Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.3.2
6.3.2 De splitsingsregeling
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648844:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het vereiste dat er bij een splitsing sprake moet zijn van een structuurwijziging, zou ervoor moeten zorgen dat splitsing niet slechts een middel is dat wordt ingezet om op een eenvoudige manier vermogen over te dragen, aldus de Memorie van Toelichting bij artikel 2:334a BW.
De literatuur is het erover eens dat de nodige flexibiliteit geboden dient te worden; zie: Timmerman 2004, p. 2-4; Van Solinge 2003, p. 17-37; Leijten 2004 en Slagter 2005, p. 614.
Het is zowel in het belang van de schuldenaar, als in het belang van de schuldeiser, dat de continuïteit van de vennootschap niet in gevaar komt. Hierbij lopen de belangen van beide partijen dan ook parallel. Teveel bescherming van schuldeisers zou de gewenste flexibiliteit in gevaar kunnen brengen en in het nadeel van de schuldeisers kunnen werken.
In het kader van deze studie zullen alleen splitsingsituaties waarbij BV’s en NV’s betrokken zijn, worden behandeld. De splitsingsregeling is in beginsel van toepassing op rechtspersonen, doch zij is niet van toepassing op informele verenigingen en verenigingen van appartementseigenaren (zie artikel 2:308 lid 2 BW) en ook niet op publieke rechtspersonen (zie Van Olffen, Buijn & Simonis 2004, p. 24), terwijl kerkgenootschappen wel van de splitsingsregeling gebruik kunnen maken (zie Buijn 1996, p. 12 en Verstappen 1996, p. 35 e.v.). Voorts zijn er naast beperkingen in entiteiten ook beperkingen in situaties, zo is een ‘upstreamsplitsing’ alleen mogelijk in geval van de beëindiging van een joint venture; zie: Van Olffen, Buijn & Simonis 2004, p. 25.
De communautaire wetgever heeft voorschriften gegeven met betrekking tot zuivere splitsing van NV’s in de Zesde richtlijn. Ondanks het feit dat deze richtlijn geen verplichting oplegt aan nationale wetgevers om een regeling inzake splitsing op te nemen, heeft de Nederlandse wetgever hier toch voor gekozen.
Zie voor deze hoofdregel artikel 2:334e lid 1 BW. Op deze hoofdregel bestaan krachtens de wet een aantal uitzonderingen. Deze zijn vervat in artikel 334e lid 2 BW (door of voor rekening houden van aandelen in het kapitaal van een splitsende vennootschap; zie ook artikel 334x lid 4 BW: verval van aandelen); artikel 334e lid 3 sub a BW (splitsende rechtspersoon krijgt bij splitsing alle aandelen in bij splitsing opgerichte NV’s of BV’s; zie ook artikel 334b lid 4 BW); artikel 334cc BW (onderscheiden aandeelhouders van de splitsende vennootschap worden aandeelhouders van onderscheiden verkrijgende vennootschappen); artikel 334ii BW (driehoeksplitsing); artikel 334e lid 3 sub c BW (krachtens ruilverhouding van de aandelen bestaat zelfs geen recht op een enkel aandeel).
Hierdoor bestaat een aantal beperkingen in de mogelijkheden van de splitsing. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om door afsplitsing vermogen van een bestaande volle dochtermaatschappij naar de moedermaatschappij te laten overgaan. Het is voorts niet mogelijk dat zowel de splitsende vennootschap als de aandeelhouders aandeelhouder worden van de verkrijgende vennootschap. Ook is het niet mogelijk dat het totale vermogen van een vennootschap wordt afgesplitst naar een andere vennootschap waarvan de aandeelhouders van de splitsende vennootschap aandeelhouder worden. De splitsende vennootschap zou dan zonder enig vermogen achterblijven en ingevolge artikel 334c lid 1 BW ophouden te bestaan, hetgeen in strijd is met de in artikel 334a lid 3 BW voorziene eis dat de afsplitsende vennootschap juist niet ophoudt te bestaan.
Zie de artikelen 2:334f BW en 2:334y BW.
Zie de artikelen 2:334g BW en 2:334z BW.
