Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/4.4.2
4.4.2 Methode van rechtsverkrijging
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS624913:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Perrick 2008, onder 4: 'De vraag of zich zaaksvervanging ten behoeve van de gemeenschap dan wel het overig vermogen van A heeft voorgedaan, komt eerst aan de orde nadat is vastgesteld dat de regels van het goederenrecht aldus zijn nageleefd dat A de gerechtigde tot het goed is geworden. Voor zaaksvervanging ten behoeve van de gemeenschap dan wel ten behoeve van het overig vermogen van A behoeven geen verdere regels van het goederenrecht te worden nageleefd.'
Vgl. Sagaert 2003, p. 668: 'Het surrogaat moet dus geacht worden reeds ab initio deel uit te maken van het vermogen van de restitutiedebiteur [een begunstigde van zaaksvervanging, JBSI. Het gaat derhalve om een oorspronkelijke wijze van eigendomsverkrijging.
Anders Biemans 2007, p. 98. Mijns inziens laat hij ten onrechte de kwalificatie van zaaksvervanging als originair of derivatief afhangen van de wijze waarop het vervangende goed wordt verkregen. Zaaksvervanging is echter onafhankelijk daarvan steeds een originaire verkrijging, ook in gevallen waarin verkrijging van het surrogaat afhankelijk is van een overdracht of andere derivatieve verkrijging.
Zie par. 2.4.
Vgl. EK 2004-2005, 28 874 E, p. 11: 'Artikel 53 lid 4 is met al deze reeds in ons recht aanvaarde gevallen van zaaksvervanging verwant en kan dan ook niet gezegd worden bijzondere dogmatische moeilijkheden te geven, ook niet doordat de rang van het pandrecht wordt bepaald door het tijdstip waarop het oorspronkelijke pandrecht werd gevestigd.'
Zie par. 4.3.9.
Zie hierover verder par. 5.2.2.
122.
Zowel de originaire verkrijgingen uit paragraaf 4.3 als zaaksvervanging kenmerkt zich door een proces waarin een grotendeels feitelijke oorzaak en een juridisch gevolg te onderscheiden zijn. De oorzaak bestaat vaak uit een of meer met elkaar samenhangende (feitelijke) veranderingen met betrekking tot goederen. Zo kan een zaak tenietgaan door natrekking of zaaksvorming, waarna een nieuwe zaak ontstaat, een rechtsvordering verjaren door tijdsverloop, waardoor de bezitter het sterkste recht op het goed blijkt te hebben of een nieuwe zaak ontstaan door afscheiding of vruchttrekking. Zaaksvervanging kent een vergelijkbare aanleiding. Een verpande vordering gaat door nakoming teniet, waarbij degene die de vordering int, geld of andere goederen ontvangt, een vruchtgebruiker beschikt bevoegd over de belaste auto en krijgt een koopsomvordering op de koper, of twee vennootschappen fuseren, waardoor de aandelen in de oorspronkelijke rechtspersonen verdwijnen en aandelen in de nieuwe vennootschap worden uitgegeven. De veranderingen hebben vaak juridische consequenties. Zo eindigt de eigendom van tenietgegane zaken en dreigen het pandrecht en de blote eigendom teniet te gaan door het wegvallen van het belaste goed.
De genoemde gebeurtenissen lokken een juridische reactie uit, die vaak vorm krijgt in bepalingen die een rechtstoewijzing inhouden. Bij deze rechtstoekenning spelen de hierboven in paragraaf 4.3.11 en 4.4.1 genoemde aanknopingspunten een belangrijke rol. De nieuwe zaken worden eigendom van de eigenaar van de oorspronkelijke zaak, de maker of degene die wegneembevoegd was, terwijl de bezitter op grond van art. 3:105 BW promoveert tot eigenaar. Zaaksvervanging werkt op eenzelfde manier. Verlies van het oorspronkelijke goed vindt plaats door een feit en/of rechtshandeling. Afhankelijk daarvan vindt op grond van de overige regels van het burgerlijke recht een verkrijging plaats van het vervangende goed, bijvoorbeeld een koopsomvordering op grond van de overeenkomst, een schadevergoedingsvordering op grond van een vordering uit onrechtmatige daad of aandelen door uitgifte van de door fusie ontstane vennootschap. De in dat geval toepasbare regel van zaaksvervanging bepaalt vervolgens, naast de overige regels van het burgerlijk recht ten aanzien van het op deze wijze ontstane of verkregen vervangende goed, hoe de verschillende betrokkenen hier aanspraak op kunnen maken.
