Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/4.3
4.3 Herkomst van nieuwe rechten: originaire verkrijging
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS624004:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 294; Langemeijer 1927, p. 3; Wichers 2002, p. 311, nt. 130; Bos 2005, p. 29. Zie ook HR 6 januari 1961, NJ 1962, 19, AA 1961, p. 271-275 (Seneca-Forumbank). Vgl. Sagaert 2003, p. 354 en 698.
Hammerstein (1977, p. 103) stelt dat oneigenlijke zaaksvervanging niet van rechtswege plaatsvindt.
Het onderscheid derivatief/originair is volgens Jansen (2005 (2007), p. 51) terug te voeren op het natuurrecht en geïntroduceerd door Hugo de Groot.
Zie voor een uitgebreider overzicht: Wichers 2002, p. 307. Zie ook Jansen 2005 (2007), p. 49.
Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 192.
Zie Pitlo/Reehuis 2006, nr. 94.
Zie Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 244.
Zie Diephuis 1885, p. 31
Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 192: 'Derivatieve verkrijging doet zich voor wanneer iemand een recht verkrijgt dat daarvoor aan een ander toebehoorde.; Pitlo/Reehuis 2006, nr. 94: 'Derivatief is de verkrijging, waarbij de verkrijger zijn recht op het goed aan een ander – zijn rechtsvoorganger – ontleent'; Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 244: 'Bij de derivatieve verkrijging is er sprake van een overgang van het goed van de één (de rechtsvoorganger) op de ander (de rechtsopvolger). De verkrijger ontleent hier zijn recht op dat goed aan zijn voorganger.'
Anders Biemans 2007, p. 93. Hij draait de redenering mijns inziens ten onrechte om en definieert originaire verkrijgingen als verkrijgingen van een volledig in plaats van een nieuw recht. Hieruit leidt hij vervolgens af dat alle verkrijgingen die niet een volledig onbezwaard recht inhouden, dus derivatief moeten zijn.
Zie ook Pitlo/Gerver 1995, p. 216.
Zie Jansen 2005 (2007), p. 49.
Zie ook Wichers 2002, p. 307-308; Pitlo/Reehuis 2006, nr. 94; De long 2006, nr. 98.
Vgl. Jansen 2005 (2007), p. 49.
Ook onteigening en ruilverkaveling geven aanleiding tot originaire verkrijgingen, maar deze rechtsfiguren laat ik vanwege hun deels publiekrechtelijke karakter buiten beschouwing.
Hiermee is geen volledig overzicht gegeven van originaire verkrijgingen in het BW. Andere mogelijk originaire verkrijgingen, zoals op grond van art. 3:86 lid 3 BW (waarover bijvoorbeeld Lokin 1995), blijven buiten beschouwing.
Vgl. Struycken 2007, p. 801.
98.
Het verband tussen originaire verkrijging en zaaksvervanging is in de literatuur reeds op meer plaatsen gelegd. H. Snijders brengt een paragraaf over zaaksvervanging onder in een hoofdstuk met de titel originaire wijzen van verkrijging, Langemeijer noemt de toevallige vermenging van zaken met mede-eigendom als gevolg als voorbeeld van zaaksvervanging, Wichers constateert verwantschap tussen art. 5:14 lid 2 en 5:16 lid 1 BW en zaaksvervanging en Bos stelt onomwonden dat zaaksvervanging een vorm van originaire verkrijging is.1 Deze opmerkingen, samen met het in paragraaf 1.6 bepleite uitgangspunt dat zaaksvervanging in dit proefschrift geacht wordt gepaard te gaan met de verkrijging van een nieuw recht, vormen de aanleiding voor de onderstaande vergelijking van zaaksvervanging met originaire verkrijgingen.
Uit de beschrijving van de bestaande toepassingen en de ratio blijkt dat zaaksvervanging in beginsel van rechtswege op grond van een specifieke wettelijke bepaling optreedt.2 Deze wijze van verkrijgen van rechten komt in beginsel overeen met originaire verkrijgingen. Door middel van een vergelijking van zaaksvervanging met dit onderdeel van het goederenrecht, wordt in het navolgende een antwoord gezocht op de vraag hoe originaire verkrijgingen leiden tot de verkrijging (en het verlies) van rechten en hoe zaaksvervanging past in het rechtssysteem. Daarbij moet met zaaksvervanging worden bereikt, dat de positie van betrokkenen ten opzichte van het oorspronkelijke goed wordt gehandhaafd ten aanzien van het vervangende goed. Het nieuwe recht dat door middel van zaaksvervanging wordt verkregen, dient daarom eigenschappen te hebben die zoveel mogelijk overeenstemmen met die van het voorgaande, oorspronkelijke recht.
