Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/5.9.1
5.9.1 De bevoegde rechter
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631686:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In het wetsartikel stond tot 1 juli 2021 abusievelijk een verwijzing naar het per 1 januari 2015 vervallen art. 7:685 BW. Deze fout is hersteld en thans wordt verwezen naar art. 7:671b BW en art. 7:671c BW. Zie hierover en over de aanvankelijk voorgenomen maar later ingetrokken wens om de regeling in het algemeen deel van Boek 2 BW op te nemen Kamerstukken II, 2018-2019, 34 491, nr. 6 en 7.
Vgl. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb (2019), nr. 174. Zie ook Frielink (2021a), p. 469-470.
Ik zou verder de voorkeur geven aan deze formulering: “Met een bestuurder wordt voor de toepassing van dit artikel en van artikel 131 van dit Boek gelijkgesteld de persoon die als feitelijke bestuurder of als schaduwbestuurder is opgetreden”. Zie par. 6.7.2.
Bij de omzetting van Boek 2 BW van de Nederlandse Antillen naar (in dit geval) dat van Curaçao zijn enkele fouten in de tekst geslopen. Deze fouten zijn ingaande 1 januari 2021 hersteld.
Rb Rotterdam 26 juni 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:5150 (Meva Formworks Caribbean/X) overweegt dat de partijen in die zaak het erover eens zijn dat deze rechtbank bevoegd is van de onderhavige geschillen kennis te nemen en dat de rechtbank ambtshalve geen reden ziet daar anders over te denken. Meva Formworks Caribbean is gevestigd in Curaçao en de gedaagde is woonachtig in het arrondissement Rotterdam.
De Bock (2017), nr. 6.3.1 vermeldt dat het zijn ervaring is dat een kantonrechter in zaken die op bestuurders van rechtspersonen betrekking hebben, zijn absolute bevoegdheid niet of nauwelijks toetst als hij daartoe niet expliciet wordt uitgenodigd en dat, indien partijen een bestuurdersgeschil aanbrengen bij de sector kanton en er niet gerept wordt over het statutaire bestuurderschap, de kantonrechter de zaak zal afdoen als elke andere zaak. Hij verwijst in dit verband naar HR 8 oktober 1993, NJ 1994/211 m.nt. PAS (De Waard/Mooij Verf).
Hof Den Bosch 28 januari 2020, JOR 2021/2 m.nt. Roest (Lückers q.q./Incassobemiddeling) kent wat betreft de stelling van de curator dat een bepaalde persoon als feitelijke bestuurder dient te worden aangemerkt, betekenis toe aan het feit dat de curator door het ontbreken van een (deugdelijke) administratie de mogelijkheid is ontnomen om voldoende inzicht in de onderneming te verkrijgen en om zijn stellingen nader te onderbouwen. Annotator Roest heeft bezwaren tegen dit uitgangspunt, “omdat een ondeugdelijke administratie in beginsel geen rol kan spelen in het kader van de bewijslast van de curator dat de werknemer feitelijk bestuurder zou zijn. Immers, voor de werknemer van wie gesteld wordt dat hij feitelijk bestuurder is, geldt eenzelfde beperking: ook hij heeft geen toegang tot de administratie ter adstructie van zijn betwistingen”.
Zie voor het geval dat de eisende partij stelt geen statutaire bestuurder te zijn HR 8 oktober 1993, NJ 1994/211 m.nt. PAS (De Waard/Mooij Verf). Daaruit volgt dat de kantonrechter zich bevoegd kan achten als de (gewezen) bestuurder aangeeft dat hij geen statutaire bestuurder is of was.
Zie Kamerstukken II, 1980-1981, 16 631, nr. 3, p. 6: “De bewijslast dat een bepaalde persoon het beleid heeft bepaald als ware hij bestuurder, rust in beginsel op de curator.”
De exceptie van onbevoegdheid moet vóór alle weren ten gronde worden opgeworpen (art. 110 lid 1 Rv). Dat houdt in dat het verweer in het eerste door de gedaagde ingediende processtuk moet zijn opgenomen; of dat voor of na andere (principale) verweren gebeurt is niet relevant. Zie HR 29 april 1994, NJ 1994/488 (Edelsyndicaat/Van Hout).
Gaat het bijvoorbeeld om een relatief eenvoudige vraag, denk aan de vraag of de ene dan wel de andere set algemene voorwaarden houdende verschillende forumkeuzebedingen met een offerte zijn meegestuurd, dan kan bewijslevering zonder meer aan de orde zijn. Vgl. Rb Gelderland 24 september 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:4406 (Indicia Carréma/Dolfinarium Harderwijk). Wat betreft de vraag of een gedaagde als quasi-bestuurder dient te worden aangemerkt, zijn er vergelijkbare, eenvoudig te beantwoorden vragen denkbaar, die zich voor bewijslevering in deze voorfase kunnen lenen. Heeft de gedaagde zich bijvoorbeeld zelf als formele bestuurder van de rechtspersoon in het handelsregister laten inschrijven hoewel hij niet als zodanig is benoemd?
