Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/5.6.1
5.6.1 Inleiding
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949884:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:119 lid 5 Wft: “Voor de toepassing van dit artikel wordt onder polishouder verstaan de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger, doch indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, de tot de uitkering gerechtigde. In het geval van overdracht door een levensverzekeraar wordt, indien de verzekeringnemer bij een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet met een verzekeraar ontbreekt, onder polishouder verstaan degene die wegens het verbreken van de band met de onderneming van zijn werkgever een premievrije aanspraak op uitkeringen heeft verkregen. In afwijking van de eerste en tweede volzin wordt ingeval van een collectieve levensverzekering voor de toepassing van het tweede lid het aantal verzekerden in aanmerking genomen.”
Art. 2:316 lid 2 BW: “Tot een maand nadat alle te fuseren rechtspersonen de nederlegging of openbaarmaking van het voorstel tot fusie hebben aangekondigd kan iedere schuldeiser door het indienen van een verzoek bij de rechtbank tegen het voorstel tot fusie in verzet komen met vermelding van de waarborg die wordt verlangd. De rechtbank wijst het verzoek af, indien de verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon na de fusie minder waarborg zal bieden dat de vordering zal worden voldaan, en dat van de rechtspersoon niet voldoende waarborgen zijn verkregen.” Art. 2:316 BW bevat geen artikellid met een definitie van “schuldeiser” specifiek voor deze verzetregeling.
Art. 2:334l lid 1 BW: “Tot een maand nadat alle partijen bij de splitsing de nederlegging of openbaarmaking van het voorstel tot splitsing hebben aangekondigd kan iedere wederpartij bij een rechtsverhouding van zulk een partij door een verzoekschrift aan de rechtbank tegen het voorstel tot splitsing in verzet komen op grond dat het voorstel ten aanzien van zijn rechtsverhouding strijdt met artikel 334j of dat een krachtens artikel 334k verlangde waarborg niet is gegeven. In het laatste geval vermeldt het verzoekschrift de waarborg die wordt verlangd. De rechtbank wijst het verzoek af, indien de verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon na de splitsing minder waarborg zal bieden dat de vordering zal worden voldaan, en dat van de rechtspersoon niet voldoende waarborgen zijn verkregen.” Art. 2:334l lid 1 BW heeft het er weliswaar over dat iedere wederpartij bij een rechtsverhouding in verzet kan komen, maar dat heeft als achtergrond dat er zowel een recht van verzet is op grond dat het voorstel tot splitsing ten aanzien van een rechtsverhouding strijdt met art. 2:334j BW als dat een krachtens art. 2:334k BW door een schuldeiser verlangde waarborg niet is gegeven. Voor wat betreft art. 2:334l juncto 2:334k BW gaat het om een recht van verzet voor iedere schuldeiser. Art. 2:334k BW kent namelijk alleen aan een “schuldeiser” het recht toe om te verlangen dat zekerheid wordt gesteld of hem een andere waarborg wordt gegeven voor de voldoening van zijn vordering. Art. 2:334l BW en art. 2:334k BW bevatten ook geen artikellid met een definitie van “schuldeiser”.
“Schuldeiser” in art. 2:316 BW en art. 2:334l BW ten opzichte van “polishouder” in art. 3:119 Wft
Het verzetrecht van art. 3:119 Wft in het geval van portefeuilleoverdracht, juridische fusie of juridische splitsing van een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar is een verzetrecht voor “polishouders”.1 Het verzetrecht van art. 2:316 BW in geval van een juridische fusie is daarentegen een verzetrecht voor iedere “schuldeiser”.2 Iedere “schuldeiser” kan tot een maand nadat alle te fuseren rechtspersonen de nederlegging van het voorstel tot fusie hebben aangekondigd tegen het voorstel tot fusie in verzet komen. Hij moet dat doen door het indienen van een verzoek bij de rechtbank met vermelding van de waarborg die hij verlangt. Ook tegen een voorstel tot splitsing kan iedere “schuldeiser” tot een maand nadat alle partijen bij de splitsing de nederlegging van het voorstel tot splitsing hebben aangekondigd door een verzoekschrift aan de rechtbank in verzet komen op grond dat een (krachtens art. 2:334k BW) verlangde waarborg niet is gegeven (art. 2:334l BW).3 Het betreft dus een verzoekschriftprocedure. Een nadien ingediend verzet is niet ontvankelijk. Als tijdig verzet is gedaan, mag de akte van fusie pas worden verleden, zodra het verzet is ingetrokken of de opheffing van het verzet uitvoerbaar is.4
Twee vereisten voor een geslaagd verzet van een schuldeiser op grond van Boek 2 BW in geval van juridische fusie en juridische splitsing
In feite zijn er twee vereisten voor een geslaagd verzet tegen een voorstel tot fusie of een voorstel tot splitsing:
1e: degene die in verzet komt moet dus “schuldeiser” zijn (zie hierna hoofdstuk 5.6.2);
2e: de verzoeker moet aannemelijk maken dat de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon na de fusie of splitsing minder waarborg zal bieden dat de vordering zal worden voldaan en dat van de rechtspersoon niet voldoende waarborgen zijn verkregen (zie hierna hoofdstuk 5.6.3).
Ik bespreek beide vereisten teneinde te onderzoeken in hoeverre de betrokken polishouder op grond van Boek 2 BW een recht van verzet heeft indien de verzekeringsportefeuille waarvan de verzekeringsovereenkomst deel uitmaakt door een juridische fusie of een juridische splitsing overgaat naar een andere verzekeraar.