Een tussentijdse vermogensopstelling dient te worden opgesteld wanneer de laatst vastgestelde jaarrekening is verouderd, of wanneer de laatste jaarrekening niet is gepubliceerd, bijvoorbeeld vanwege de toepassing van het 403-regime. Een accountantsverklaring is bij een tussentijdse vermogensopstelling niet vereist. Een uitzondering hierop geldt wanneer een rechtspersoon voldoet aan de vereisten omtrent de halfjaarlijkse financiële verslaglegging genoemd in artikel 5:25d Wet op het financieel toezicht, zie toekomstig artikel 2:334g BW lid 3 (Kamerstukken II 2010/11, 32458).
Zie artikel 2:334h BW. Zie voorts de artikelen 2:334aa BW, 2:334bb BW en 2:334cc sub c BW. Ingevolge artikel 2:334aa lid 6 BW zijn de leden 2 en 3 van artikel 2:334h BW van overeenkomstige toepassing verklaard.
Voor alle splitsingen geldt dat de openbaarmaking van het voorstel tot splitsing met financiële gegevens, en het ter inzage neerleggen van deze stukken samen met de toelichtingen, wordt voorgeschreven door artikel 2:334h BW. Wanneer sprake is van een splitsing van een NV of een BV of bij de splitsing een NV of een BV wordt opgericht, gelden aanvullende voorschriften die worden gegeven in artikel 2:334aa lid 6, artikel 2:334bb lid 2 en artikel 2:334dd.
Zie artikel 2:334m BW. Bij de besluitvorming dient artikel 2:334ee BW in acht te worden genomen. Wanneer alle verkrijgende rechtspersonen bij de splitsing opgerichte NV’s of BV’s zijn en de splitsende vennootschap bij de splitsing enig aandeelhouder wordt van deze verkrijgende vennootschappen, dan geldt dat het besluit in beginsel door het bestuur wordt genomen, zie artikel 2:334ff BW. In dit laatste geval dienen de voorschriften van artikel 2:334ff lid 2 en lid 3 in acht te worden genomen.
Zie artikel 2:334j BW jo. artikel 2:334l lid 1 BW.
De wetgever heeft enkele voorbeelden gegeven van dergelijke situaties, zie Kamerstukken II 1995/96, 24702, nr. 3, p. 13.
Zie artikel 2:334k BW jo. artikel 2:334l lid 1 BW.
Het verschil tussen deelbare en ondeelbare verbintenissen is niet altijd duidelijk. Ik zal hier niet nader ingaan op deze problematiek.
Zie artikel 2:334j BW.
De wetgever heeft enkele voorbeelden gegeven van dergelijke situaties, zie Kamerstukken II 1996/97, 24702, nr. 3, p. 13.
Zie daarover Blei Weissmann, art. 6:6, aant. 7.
In de praktijk wordt dit probleem vaak ondervangen door in het splitsingsvoorstel een algemene restbepaling op te nemen waarin wordt bepaald dat niet nader genoemde vermogensbestanddelen zullen overgaan op, of zullen achterblijven bij, één nader te noemen bij de splitsing betrokken vennootschap.
Zie Buijn 2001, p. 388.
Onder bijzonder rechthebbende, zoals bedoeld in artikel 2:334p BW, worden verstaan niet-aandeelhouders die bijzondere vermogensrechten hebben ten aanzien van de splitsende rechtspersoon, zoals rechten op een uitkering van winst of tot het nemen van aandelen. De rechten van houders van met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten vallen niet onder de bijzonder rechthebbenden van artikel 2:334p BW. Wel vallen de rechten van houders van oprichters- en winstbewijzen, houders van converteerbare obligaties of andere rechten tot het nemen van aandelen onder de bijzonder rechthebbenden van voornoemd artikel.
Er kan een recht worden verkregen ten aanzien van één van de verkrijgende vennootschappen, maar ook is het mogelijk dat de bijzonder rechthebbende rechten verkrijgt ten aanzien van verschillende verkrijgende vennootschappen.
Evenals fusie is splitsing een juridisch instrument dat wordt gebruikt om structuurwijzigingen binnen een concern door te voeren.1 Het 403-regime is een typisch concernrechtelijk item, dus situaties waarbij het 403-regime en fusie elkaar ontmoeten, zijn niet slechts denkbeeldig.