In artikel 2:131 BW is bepaald dat de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de vennootschap haar woonplaats heeft, kennis neemt van alle rechtsvorderingen betreffende de overeenkomst tussen de vennootschap en de bestuurder, daaronder begrepen de vordering bedoeld in artikel 2:138/2:248 BW, waarvan het bedrag onbepaald is of € 25.000 te boven gaat.1 Onder overeenkomst is hier ook begrepen een eventuele arbeidsovereenkomst. Voor de BV is hetzelfde bepaald in art. 2:241 BW.
Dat in art. 2:131 BW, wat betreft de duiding van de relatie tussen de vennootschap en de bestuurder, enkel wordt gesproken over rechtsvorderingen met betrekking tot de overeenkomst tussen de vennootschap en de bestuurder, acht ik niet heel gelukkig. Tussen de bestuurder en de rechtspersoon bestaat primair een organisatierechtelijke betrekking, een betrekking van eigen aard, geregeld in Boek 2 BW. Daarnaast kán sprake zijn van een contractuele relatie, maar dat hoeft niet. De verplichting tot behoorlijk bestuur is gebaseerd op de organisatierechtelijke betrekking, en dat geldt evenzeer voor een eventuele vordering die door de curator wordt ingesteld op basis van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dat in art. 2:131 BW is bepaald dat de vordering gebaseerd op art. 2:138 BW ‘daaronder’ is begrepen, dat wil zeggen onder het begrip overeenkomst, wekt verwarring en is systematisch onjuist. Dit punt is ook niet zonder belang. Zo wordt bijvoorbeeld in de literatuur verdedigd dat art. 2:131 BW niet van toepassing is op de feitelijke bestuurder, omdat tussen hem en de vennootschap in de regel geen overeenkomst in de zin van deze bepaling bestaat.2 Op grond van de gelijkstelling van de quasi-bestuurder met de statutaire bestuurder (art. 2:138/248 lid 7 BW) is op zich verdedigbaar dat die ook art. 2:131/241 BW omvat, maar mijn voorkeur gaat uit naar een andere redactie van de betreffende wettelijke bepalingen. Mede gelet op de tekst van art. 9 lid 1 BWC, is mijn voorstel om de wet als volgt aan te passen.
De eerste volzin van art. 2:131 BW zou als volgt kunnen luiden:
“De rechtbank, binnen welker rechtsgebied de vennootschap haar woonplaats heeft, neemt kennis van alle rechtsvorderingen die krachtens dit Boek of de statuten worden ingesteld tegen een bestuurder of de rechtspersoon, waarvan het bedrag onbepaald is of € 25.000 te boven gaat, daaronder begrepen de vordering bedoeld bij artikel 138 van dit Boek, alsook van de rechtsvorderingen waartoe de overeenkomst tussen een bestuurder en de rechtspersoon aanleiding geeft.”
Als de wet zou worden aangepast is het te overwegen om ook vorderingen gebaseerd op onrechtmatige daad onder deze bepaling te brengen. Relevant is immers primair de relatie tussen de (quasi-)bestuurder en de rechtspersoon, niet de grondslag van de vordering.
De eerste zin van lid 7 van art. 2:138 BW kan als volgt worden aangepast:
“Met een bestuurder wordt voor de toepassing van dit artikel en van artikel 131 van dit Boek gelijkgesteld degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder.”3
De voor de BV geldende bepalingen zouden dan in gelijke zin moeten worden aangepast. Aanpassing wat betreft de overige rechtspersonen is niet nodig, aangezien gebruik wordt gemaakt van schakelbepalingen.
In Curaçao bevat de wet in artikel 2:9 BWC een regeling voor alle rechtspersonen.4 Het Gerecht in Eerste Aanleg neemt kennis van alle rechtsvorderingen die krachtens Boek 2 BWC of de statuten tegen een bestuurder of de rechtspersoon worden ingesteld. Dit geldt ook voor alle rechtsvorderingen waartoe de overeenkomst tussen een bestuurder en de rechtspersoon aanleiding geeft.5 Hetzelfde geldt voor alle overige in Boek 2 BW geregelde procedures en voor procedures die voortvloeien uit een vennootschappelijke overeenkomst, met uitzondering van de enquêteprocedure. Verder is bepaald dat de statuten van een rechtspersoon kunnen bepalen dat alle of bepaalde geschillen tussen twee of meer van de in artikel 2:7 lid 1 BWC bedoelde personen als zodanig worden beslist door arbitrage of bindend advies.
