Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/2.6.3
2.6.3 De aansprakelijkheid ingeval van faillissement
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631694:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De art. 2:138 BW en 2:248 BW zien op respectievelijk de NV en de BV, maar zijn van overeenkomstige toepassing in geval van faillissement van een vereniging waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte en die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen of die bij of krachtens de wet verplicht is een financiële verantwoording op te stellen die gelijk of gelijkwaardig is aan een jaarrekening als bedoeld in Titel 9 van Boek 2 BW (art. 2:50a BW) en in geval van faillissement van een stichting die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen of die bij of krachtens de wet verplicht is een financiële verantwoording op te stellen die gelijk of gelijkwaardig is aan een jaarrekening als bedoeld in Titel 9 van Boek 2 BW (art. 2:300a BW). Dit laatste ziet op semipublieke instellingen die geen jaarrekeningplicht op grond van Boek 2 BW hebben, maar wel op grond van bijzondere wetgeving: zorginstellingen, pensioenfondsen en onderwijsinstellingen. Zie voor de commissarissen de art. 2:50a lid 3; 2:149; 2:259; en 2:300a lid 3 BW. Wat de RvC betreft geldt als uitgangspunt dat eerst moet worden vastgesteld of het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, waarna – als die vraag bevestigend moet worden beantwoord – de vraag aan de orde komt of de RvC zijn toezichthoudende taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Pas nadat is vastgesteld dat in die mate sprake is van gebrekkig toezicht door het toezichthoudende orgaan, komt de vraag aan de orde of sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt. Zie Strik (2010), nr. 5.4.
Kamerstukken II, 1983-1984, 16 631, nr. 6, p. 20 (MvA). De Minister geeft aan dat er geen reden is om wat betreft de rechtsgrond van de aansprakelijkheid onderscheid te maken tussen situaties in en buiten faillissement, en dat onbehoorlijke taakvervulling grondslag kan zijn zowel voor aansprakelijkheid van de bestuurders tegenover de vennootschap als voor aansprakelijkheid tegenover de schuldeisers van de vennootschap. De beide aansprakelijkheden liggen in elkaars verlengde. Volgens de Minister gaat de uit (thans) art. 2:9 BW voortvloeiende aansprakelijkheid verder dan de aansprakelijkheid jegens de schuldeisers, omdat gedrag dat schadelijk is voor de vennootschap maar niet tot haar faillissement leidt, reeds grond kan zijn voor een actie tegen de bestuurders. De Minister betoogt dat in zoverre een grotere verantwoordelijkheid van de bestuurders ten opzichte van de vennootschap ligt dan ten opzichte van de schuldeisers. Volgens de Minister (MvA, p. 34) hebben de art. 2:9 BW en 2:138/248 BW een gemeenschappelijke grondslag.
HR 8 juni 2001, JOR 2001/171 (Panmo), HR 26 oktober 2001, JOR 2002/2 m.nt. Bartman (Juno Properties) en HR 12 februari 2016, JOR 2016/223 m.nt. Borrius (Langelaar/Velenturf q.q.).
Ook hier zien we een uitwerking van het collegialiteitsbeginsel dat leidt tot hoofdelijke aansprakelijkheid.
De curator dient (primair) de belangen van de crediteuren te behartigen en de boedel is in dat verband niet meer dan een juridische constructie ten behoeve van de crediteuren.
Het gaat niet alleen om vennootschappen. Zie art. 2:50a BW en art. 2:300a BW, zoals die artikelen ingaande 1 juli 2021 luiden.
Vgl. Timmerman (2017), p. 39.
Het gaat hier om een doorlopende verplichting. De rechten en verplichtingen van de rechtspersoon moeten blijkens de wet te allen tijde kunnen worden gekend.
Voor de volledigheid merk ik op dat bezoldigde en onbezoldigde bestuurders van (kort gezegd) niet-commerciële stichtingen en verenigingen, alsmede informele verenigingen, zijn uitgezonderd van het bewijsvermoeden. Vgl. de Nota naar aanleiding van het verslag d.d. 9 november 2018, Kamerstukken II, 2018-2019, 34 491, nr. 6, p. 6-7.
HR 30 november 2007, JOR 2008/29 m.nt. Borrius (Blue Tomato B.V.). Zie voor een instructief overzicht van de werking van stelplicht en bewijslast r.o. 5.1-5.7 van Hof Arnhem-Leeuwarden 6 december 2016, JOR 2017/35 m.nt. Harmsen (Holding/Van Lelyveld q.q.). Ook het als onweerlegbaar geformuleerde vermoeden – dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld als niet is voldaan aan de verplichtingen uit art. 2:10 BW of art. 2:394 BW – wordt zo toegepast dat een bestuurder onder zijn aansprakelijkheid kan uitkomen als hij aannemelijk maakt dat er een andere belangrijke oorzaak voor het faillissement is. Vgl. Timmerman (2017), p. 40. Naast van buiten komende oorzaken, kan ook handelen of nalaten van een of meer bestuurders dat op zichzelf beschouwd geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert – en waarvan dus niet gezegd kan worden dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld – voldoende zijn voor het ontzenuwen van het in art. 2:248 lid 2 BW bedoelde vermoeden. Zie HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099 (Mobile Services-groep).
Murray (2016), p. 427.
