De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.2.4.3:5.2.4.3 De te dekken schade volgens de Wam: gevaarlijke stoffen
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.2.4.3
5.2.4.3 De te dekken schade volgens de Wam: gevaarlijke stoffen
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS393597:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wansink, Olielampjes en dwaallichtjes, p. 72. Zie ook Wansink, De algemene aansprakelijkheidsverzekering, Zwolle, 2006, p. 339 e.v.
HR 3 april 1914 (Johanna Maria KW 131), NJ 1914, p. 663.
Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen (Wansink), p. 320-17.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De verzekeringsplicht in verband met gevaarlijke stoffen die zich aan boord van een motorrijtuig (met een maximaal toelaatbaar gewicht van meer dan 3.500 kg) bevinden, vindt haar regeling in art. 3a Wam. De aard van de door de verplichte verzekering ex art. 3a Wam te dekken schade wijkt af van de in het algemeen op grond van art. 3 te verzekeren schade. Behoeft de algemene Wam-verzekering slechts te dekken personen- en zaakschade en behoeft zuivere vermogensschade niet te worden verzekerd (hetgeen in de praktijk ook niet pleegt te gebeuren), in het kader van schade veroorzaakt door gevaarlijke stoffen aan boord van een motorrijtuig met een maximaal toelaatbaar gewicht van meer dan 3.500 kg dienen wel elementen van zuivere vermogensschade te worden meeverzekerd. Art. 3a verwijst immers naar afdeling 8.1.14 BW, waar het schadebegrip in art. 8:1210 onderdeel b) en
c) als volgt is omschreven:
"b. Schade':
1º. schade veroorzaakt door dood of letsel van enige persoon veroorzaakt door een gevaarlijke stof;
2º. andere schade buiten het voertuig aan boord waarvan de gevaarlijke stof zich bevindt, veroorzaakt door die gevaarlijke stof, met uitzondering van verlies van of schade met betrekking tot andere voertuigen en zaken aan boord daarvan, indien die voertuigen deel uitmaken van een sleep, waarvan ook dit voertuig deel uitmaakt;
3º. de kosten van preventieve maatregelen en verlies of schade veroorzaakt door zulke maatregelen;
c. 'preventieve maatregel': iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade door wie dan ook genomen met uitzondering van de overeenkomstig deze afdeling aansprakelijke persoon nadat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden."
Het verschil met art. 3 Wam is dat art. 8:1210 onderdeel b) onder 2º zich niet beperkt tot zaakschade, maar spreekt van andere schade (dan personenschade, FJB), terwijl voorts krachtens onderdeel b) onder 3º ook de kosten van preventieve maatregelen en het verlies of de schade veroorzaakt door zulke maatregelen onder het schadebegrip vallen.
Zo zal de personen- en zaakschade die door derden wordt geleden als gevolg van preventieve maatregelen, onder de dekking vallen. Ook de bedrijfsschade (van derden, bijvoorbeeld door onbereikbaarheid van een bedrijfsterrein) die het gevolg is van een gebeurtenis met een gevaarlijke stof zal, in afwijking van de algemene regel, door de Wam-verzekeraar dienen te worden vergoed; de kosten van preventieve maatregelen genomen door de benadeelde of door andere derden, niet alleen na de schade maar ook bij ernstige en onmiddellijke dreiging van schade, vallen eveneens onder de verplichte dekking in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen, terwijl zij in het algemeen niet door de Wam-verzekeraar behoeven te worden vergoed (zij zijn evenmin onder de bereddingskosten van art. 7:957 BW begrepen, omdat zij niet door de verzekeringnemer of de verzekerde worden gemaakt).
In dit verband zij opgemerkt dat de schade die door de verkeerde uitvoering van bereddingsmaatregelen ontstaat, onder het oude recht wel voor vergoeding door de verzekeraar onder art. 283 WvK in aanmerking kwam, zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad betreffende 't Witte Paerdje.1 Wansink spreekt zijn twijfel uit over de vraag of het arrest onder het huidige verzekeringsrecht stand zal houden, ondanks de stellige uitspraken daaromtrent van de Minister van Justitie bij de behandeling van art. 7:957 BW (de opvolger van art. 283 WvK) in de Eerste Kamer.2 De twijfel is het gevolg van het feit, dat de Hoge Raad - afstand nemend van het Johanna Maria KW 131'-arrest3 - onder het begrip bereddingskosten niet alleen met geld te betalen uitgaven, maar ook op geld te waarderen opofferingen brengt. Art. 7:957 lid 2 BW bepaalt dat de verzekeraar de kosten aan het nemen van deze maatregelen verbonden en de schade aan zaken die daarbij worden ingezet vergoedt. Als bij de beredding schade wordt toegebracht aan zaken die niet worden opgeofferd in de zin van het artikel, dan valt deze schade naar de letter ook niet onder de door de verzekeraar te vergoeden kosten. Wansink vreest dat de aanvullende werking van de eisen van redelijkheid en billijkheid de helpende hand zal moeten bieden en acht dat niet de meest fraaie oplossing.
In de praktijk betekent de dekking voor de kosten van preventieve maatregelen, zoals Wansink terecht opmerkt, een zeer belangrijk dekkingselement bij het vervoer van gevaarlijke stoffen.4 De kosten van dergelijke preventieve maatregelen kunnen zeer hoog oplopen. Door de aard van het risico zullen de aansprakelijke en diens verzekeraar bovendien niet snel slagen in het verweer dat degene die dergelijke maatregelen treft (veelal de overheid) de grenzen van de redelijkheid heeft overschreden.
Aangenomen mag worden dat dergelijke schadeposten onder het groenekaartstelsel afgewikkeld kunnen worden. Zie hetgeen omtrent de discussies over het CRTD-verdrag in de Council of Bureaux werd opgemerkt in paragraaf 5.2.2.4 in het kader van het aspect van de toebrenging van schade in het verkeer. Zie nader over de afwikkeling van dergelijke schaden tussen de Bureaus paragraaf 6.2.4.2 onder 1) en m).