Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/6.4.2.1
6.4.2.1 Een pleidooi voor publiciteit
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS419563:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Niet alleen het gebrek aan publiciteit van pandrechten stuitte op weerstand, maar ook het voorstel dat onroerende zaken door een beschikkingsbevoegde werden overgedragen vanaf het sluiten van een overeenkomst die tot overdracht strekt. Zie bijvoorbeeld de reactie van het gerechtshof van Parijs in: Fenet 1836, V, p. 231 e.v.
Parijs. Zie: Fenet 1836 V, p. 243 e.v. De gerechtshoven gezeteld in Brussel, in: Fenet 1836, III, p. 285; Onder meer Luik, in: Fenet 1836, III, p. 618; Grenoble, in: Fenet 1836, III, p. 603 e.v.; Lyon, in: Fenet 1836, IV, p. 218; Metz, in: Fenet 1836, IV, p. 398; Montpellier, in: Fenet 1836, IV, p. 491.
Fenet 1836, III, p. 364.
Fenet 1836, III, p. 522.
Fenet 1836, III, p. 520.
Het Tribunal de Cassation, ad boek III, titels VI, VII en VIII, in: Fenet 1836, II, p. 608. De tribuun Huguet zette nog eens alle pro’s en contra’s van publiciteit uiteen. Fenet 1836, XV, p. 510 e.v.
Fenet 1836, III, p. 295. De Rooms-Hollandse wijze van vestiging was inderdaad vergelijkbaar. Zie: §4.4.2.1 e.v.
Fenet 1836, XV, p. 522.
Onder vele anderen: Van den Berg 2006b, p. 10; Van der Burg 2009, p. 90.
Fenet 1836, III, p. 313. Zo wilde het Tribunal de Cassation bijvoorbeeld dat pandakten werden ingeschreven in een register aan de hand van de bezwaarde onroerende zaken, terwijl de wet de inschrijving koppelde aan de naam van de schuldenaar. Art. 4, redaction proposée, in: Fenet 1836, II, p. 650.
Fenet 1836, III, p. 315.
Fenet 1836, XV, p. 274.
Bijvoorbeeld door het gerechtshof van Parijs. Fenet V, p. 246 en het gerechtshof van Poitiers. Fenet V, p. 309. Hoewel publiciteit in de pays de nantissement voortkwam uit het feodale stelsel, vond men deze oorsprong geen bezwaar tegen de toepassing hiervan in de Code civil. Grenier, lid van de Conseil d’État schreef over de feodale oorsprong: ’toujours est-il vrai que, de ce régime si bizarre et si contraire en général à tout ordre social, il en serait sorti les élémens les plus propres à l’organisation d’un régime hypothécaire.’ Zie: Fenet 1836, XV, p. 483.
Fenet 1836, XV, p. 266 e.v.
Onder anderen Jollivet. Zie: Fenet 1836, XV, p. 321.
Fenet 1836, XV, p. 295 en p. 456.
Fenet 1836, XV, p. 456.
Besson 1891, p. 99 e.v.
Fenet 1836, I, p. 509. Zie ook: Oeckinghaus 1973, p. 89; Zwalve 2006, p. 280.
Pothier, Traités sur différentes matieres de droit civil (1774), IV, nr. 235.
Besson 1891, p. 100.
Besson 1891, p. 100. Vgl. Laurent 1878 XXIX, nr. 8.
