Einde inhoudsopgave
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/2.2.2
2.2.2 Collectiviteit en optimaliteit
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen
- JCDI
JCDI:ADS111471:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie enigszins gelijkluidend: Loonen & Stork 2013, p. 314.
Art. 1.2.1 Beleidsregel geschiktheid 2012.
Bainbridge 2008, met verwijzingen op p. 82-94
In tegenstelling tot compositional emergence dat ervan uitgaat dat de kennis van het team niet meer is dan de optelsom van de kennis van de individuele bestuurders. Gorman e.a. 2017, p. 2.
Heylighen 1999, par. 1. Zie anders: Hill 1982, p. 517-539 (ziet niet specifiek op Collective Intelligence (CI), maar wel op het functioneren van de groep versus het individu).
Galton 1907, p. 450-451.
Nu het juridisch kader van de taakuitoefening door de rvb en de rvc is geschetst, is de vraag hoe de meerhoofdige rvb en de meerhoofdige rvc deze taak volbrengen. De (theoretische) gedachte is dat een meerhoofdige rvb en rvc – in tegenstelling tot een enkelvoudige rvb en rvc – beschikken over meer kennis, expertise en invalshoeken.1 De individuele bestuurders en commissarissen hebben bijvoorbeeld een financiële achtergrond, een sectorspecifieke achtergrond, Human Relations (HR), duurzaamheid of informatie- en communicatietechnologie (ICT). Dit is ook een van de factoren die DNB meeweegt in de toetsing van beleidsbepalers van financiële instellingen.2 Het brengt potentieel meer creativiteit aan de bestuurstafel, het stelt bestuurders en commissarissen in staat de taken te verdelen en tot op zekere hoogte worden checks and balances geïntegreerd in één orgaan. Naast dat bij een grote vennootschap gelet op de hoeveelheid taken een meerhoofdige rvb en rvc essentieel is, is de andere rationale achter een meerhoofdige rvb en rvc dat een groep vaak betere beslissingen neemt dan een individu.3 Hetgeen de rvb en de rvc idealiter kunnen bereiken, is ‘het optimale’. Dit noem ik de optimaliteitsgedachte (compilational emergence).4
Bij het samenstellen van de groep bestuurders en commissarissen is wenselijk dat het resultaat meer is dan de optelsom van de input/waarde die elke individuele bestuurder of commissaris kan leveren. Simpel gezegd is het wenselijk dat één plus één drie is en geen twee. Dit zou betekenen dat de bestuurders tezamen en de commissarissen tezamen meer kunnen bereiken dan wat een individuele bestuurder of commissaris solo kan bereiken en dat bovendien de bestuurders en commissarissen het beste in elkaar naar boven halen. De theorie achter de optimaliteitsgedachte is dat een of meerdere individuen zelfstandig informatie vergaren. Deze verschillende ‘pakketten informatie’ worden gecombineerd door onder andere sociale interactie. Door het informele en formele overleg van de rvb en de rvc komt een oplossing tot stand die door de individuen afzonderlijk niet bereikt zou zijn.5 Een praktisch voorbeeld verduidelijkt dit. In een experiment moesten experts het gewicht van een dode os inschatten. Geen enkele expert schatte het gewicht goed in, maar het gemiddelde van de groep was wel het juiste gewicht.6 Als groep kwamen ze tot een accurate conclusie. Een conclusie die zij als individu niet hadden bedacht.
Er zijn echter cognitieve factoren die deze optimaliteitsgedachte bedreigen. Ik bespreek hier group polarization en groupthink. Dit zijn processen in groepen die op het individueel-cognitieve niveau begrepen kunnen worden.