Met de huidige splitsingsregeling heeft de wetgever geprobeerd om een balans aan te brengen tussen enerzijds de benodigde flexibiliteit voor ondernemingen om hun structuur aan te passen2 en anderzijds de bescherming van schuldeisers tegen een benadeling door splitsing.3 De splitsing van rechtspersonen4 is geregeld in titel 7 van boek 2 BW.5Artikel 2:334a BW luidt als volgt:
Artikel 334a
Splitsing is zuivere splitsing en afsplitsing.
Zuivere splitsing is de rechtshandeling waarbij het vermogen van een rechtspersoon die bij de splitsing ophoudt te bestaan onder algemene titel overeenkomstig de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving wordt verkregen door twee of meer andere rechtspersonen.
Afsplitsing is de rechtshandeling waarbij het vermogen of een deel daarvan van een rechtspersoon die bij de splitsing niet ophoudt te bestaan onder algemene titel overeenkomstig de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving wordt verkregen door een of meer andere rechtspersonen waarvan ten minste één overeenkomstig het bepaalde in deze of de volgende afdeling lidmaatschapsrechten of aandelen in zijn kapitaal toekent aan de leden of aan aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon of waarvan ten minste één bij de splitsing door de splitsende rechtspersoon wordt opgericht.
Partij bij de splitsing is de splitsende rechtspersoon alsmede elke verkrijgende rechtspersoon, met uitzondering van rechtspersonen die bij de splitsing worden opgericht.
Onder splitsing worden twee varianten begrepen: zuivere splitsing en afsplitsing. De overgang van het vermogen van een splitsende rechtspersoon geschiedt onder algemene titel. Bij splitsing kan een vennootschap verdwijnen maar noodzakelijk is dat niet.
Gaat het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon over op twee of meer andere rechtspersonen,6 dan is sprake van een zuivere splitsing en houdt de splitsende rechtspersoon op te bestaan. De aandeelhouders van de splitsende vennootschap dienen bij de splitsing aandelen te verkrijgen in het kapitaal van alle verkrijgende vennootschappen.7
Gaat niet het gehele vermogen over, en blijft de splitsende rechtspersoon bestaan, dan is sprake van afsplitsing. Bij afsplitsing kan er vermogen overgaan op één of meer verkrijgende vennootschappen. Minimaal één verkrijgende vennootschap dient aandelen in haar kapitaal toe te kennen aan de aandeelhouders van de splitsende vennootschap.8 Dit is slechts anders wanneer er bij de splitsing een nieuwe vennootschap wordt opgericht.
Om tot een splitsing te komen, dient de splitsingsprocedure te worden doorlopen. In die procedure zijn waarborgen ingebouwd die schuldeisers dienen te beschermen. In de voorbereidende fase wordt overeenkomstig artikel 2:334f BW een gezamenlijk voorstel tot splitsing9 en een toelichting10 daarop opgesteld:
Artikel 334f
De besturen van de partijen bij de splitsing stellen een voorstel tot splitsing op.
Dit voorstel vermeldt ten minste:
de rechtsvorm, naam en zetel van de partijen bij de splitsing en, voor zover de verkrijgende rechtspersonen bij de splitsing worden opgericht, van deze rechtspersonen;
de statuten van de verkrijgende rechtspersonen en van de voortbestaande splitsende rechtspersoon, zoals die statuten luiden en zoals zij na de splitsing zullen luiden dan wel, voor zover de verkrijgende rechtspersonen bij de splitsing worden opgericht, het ontwerp van de akte van oprichting;
of het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon zal overgaan of een gedeelte daarvan;
een beschrijving aan de hand waarvan nauwkeurig kan worden bepaald welke vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon zullen overgaan op elk van de verkrijgende rechtspersonen en, indien niet het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon zal overgaan, welke vermogensbestanddelen door hem zullen worden behouden, alsmede een pro forma winst- en verliesrekening dan wel exploitatierekening van de verkrijgende rechtspersonen en de voortbestaande splitsende rechtspersoon;
de waarde, bepaald naar de dag waarop de in artikel 334g lid 2 bedoelde jaarrekening of tussentijdse vermogensopstelling van de splitsende rechtspersoon betrekking heeft en berekend met inachtneming van de derde zin van die bepaling, van het deel van het vermogen dat elke verkrijgende rechtspersoon zal verkrijgen en van het deel dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon zal behouden, alsmede de waarde van aandelen in het kapitaal van verkrijgende rechtspersonen die de voortbestaande splitsende rechtspersoon bij de splitsing zal verkrijgen;
