. 11 AWR, aant. 1.11 (online, actueel t/m 28 januari 2022).; Jansen 2013; Douma e.a. 2021, hoofdstuk 6. Zie ook het themanummer over het vertrouwensbeginsel in RMThemis 1984/5-6; Geppaart 1969. In het algemene bestuursrecht zie Nicolai 1990; Verheij 1997 en recenter Schlössels & Zijlstra 2017, par. 8.3.7; Van Triet 2021.
Happé p. 109-112, 164.
Happé 1996, p. 164.
Zie voor ontwikkelingen in fiscale rechtsbescherming Van den Berge 2015, par. 8.
Over het leerstuk van het vertrouwensbeginsel – ook wel de ‘vertrouwensleer’1 – in het belastingrecht is reeds veel geschreven. Gezaghebbend is het proefschrift van Happé (1996), die de vertrouwensleer van de Hoge Raad aan de hand van een rechtstheoretisch model met ‘voorrangsregels’ systematisch in kaart heeft gebracht.2 Recenter verscheen het proefschrift van Gorissen,3 dat daarop voortbouwt en rechtsvergelijking bevat, evenals het proefschrift van Pauwels op een overigens ander terrein, waarin hij (ook) de theorievorming bij de vertrouwensleer nader heeft ontwikkeld.4 Bovendien bestaan vele handboeken, artikelen en databanken met (actuele) overzichten van de jurisprudentie ten aanzien van het vertrouwensbeginsel in het belastingrecht.5 Voor dit onderzoek is het dus niet nodig om de vertrouwensleer integraal te beschrijven. Daarentegen is wel zinvol om relevante eigenschappen van de vertrouwensleer te identificeren en te analyseren waar het gaat om voorlichting.
Het vertrouwensbeginsel komt bij voorlichting aan de orde in situaties waarin een burger afgaat op voorlichting van de Belastingdienst, maar de inspecteur ‘terugvalt’ op (een andere uitleg van) de wet en een andere beslissing neemt dan de burger op basis van de informatie had verwacht (zoals een hogere aanslag) en de burger zich vervolgens op de bij hem gewekte verwachtingen beroept.6 Een dergelijke situatie kan ontstaan als die voorlichting achteraf onjuist of onvolledig blijkt te zijn ten opzichte van de wet. Als de inspecteur dan niet handelt conform de gewekte verwachtingen maar de wet toepast, schendt hij het vertrouwen van de burger. In zo’n geval ontstaat spanning tussen enerzijds het vertrouwen dat burgers ontlenen aan de in het kader van de voorlichtende taak van de Belastingdienst verstrekte voorlichting en anderzijds het belang van een juiste wetstoepassing.7 Hoe gaat de belastingrechter daarmee om?
In het belastingrecht wordt het beoordelingskader voor bovenstaande vraag gevormd door het leerstuk van het vertrouwensbeginsel. Dit leerstuk is de afgelopen decennia in de jurisprudentie ontwikkeld.8 De Hoge Raad heeft in verschillende arresten beslist over gevallen waarin de belastingplichtige meende vertrouwen te kunnen ontlenen aan uitingen van de Belastingdienst. Hierbij maakt de Hoge Raad een afweging tussen enerzijds het belang van het toepassen van de wet (legaliteitsbeginsel) en anderzijds het belang van het honoreren van gewekte verwachtingen (vertrouwensbeginsel). De weging van die beginselen is afhankelijk van het type uiting en de omstandigheden (paragraaf 4.2.3). Deze aanpak is eveneens van toepassing bij voorlichting.
4.2.1 Het vertrouwensbeginsel: inhoud, doel en strekking4.2.2 De 'doorbraak’ van het vertrouwensbeginsel4.2.3 Methode van de belastingrechter bij toepassing van het vertrouwensbeginsel