99. Om vast te kunnen stellen welke bepalingen in de vergelijking met originaire verkrijgingen moeten worden betrokken, moet echter eerst een antwoord worden geformuleerd op de vraag wat een originaire verkrijging is.3 In de handboeken treft men onder andere de volgende beschrijvingen van originaire verkrijging aan.4 Van originaire, of oorspronkelijke, verkrijging is sprake wanneer een nieuw recht bij de verkrijger ontstaat.5 Originair is de verkrijging, waarbij de verkrijger een recht verwerft dat hij niet ontleent aan dat van een voorganger, doch dat nieuw bij de verkrijger ontstaat.6 De originaire verkrijger ontleent zijn recht op een goed niet aan een voorganger.7 Een oorspronkelijke, zelfstandige verkrijging vindt plaats wanneer men op zichzelf en onafhankelijk van dat van een ander, een recht verkrijgt, dat daarom zijn grond niet heeft in het bestaande recht van een ander.8
De originaire verkrijging wordt dus voornamelijk gedefinieerd door haar af te zetten tegen haar tegenhanger, derivatieve verkrijging, net zoals roerende zaken gedefinieerd worden door de uitsluiting van onroerende zaken (zie art. 3:3 lid 2 BW). Bij derivatieve of afgeleide verkrijging berust de verkrijging op de overgang van een bestaand recht van een rechtsvoorganger.9 Er bestaat reeds een juridische aanspraak en deze gaat (deels) in de bestaande vorm over op de rechtsverkrijger. Ervan uitgaande dat alle wijzen van verkrijging in een van deze twee categorieën zijn onder te brengen en een derde categorie is uitgesloten, is een originaire verkrijging een niet-derivatieve verkrijging. Originaire verkrijgingen zijn daarmee naar mijn mening te definiëren als alle verkrijgingen van een nieuw recht, waarbij het verkregen recht niet is afgeleid van het recht van een voorganger, dat wil zeggen dat geen sprake is van een overgang van een recht. Dit sluit niet uit dat er een rechtsvoorganger is aan te wijzen die vergelijkbare aanspraken op hetzelfde goed had.10 De kenmerken van het recht van de voorganger zijn echter niet bepalend voor het recht van de originaire verkrijger.11 De originaire verkrijger heeft om deze reden ook in beginsel niets met de juridische voorgeschiedenis van een zaak te maken.12
Dat het recht niet van de rechtsvoorganger afkomstig is, betekent dat het nieuwe recht een andere bron moet hebben. Toewijzing op grond van de wet ligt dan het meest voor de hand. De kwalificatie originaire verkrijging houdt mijns inziens geen oordeel in over de omvang van het nieuw verkregen recht.13 In veel gevallen zal het gaan om een volledig, onbelast (eigendoms)recht, maar noodzakelijk is dat niet. Het nieuwe recht kan, afhankelijk van de reden voor toewijzing, een beperkt recht of een met een beperkt recht bezwaard recht zijn. In dat laatste geval ontstaat vaak tevens op originaire wijze een beperkt recht. Om de omvang van het verkregen recht te bepalen, moet worden bekeken waarom en op welke wijze iemand verkrijgt.14
100. Toe-eigening, vinderschap, schatvinding, natrekking, vermenging, zaaksvorming en vruchttrekking (art. 5:1 lid 3 en 5:4 t/m 5:17 BW) worden in de literatuur gerekend tot de originaire verkrijgingen.15 Hetzelfde kan gezegd worden van de rechtsverkrijging die optreedt bij afscheiding van bestanddelen, al dan niet op grond van een afscheidingrecht of ius tollendi en bij verkrijgende verjaring, nu hierbij steeds een recht wordt verkregen dat niet is afgeleid van het recht van een rechtsvoorganger.16 Voor de vergelijking met zaaksvervanging is het van belang na te gaan waar de rechtsverkrijging bij deze voorbeelden op is gestoeld en welke omvang het verkregen recht heeft, zodat kan worden bezien in hoeverre zaaksvervanging aansluit bij reeds bestaande uitgangspunten en dogmatische fundamenten van het goederenrecht.17
4.3.1 Toe-eigening4.3.2 Vinderschap4.3.3 Schatvinding4.3.4 Natrekking4.3.5 Vermenging4.3.6 Zaaksvorming4.3.7 Afscheiding en splitsing4.3.8 Vruchttrekking4.3.9 Ius tollendi4.3.10 Verkrijgende verjaring4.3.11 Kenmerken van originaire verkrijgingen