welke rechten of vergoedingen ingevolge artikel 334p ten laste van de verkrijgende rechtspersonen worden toegekend aan degenen die anders dan als lid of aandeelhouder bijzondere rechten hebben jegens de splitsende rechtspersoon, zoals rechten op een uitkering van winst of tot het nemen van aandelen, en met ingang van welk tijdstip de toekenning geschiedt;
welke voordelen in verband met de splitsing worden toegekend aan een bestuurder of commissaris van een partij bij de splitsing of aan een ander die bij de splitsing is betrokken;
de voornemens over de samenstelling na de splitsing van de besturen van de verkrijgende rechtspersonen en van de voortbestaande splitsende rechtspersoon, alsmede, voor zover er raden van commissarissen zullen zijn, van die raden;
het tijdstip met ingang waarvan financiële gegevens betreffende elk deel van het vermogen dat zal overgaan zullen worden verantwoord in de jaarrekening of andere financiële verantwoording van de verkrijgende rechtspersonen;
de voorgenomen maatregelen in verband met het verkrijgen door de leden of aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon van het lidmaatschap of aandeelhouderschap van de verkrijgende rechtspersonen;
de voornemens omtrent voortzetting of beëindiging van werkzaamheden;
wie in voorkomend geval het besluit tot splitsing moet goedkeuren.
Het voorstel tot splitsing wordt ondertekend door de bestuurders van elke partij bij de splitsing; ontbreekt de handtekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van redenen melding gemaakt.
Tenzij alle partijen bij de splitsing verenigingen of stichtingen zijn, moet het voorstel tot splitsing zijn goedgekeurd door de raden van commissarissen en wordt het door de commissarissen mede ondertekend; ontbreekt de handtekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van redenen melding gemaakt. Voorts vermeldt het voorstel de invloed van de splitsing op de grootte van de goodwill en de uitkeerbare reserves van de verkrijgende rechtspersonen en van de voortbestaande splitsende rechtspersoon.
Het fusievoorstel geeft aldus aan hoe vermogensbestanddelen na de splitsing zullen zijn verdeeld, zie artikel 2:334f lid 2 sub b BW. Schuldeisers moeten weten wie hun wederpartij is na de splitsing. Daarnaast zullen ze een inschatting moeten kunnen maken wat de financiële positie van hun wederpartij zal zijn. Om die reden moet het voorstel tot splitsing en de toelichting daarop tezamen met de laatste drie jaarrekeningen, of een tussentijdse vermogensopstelling,11 een accountantsverklaring en een accountantsverslag12 openbaar te worden gemaakt en ter inzage te worden gelegd ten kantore van het Handelsregister.13
Evenals bij de groepsvrijstellingsregeling heeft de openbaarmaking van het splitsingsvoorstel en de daarbij behorende stukken het doel om derde partijen die beschermd moeten worden te informeren. De schuldeisers worden geacht op de hoogte te raken van een op handen zijnde splitsing door midel van een aankondiging daarvan in een landelijk verspreid dagblad.14 Een splitsing kan gevolgen hebben voor de positie van schuldeisers en andere belanghebbenden en hen wordt de mogelijkheid gegeven om in verzet te komen, zie artikel 2:334j BW, 2:334k BW en 2:334l BW:
Artikel 334j
Een rechtsverhouding waarbij de splitsende rechtspersoon partij is mag, op straffe van gegrondverklaring van een verzet als bedoeld in artikel 334l, slechts in haar geheel overgaan.
Is echter een rechtsverhouding verbonden met verschillende vermogensbestanddelen die op onderscheiden verkrijgende rechtspersonen overgaan, dan mag zij worden gesplitst in dier voege dat zij overgaat op alle betrokken verkrijgende rechtspersonen naar evenredigheid van het verband dat de rechtsverhouding heeft met de vermogensbestanddelen die elke rechtspersoon verkrijgt.
Indien een rechtsverhouding mede verbonden is met vermogensbestanddelen die de voortbestaande splitsende rechtspersoon behoudt, is lid 2 te zijnen aanzien van overeenkomstige toepassing.
De leden 1 tot en met 3 laten de rechten die de wederpartij bij een rechtsverhouding kan ontlenen aan de artikelen 334k en 334r onverlet.