Originaire verkrijgingen, inclusief zaaksvervanging, verlopen dus in twee stappen.1 De eerste stap bestaat uit het constateren van een verandering en het vaststellen van de omvang hiervan. De uitgangssituatie wijzigt, of oorspronkelijke goederen verdwijnen en een nieuwe zaak of een nieuw vermogensrecht ontstaat of wordt aangewezen.2 Het vervangende goed kan daarbij reeds in het vermogen van een van de betrokken gerechtigden aanwezig zijn of het kan ontstaan met een aanvankelijke verkrijging door een van de betrokkenen. Dit kan op drie manieren gebeuren, namelijk door rechtsfeiten, een rechtshandeling of het objectieve recht. Dat het ontvangen geld in handen komt van degene die int, is een feit. De verzekerde krijgt op grond van een rechtshandeling (overeenkomst) een schadevergoedingsvordering. De aandeelhouder in de oude vennootschap wordt op grond van de wet aandeelhouder in de door fusie ontstane vennootschap.
De tweede stap bestaat uit het toekennen van rechten op het verkregene op grond van een wettelijke bepaling. Hierbij spelen de eerder genoemde aanknopingspunten een rol en wordt vaak een verband gelegd met de oorzaak van de in de eerste stap geconstateerde wijziging. Bij zaaksvervanging is dit aanknopingspunt de rechtsverhouding ten aanzien van het oorspronkelijke goed. Originaire verkrijgingen leiden, kortom, tot rechtsverkrijging door middel van een tweetrapsraket. Dit vertaalt zich bij zaaksvervanging in het maken van onderscheid tussen het tenietgaan van het oorspronkelijke recht gecombineerd met het (verkrijgen en) aanwijzen van het surrogaat enerzijds en de direct daaropvolgende toekenning van vervangende rechten hierop door de betreffende wettelijke bepaling anderzijds.3
Bij deze slotsom moeten twee opmerkingen worden gemaakt. In de eerste plaats is het goed mogelijk dat ook bij de eerste stap rechtsregels hun invloed laten gelden, waardoor hier reeds sprake is van een samenspel van regels en feiten. Zo is het in gevallen van natrekking art. 3:4 BW, dat aangeeft hoe moet worden bepaald, of een zaak een zelfstandige roerende zaak of een bestanddeel is. Pas als dit duidelijk is, geeft art. 5:14 BW in de tweede stap de bijbehorende eigendomsverhoudingen aan.
De tweede opmerking betreft het gegeven dat in beide stappen vorderingen een rol kunnen spelen, maar dat deze rol per deel verschilt. De persoonlijke vordering die bij het ius tollendi en vruchttrekking ten grondslag ligt aan de originaire verkrijging, vormt een deel van het aanknopingspunt dat bij de tweede stap een rol speelt. Dergelijke vorderingen zijn een voorwaarde voor de rechtsverkrijging. Vorderingen kunnen daarnaast in de eerste stap opduiken als oorspronkelijk goed, nieuw goed of surrogaat. De door de pandhouder geïnde vordering is een oorspronkelijk goed, de vordering die door verjaring wordt verkregen is een nieuw goed en de koopsomvordering die samenhangt met het bevoegd beschikken door de vruchtgebruiker is, evenals de verzekeringsvordering die in de plaats treedt van de afgebrande verhypothekeerde woning, een nieuw goed en een surrogaat. Dit hoort bij de eerste stap. De bepalingen van zaaksvervanging verbinden hieraan vervolgens in de tweede stap consequenties en veranderen, indien nodig, de situatie zoals die eruitziet nadat de eerste stap is gezet. De innende pandhouder gaat het geld houden voor de pandgever en verkrijgt hierop een pandrecht, de vruchtgebruiker krijgt het recht van gebruik en van de vruchten van de schadevergoedingsvordering die aan de hoofdgerechtigde toekomt en beperkt gerechtigden ten aanzien van de oorspronkelijke aandelen krijgen een vergelijkbaar recht op de nieuwe aandelen.
123.
Zaaksvervanging werkt dus als een tweetrapsraket. De hoofdregels van het recht bepalen in de eerste stap van het vervangingsproces of het oorspronkelijke recht tenietgaat, een vervangend goed aanwijsbaar is of ontstaat en wat hiervan in beginsel de omvang is, waarna de bepalingen van zaaksvervanging dit aanvullen door op het vervangende goed nieuwe (beperkte) rechten te laten ontstaan of de rechtsverkrijging, indien nodig, aan te passen. Het constateren van een noodzaak tot ingrijpen en het identificeren van het goed dat als surrogaat kan dienen, is de eerste stap, terwijl de rechtstoekenning de tweede stap kenmerkt.
Beide stappen bestaan daarbij slechts in theorie. Zij volgen bij zaaksvervanging direct op elkaar en kunnen in de tijd niet worden onderscheiden. Dit leidt ertoe dat een onafgebroken reeks goederen en bijbehorende rechten ontstaat. Op deze wijze komt de ene goederenrechtelijke aanspraak in de plaats van de andere vergelijkbare goederenrechtelijke aanspraak, zoals bij natrekking zonder hoofdzaak het aandeel in de nieuwe zaak de eigendom van het bestanddeel vervangt. Hierdoor kan ten onrechte de indruk ontstaan dat het om hetzelfde recht gaat dat op een ander goed betrekking heeft. Originaire verkrijgingen, inclusief zaaksvervanging, leiden echter tot nieuwe rechten.