Gerecht in Eerste Aanleg Curaçao 16 april 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:69, Rechtspraakbundel (2020), nr. 32 (De Winter q.q./Carmanco). Zie voor het hoger beroep (de noot van K. Frielink en M.V.R. Snel bij) GHvJ (Curaçao) 14 april 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:76 (Carmanco/De Winter q.q.) en ECLI:NL:OGHACMB:2020:77 (Cyberluck/De Winter q.q.), Cjb 2020/2, p. 178-201.
Iedere bestuurder van een rechtspersoon kan, nadat de rechtspersoon is gefailleerd, door de curator aansprakelijk worden gesteld op grond van art. 2:138/248 BW.1 De maatstaf die wordt gehanteerd is of het bestuur (als orgaan) zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld (derhalve de gedragsnorm van art. 2:9 BW heeft geschonden)2 en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling kan slechts worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zo zou hebben gehandeld.3 Is daarvan sprake dan is iedere bestuurder jegens de failliete boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan. Van kennelijk onbehoorlijk bestuur is reeds sprake als één van de bestuurders zich daaraan schuldig heeft gemaakt: dit wordt aan het gehele bestuur toegerekend.4 Omdat het een aansprakelijkheid jegens de boedel betreft, ofwel jegens de schuldeisers van de rechtspersoon, wordt deze aansprakelijkheid doorgaans gezien als een vorm van externe aansprakelijkheid.5
In de MvA6 wordt opgemerkt dat met het woord ‘kennelijk’ volstrekt duidelijk wordt gemaakt dat het onbehoorlijke karakter van het handelen of nalaten van het bestuur buiten kijf moet staan en dat er in geval van twijfel geen aansprakelijkheid ontstaat. Verder wordt opgemerkt dat onbehoorlijk bestuur moet worden onderscheiden van ‘onzakelijk’, ‘ondoordacht’, ‘onverstandig’ of ander voor de (schuldeisers van de) vennootschap7 nadelig uitgevallen bestuur dat op zichzelf niet onbehoorlijk behoeft te zijn. Volgens de Minister moet in de term ‘onbehoorlijk’ vooral het element van ‘verwijtbaarheid’ worden gelezen: gedrag dat in het bijzonder ten aanzien van de schuldeisers als onbehoorlijk moet worden aangemerkt. Materieel komt dit neer op de ernstig verwijt-maatstaf.8
Bijzonder aan de regeling is het daarin opgenomen bewijsvermoeden. Indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit art. 2:10 BW (de administratieplicht)9 of art. 2:394 BW (het tijdig openbaar maken van de jaarrekening), heeft het zijn taak onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.10 Een onbelangrijk verzuim wordt niet in aanmerking genomen. De bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden, is niet aansprakelijk (art. 2:138/248 lid 3 BW).
Een redelijke uitleg van de wet brengt met zich dat voor het ontzenuwen van het bewijsvermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Beroept een bestuurder zich in dat geval op een van buiten komende oorzaak (bijvoorbeeld het wegvallen van een belangrijke afnemer, de algehele economische neergang, kredietopzegging door de bank, afbranden van een bedrijfspand) en maakt de curator hem het verwijt dat hij ook heeft nagelaten het intreden van die van buiten komende oorzaak te voorkomen (bijvoorbeeld door willens en wetens niet aan de verzekeringsvoorwaarden te voldoen waardoor geen uitkering plaatsvindt), dan moet de bestuurder ook feiten en omstandigheden stellen en zonodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Slaagt de bestuurder daarin, dan is het weer aan de curator om aannemelijk maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling toch mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.11
In Nederland geldt dus dat het bestuur (dus ieder van de bestuurders) zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld wanneer het bestuur niet heeft voldaan aan de administratie- of deponeringsplicht (geen wettelijk vermoeden dus) en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. In de Caribische delen van het Koninkrijk geldt een enigszins van de Nederlandse wet afwijkende tekst. In art. 2:16 lid 2 BWC is bepaald dat, indien niet is voldaan aan de administratieplicht (art. 2:15 BWC) of de jaarrekening niet tijdig is of wordt opgemaakt, wordt vermoed dat er ook voor het overige sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur en dat onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Is niet aan de jaarrekening- of administratieplicht voldaan dan levert dat het (weerlegbare) vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur op. De woorden ‘ook voor het overige’ komen in de Nederlandse tegenhanger niet voor. Voor deze formulering is blijkens de MvT destijds (2004) gekozen om de ook in Nederland geldende, maar in de Nederlandse tekst slecht verwoorde gedachte te verduidelijken, dat bij overtreding van de administratieve plichten het vermoeden geldt dat het bestuur ook voor het overige zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld.12 In het geval de jaarrekening niet tijdig wordt opgemaakt (er bestaat geen met Nederland vergelijkbare publicatieplicht) wordt dus vermoed dat ook voor het overige sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur en ligt het op de weg van de aangesproken (ex-)bestuurder om feiten te stellen die dit vermoeden kunnen ontzenuwen.13
De vordering kan slechts worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement (art. 2:138/248 lid 6 BW). Is aan de bestuurder kwijting verleend dan staat dat aan het instellen van de vordering niet in de weg. De rechter heeft een matigingsbevoegdheid. Hij kan het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld. Wat betreft individuele bestuurders kan de rechter het bedrag van de aansprakelijkheid verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de tijd gedurende welke die bestuurder als zodanig in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling plaatsvond (art. 2:138/248 lid 4 BW).