Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/3.4.3:3.4.3 Opwaardering van een bedrijfsmiddel bij stijging bedrijfswaarde
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/3.4.3
3.4.3 Opwaardering van een bedrijfsmiddel bij stijging bedrijfswaarde
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS343128:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 maart 1992, nr. 27 918, BNB 1992/186.
Zo ook R.P.C. Cornelisse, annotatie bij het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 1992, nr. 27 918, FED 1992/656. J.Ch. Caanen, Verplichte winstneming bij hogere lagere bedrijfswaarde ondanks bestemmingswijziging, Weekblad 1994/6089, blz. 162-173.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In een arrest van 18 maart 19921 heeft de Hoge Raad wederom goed koopmansgebruik en bedrijfswaarde met elkaar in verband gebracht. Omdat ons hoogste rechtscollege heel duidelijk en treffend heeft geformuleerd waarom opwaardering verplicht is, citeer ik uit het arrest: `(..) dient naar goed koopmansgebruik, waardering naar die hogere bedrijfswaarde plaats te vinden, aangezien zonder zodanige herwaardering duurzaam een verlies tot uitdrukking zou worden gebracht, dat in feite niet is geleden:
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van de volgende casus. Een vennootschap onder firma treedt onder meer op als projectontwikkelaar. Tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende behoort een kantoorpand, gesplitst in appartementen en bestemd voor de verkoop. In 1980 wordt één appartement verkocht, in 1981 besluit men om de resterende appartementen te verhuren. Door de bestemmingswijziging in 1981 verliest het kantoorpand op dat moment de status van voorraad en wordt alsdan een bedrijfsmiddel. Per ultimo 1981 wordt het pand afgewaardeerd op lagere bedrijfswaarde ten bedrage van f 883 000 (historische kostprijs f 1 276 233). Per ultimo 1983 is de bedrijfswaarde van het pand echter met f 57 000 gestegen. In geschil is ten eerste of het pand met f 57 000 moet worden opgewaardeerd en ten tweede of er in 1983 op het pand kan worden afgeschreven.
Belanghebbende stelt dat in 1983 (op het moment van overgang van voorraad naar bedrijfsmiddel) de voortbrengingskosten van het pand als bedrijfsmiddel f 883 000 bedragen. Aangezien het stelsel luidt: kostprijs c.q. voortbrengingskosten minus afschrijvingen of lagere bedrijfswaarde, is volgens haar opwaardering niet aan de orde.
Hof en Hoge Raad wijzen dit standpunt af en oordelen dat er een verplichte opwaardering dient plaats te vinden van de desbetreffende onroerende zaak. Dit aangezien de bedrijfswaarde is gestegen. Om die reden kan ook geen afschrijving plaatsvinden. Voorts overweegt de Hoge Raad nog dat een wijziging in de bestemming geen verandering brengt in de historische kostprijs van het kantoorpand.
De opvattingen die ten grondslag liggen aan bovengenoemd arrest, zijn in overeenstemming met de fiscale wetsgeschiedenis (met name onder verwijzing naar art. 10, tweede lid, Besluit IB 1942)2. In dit artikel was uitdrukkelijk bepaald dat waardering op lagere bedrijfswaarde slechts geoorloofd was zolang de bedrijfswaarde aantoonbaar lager was. Daarbij is deze uitleg van het aspect 'hogere' bedrijfswaarde (blijkens de parlementaire behandeling en de Toelichting) ook van toepassing op de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Door de opwaardering van een bedrijfsmiddel bij hogere bedrijfswaarde wordt slechts een in het verleden toegepaste afwaardering geheel of gedeeltelijk ongedaan gemaakt. Dit is met name in overeenstemming met de realiteitszin terwijl het niets met het realisatiebeginsel te maken heeft. Er is immers geen sprake van winstrealisatie maar van het geheel of gedeeltelijk redresseren van in het verleden genomen verlies.