Op het uitgangspunt dat steeds van een ononderbroken reeks goederenrechtelijke rechten sprake is, wordt een uitzondering gemaakt bij de financiëlezekerheidsovereenkomst.4 Indien de pandhouder beschikt over de verpande effecten, wordt hij eigenaar van hetgeen wordt ontvangen en eventueel aangeschafte andere effecten. De pandgever krijgt een persoonlijke vordering tot overdracht van de vervangende effecten. De pandhouder wordt dus volledig eigenaar, het pandrecht gaat teniet. De wet bepaalt echter dat de overdracht van de vervangende effecten leidt tot een pandrecht voor de pandhouder op de overgedragen effecten, ook zonder dat sprake is van een overdracht onder voorbehoud van een pandrecht. Deze gang van zaken wordt in de parlementaire geschiedenis in verband gebracht met zaaksvervanging.5 Van een ononderbroken reeks vergelijkbare goederenrechtelijke aanspraken is echter geen sprake. De beschreven methode van zaaksvervanging, waarbij het tenietgaan van de oorspronkelijke aanspraak direct leidt tot een toekenning van rechten op grond van de wet, is dus niet van toepassing op de financiëlezekerheidsovereenkomst.
Het is de vraag of deze constructie de hiervoor beschreven theorie van zaaksvervanging als originaire verkrijging ontkracht. Originaire verkrijgingen verzetten zich, zoals hun aanduiding al doet vermoeden, naar hun aard niet tegen het ontstaan van rechten zonder voorgaand recht. Ook als voor de verkrijging wordt aangeknoopt bij een voorafgaande situatie, is het niet principieel bezwaarlijk dat hier enige tijd tussen ligt. Bij toepassing van art. 7:53 lid 4 BW wordt voor de verkrijging van rechtswege aangeknoopt bij een situatie die niet bestond direct voorafgaande aan de aanleiding tot het optreden van zaaksvervanging. Deze verkrijging kenmerkt zich door een periode waarin geen goederenrechtelijke aanspraak bestaat, hetgeen ook het geval is bij de verkrijging op grond van een wegneemrecht.6 Het verschil is echter dat het ontstane gat bij het wegneemrecht onvermijdelijk is, nu tussen het tenietgaan van de ene zaak en het ontstaan van de andere zaak geen vervangend goed bestaat. De verkrijging vindt plaats zodra het bestanddeel wordt losgemaakt en er dus een nieuwe zaak is, die kan gelden als surrogaat. Daarbij krijgt de degene die zich later op zaaksvervanging kan beroepen, in de tussentijd een persoonlijke vordering.
Bij de financiëlezekerheidsovereenkomst ligt dit anders. Ten eerste is het theoretisch goed mogelijk om tussentijds vervangende goederen aan te wijzen. Deze behoren volledig toe aan degene die zich later op zaaksvervanging kan beroepers. De pandhouder heeft dus tijdelijk geen pandrecht, maar is gerechtigd tot de vervangende effecten en heeft een vordering niet nodig. De vordering van de pandgever tot overdracht van vervangende effecten die in deze periode wel bestaat, vervult niet dezelfde rol als de vordering tot wegnemen. Deze vordering van de pandgever is uitsluitend de titel voor de derivatieve verkrijging van de vervangende effecten in de eerste stap van de vervanging. Zaaksvervanging treedt in de tweede stap op, los van deze vordering. Bij het ius tollendi is de wegneemvordering noodzakelijk voor de wegneemgerechtigde om later het recht te verkrijgen en daarmee onderdeel van de tweede stap van het proces van zaaksvervanging.
Geconcludeerd kan worden dat de vervanging bij de financiëlezekerheidsovereenkomst op grond van art. 7:53 BW dus op het punt van een aaneengesloten reeks rechten niet past in het stramien van de originaire verkrijgingen en de vergelijking met het ius tollendi toont aan, dat de rol van de tussentijdse vordering anders is dan bij bestaande vormen van originaire verkrijging. Op andere punten volgt art. 7:53 lid 4 BW het geschetste patroon van zaaksvervanging wel. Zo verkrijgt de pandgever als deel van de eerste stap door overdracht de vervangende effecten, waarna de wet hieraan in de tweede stap ten behoeve van de pandhouder het ontstaan van een pandrecht koppelt, hoewel dit niet noodzakelijk is als de overdragende partij zelf een pandrecht voorbehoudt. Dat bij deze rechtsverkrijging wordt teruggegrepen op een situatie die niet direct vóór de verkrijging bestond, is van minder belang. Mijns inziens is de van de andere toepassingen van zaaksvervanging afwijkende regel van de financiëlezekerheidsovereenkomst niet van dien aard dat hij de stelling dat zaaksvervanging een originaire verkrijging inhoudt, ontkracht. Hij roept, evenals het eerder vastgestelde ontbreken van een beschermingsnoodzaak, wel de vraag op of de wetgever bij invoering van titel 7.2 BW een bepaling van zaaksvervanging aan het BW heeft toegevoegd.7