In deze bepalingen wordt de bestuurder genoemd. Verdedigbaar is dat de gelijkstelling van de quasi-bestuurder met de formele bestuurder meebrengt dat ook een procedure tegen de quasi-bestuurder bij de hier genoemde rechter moet worden aangebracht, maar het is wellicht beter de volgende zin aan het eerste lid van art. 2:9 BWC toe te voegen:
“Het bepaalde in dit lid is van overeenkomstige toepassing op de feitelijke bestuurder en de schaduwbestuurder.”
Of iemand als quasi-bestuurder dient te worden aangemerkt zal pas blijken als een beroep op onbevoegdheid van de rechter is gedaan en daarover een debat is gevoerd.6 De vraag of iemand quasi-bestuurder is kan (en zal doorgaans) uiteraard ook aan de orde komen in het geval dat een curator een persoon in rechte betrekt, stellende dat hij quasi-bestuurder is, en in dat kader daarvoor het bewijs moet leveren.7
Ik hanteer als eerder uiteengezet (par. 4.14) in deze studie een ruim begrip ‘bestuurder’:
iedere persoon die de bestuursfunctie formeel uitoefent;
iedere persoon die de bestuursfunctie feitelijk uitoefent (en daarmee – al dan niet tezamen met anderen – beslissende invloed uitoefent); en
iedere persoon die door middel van instructies of op basis van gemaakte afspraken beslissende invloed uitoefent op het handelen en/of de besluitvorming van het formele bestuur.
Er kunnen zich verschillende gevallen voordoen. Zo kan degene die als gedaagde/verweerder wordt betrokken in een rechtszaak voor de rechter van de plaats van de rechtspersoon, zich op de onbevoegdheid beroepen met de stelling dat hij geen quasi-bestuurder is en derhalve niet met een formele bestuurder kan worden gelijkgesteld, en dat er overigens geen gronden zijn voor het aannemen van bevoegdheid van deze rechter. Dit beroep zou alleen kunnen slagen indien naast hem geen anderen zijn gedagvaard die de aangezochte rechter reeds bevoegd maken.
Het andere geval is dat de betrokkene als gedaagde/verweerder wordt betrokken in een rechtszaak voor een andere rechter dan die van de plaats van de rechtspersoon. Een beroep op onbevoegdheid ligt misschien niet voor de hand, maar is niet ondenkbaar. Als deze persoon weet dat de kans groot is dat hij (toch) als quasi-bestuurder wordt aangemerkt, zou hij uit tactische overwegingen een dergelijk beroep kunnen doen, bijvoorbeeld om de voortgang van de procedure (enigszins) af te remmen.
In zijn algemeenheid geldt dat de rechter die onderzoek naar de bevoegdheid doet, zich niet beperkt en ook niet behoort te beperken tot de stellingen van de eisende of verzoekende partij.8 De rechter moet acht slaan op alle ter beschikking staande gegevens inzake de hoedanigheid van partijen, of ruimer gezegd, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding (en in dit geval specifiek de vraag of de betrokken persoon voor wat betreft de vraag naar de bevoegdheid als quasi-bestuurder kan worden aangemerkt) en daarin, indien aanwezig, de stellingen van de verwerende partij betrekken. Laat de gedaagde verstek gaan dan kunnen enkel de stellingen van de eiser in het oordeel worden betrokken.9 De rechter hoeft echter geen gelegenheid tot het leveren van bewijs te geven. Een en ander betekent niet dat de rechter reeds in dit stadium, waarin het gaat om een oordeel over zijn bevoegdheid, een definitieve beslissing moet nemen over de vraag of de betrokken persoon als een quasi-bestuurder is aan te merken. Wat betreft het wel of niet aannemen van zijn bevoegdheid heeft het oordeel, behoudens hoger beroep en cassatie, als definitief te gelden, maar wat betreft het materiële geschil is de kwalificatievraag daarmee nog niet beantwoord.
Blijkens de MvT rust de bewijslast dat een bepaalde persoon als quasi-bestuurder dient te worden aangemerkt, in beginsel op de curator.10 Is door de gedaagde de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen11 en is derhalve de vraag naar de relatieve bevoegdheid van de rechtbank aan de orde, dan zullen aan de bewijslevering door de curator minder hoge eisen worden gesteld dan wanneer de vraag ten gronde aan de orde komt. Deze procedurele voorfase biedt immers in de regel minder gelegenheid tot debat en bewijsgaring en -levering dan de hoofdfase.12 De vraag of iemand (ten gronde) als quasi-bestuurder behoort te worden aangemerkt, dient te worden beantwoord aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het voorliggende geval. Het kan dus voorkomen dat de gedaagde in de voorfase – en dan gaat het om de processuele vraag of de geadieerde rechtbank relatief bevoegd is – als quasi-bestuurder wordt aangemerkt, maar ten gronde wordt geconcludeerd dat er geen redenen zijn om hem als zodanig te kwalificeren.13 In het eerste geval gaat het om een procesrechtelijk oordeel, in het tweede om een materieelrechtelijk oordeel.