Het voornaamste bezwaar tegen het ontwerp was het gebrek aan publiciteit van pandrechten op onroerende zaken.1 Een groot aantal departementen en het Tribunal de Cassation spraken zich – vaak in felle bewoordingen – uit voor een systeem van registratie van pandrechten op onroerende zaken zoals dat van de Loi du 11 Brumaire an VII.2 De gerechtshoven van de Zuidelijke Nederlanden die in 1795 door Frankrijk waren geannexeerd, lieten zich bij monde van Frans Jozef Beyts (1763-1832) als volgt uit over het ontwerp: ‘Les raisons politiques qui ont été données pour les trois titres du Code sont donc absolument nulles; il ne leur reste plus que la difformité antique de leur origine, et la physionomie de l’intrigue, de la mauvaise foi, de la corruption, que les firent dicter autrefois sous l’influence immorale des courtisans de nos vieux rois.’3 Het gerechtshof van Douai schreef over het gebrek aan publiciteit: ‘C’est cette facilité de tromper, légalement consacrée par l’édit de 1771, et qui fut si funeste à la morale publique; c’est cette cruelle indulgence, proscrite depuis la révolution par plusieurs lois, que l’on propose aujourd’hui de garantir, en rétablissant les hypothèques clandestines, en attachant un titre de préférence aux actes les plus secrets.’4 Het gerechtshof van Douai wees er verder op dat het ontwerp van de commissie slechts gunstig was voor de schuldeiser met het oudste pandrecht, maar dat zelfs hij niet kon weten of hij eerste was en wat de waarde van zijn onderpand was.5
De voorstanders van publiciteit wezen op de voordelen van het registerstelsel van de voormalige pays de nantissement.6 Ook vermeldden zij de registerstelsels van de omringende landen, zoals Denemarken, Pruisen en Holland.7 De Franse tribuun Théodore-François Huguet (1751-1825) benadrukte echter de verschillen tussen Frankrijk en Holland. Op de stelling dat publiciteit voor Frankrijk geschikt was, omdat het Hollandse systeem daar ook op was gebaseerd, reageerde hij: ’Elle est en usage en Holland! On ne veut donc point faire de distinction! Croit-on que les mêmes institutions conviennent à tous les peuples? La Hollande est une nation tout entière commerçante; le commerce appelle tous les capitaux; l’emprunt sur les immeubles tient même à l’esprit public; on s’en fait un honneur, parce qu’on sait que c’est pour le verser dans le commerce. Parmi nous, au contraire, lorsqu’un négociant acquiert une propriété, c’est pour retirerdes capitaux du commerce, au point que si ensuite il est obligé d’emprunter sur sa propriété, il perd son crédit commercial; cette reprise de fonds qu’il avait placés fait craindre des embarras dans ses affaires.’8 Huguet was dus van mening dat volkeren teveel van elkaar verschillen om rechtsfiguren zomaar over te nemen. Zijn benadering vloeide voort uit de zogenaamde klimaattopos. Deze topos huldigde de opvatting dat het recht van een bevolking afhankelijk is van het klimaat waarin het geldt en stond daardoor haaks op het natuurrecht dat uitging van universeel geldend recht.9 Een pleitbezorger van de klimaattopos was Montesquieu. De gerechtshoven deelden Huguets pleidooi echter niet. Omdat de Loi du 11 Brumaire an VII op veel punten aansloot bij de regeling van de pays de nantissement – en de regelingen van de omringende landen –, beschouwden veel gerechtshoven deze wet als een vooruitgang ten opzichte van de regeling in het droit commun français van het ancien régime.10
De stelling van de commissie dat publiciteit een schending van de ‘privacy’ was, werd bestreden. Volgens het Brusselse gerechtshof leidde een registerstelsel er niet toe dat de gehele vermogenspositie van de schuldenaar op straat kwam te liggen. Een schuldeiser (of een andere nieuwsgierige) zou namelijk elk register in Frankrijk moeten inzien om vast te stellen welke onroerende zaken de schuldenaar in eigendom had en welke zaken had bezwaard.11 De leden Treilhard en Réal van de Conseil d’État vonden het geen inbreuk op de ‘privacy’, omdat een schuldenaar zelf kon bepalen of hij krediet wilde krijgen onder zekerheid van zijn onroerende zaken. Slechts schuldenaren die een lagere rente op hun geldlening wilden betalen, hoefden in het openbaar geregistreerde pandrechten te vestigen op onroerende zaken.12 Verschillende gerechtshoven bestreden ook de stelling van de commissie dat publiciteit vooral was gericht op het spekken van de staatskas.13
Er bestond minder eensgezindheid over het vereiste van inschrijving van de wettelijke pandrechten van de echtgenote en van de minderjarige.14 Verschillende leden van de Conseil d’État wezen er op dat de rechtszekerheid voor verkrijgers en andere schuldeisers van de schuldenaar verloren zou gaan, als een uitzondering voor wettelijke pandrechten zou worden gemaakt.15 Volgens Tronchet en Treilhard waren wettelijke pandrechten voldoende kenbaar zonder inschrijving, omdat derde-verkrijgers en schuldeisers konden weten of hun wederpartij getrouwd of voogd was.16 Verder meende Treilhard dat inschrijving niet van echtgenotes of minderjarigen kon worden verlangd.17
Het door de commissie voorgestelde consensuele stelsel van eigendomsoverdracht stuitte op minder weerstand.18 Dit stelsel steunde op het natuurrecht waarin de wil van partijen tot eigendomsoverdracht centraal stond.19 Treilhard heeft nog aangevoerd dat levering een essentieel onderdeel was van eigendomsoverdracht20 en dat een gebrek aan publiciteit van overdracht de publiciteit van pandrechten illusoir maakte.21 Een schuldeiser die een speciaal pandrecht wilde vestigen, kon immers in het register niet zien of de schuldenaar beschikkingsbevoegd was. Deze bezwaren van Treilhard zijn weliswaar in overweging genomen door de Conseil d’Etat, maar zijn na verwijzing naar het comité de législation niet meer besproken.22