Artikel 334k
Ten minste een van de partijen bij de splitsing moet, op straffe van gegrondverklaring van een verzet als bedoeld in artikel 334l, voor iedere schuldeiser van deze partijen die dit verlangt zekerheid stellen of hem een andere waarborg geven voor de voldoening van zijn vordering. Dit geldt niet, indien de schuldeiser voldoende waarborgen heeft of de vermogenstoestand van de rechtspersoon die na de splitsing zijn schuldenaar zal zijn niet minder waarborg zal bieden dat de vordering zal worden voldaan, dan er voordien is.
Artikel 334l
Tot een maand nadat alle partijen bij de splitsing de nederlegging of openbaarmaking van het voorstel tot splitsing hebben aangekondigd kan iedere wederpartij bij een rechtsverhouding van zulk een partij door een verzoekschrift aan de rechtbank tegen het voorstel tot splitsing in verzet komen op grond dat het voorstel ten aanzien van zijn rechtsverhouding strijdt met artikel 334j of dat een krachtens artikel 334k verlangde waarborg niet is gegeven. In het laatste geval vermeldt het verzoekschrift de waarborg die wordt verlangd. De rechtbank wijst het verzoek af, indien de verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon na de splitsing minder waarborg zal bieden dat de vordering zal worden voldaan, en dat van de rechtspersoon niet voldoende waarborgen zijn verkregen.
Voordat de rechter beslist, kan hij de partijen bij de splitsing in de gelegenheid stellen binnen een door hem gestelde termijn een door hem omschreven wijziging in het voorstel tot splitsing aan te brengen en het gewijzigde voorstel overeenkomstig artikel 334h openbaar te maken, onderscheidenlijk een door hem omschreven waarborg te geven.
Indien tijdig verzet is gedaan, mag de akte van splitsing eerst worden verleden, zodra het verzet is ingetrokken of de opheffing van het verzet uitvoerbaar is.
Indien de akte van splitsing al is verleden, kan de rechter op een ingesteld rechtsmiddel:
bevelen dat een rechtsverhouding die in strijd met artikel 334j is overgegaan geheel of gedeeltelijk wordt overgedragen aan een of meer door hem aan te wijzen verkrijgende rechtspersonen of aan de voortbestaande gesplitste rechtspersoon, of bepalen dat twee of meer van deze rechtspersonen hoofdelijk tot nakoming van de uit de rechtsverhouding voortvloeiende verbintenissen verbonden zijn;
bevelen dat een door hem omschreven waarborg wordt gegeven.
De rechter kan aan een bevel een dwangsom verbinden.
Indien door een overdracht als bedoeld in lid 4 onder a de overdragende of verkrijgende rechtspersoon nadeel lijdt, is de andere rechtspersoon gehouden dit goed te maken.
Nadat alle bij de splitsing betrokken partijen het fusievoorstel openbaar hebben gemaakt en de splitsing hebben aangekondigd, begint er een termijn van een maand te lopen waarbinnen schuldeisers tegen de voorgenomen splitsing in verzet kunnen komen. Wanneer de verzettermijn is verlopen, volgt de besluitvormingsfase. Evenals bij fusie geldt dat schuldeisers aan de zijlijn staan wanneer het aankomt op het nemen van een besluit tot splitsing. Het besluit tot splitsing wordt in beginsel genomen door de algemene vergadering van aandeelhouders van de splitsende vennootschap.15 Voor de verkrijgende vennootschappen geldt in beginsel dat het bestuur hiertoe besluit.16 Uiteindelijk wordt de splitsing geëffectueerd door het passeren van de splitsingsakte bij de notaris. Een dag na het verlijden van de notariële akte komt de splitsing tot stand.
De verzetregeling bij splitsing is vergelijkbaar met de verzetregeling bij fusie. In geval van splitsing kan verzet worden gebaseerd op twee gronden. De eerste grond is dat de rechtsverhouding, waarbij de schuldeiser partij is, niet in het geheel overgaat of achterblijft.17 Slechts wanneer één rechtsverhouding ziet op verschillende vermogensbestanddelen die overgaan op verschillende vennootschappen, mag hierop een uitzondering worden gemaakt.18 De tweede grond is dat een door de schuldeiser verlangde zekerheid of waarborg niet is verleend.19 Of het verzet gegrond zal worden verklaard, hangt af van de vermogenstoestand van de vennootschap waarop de schuldeiser een vordering heeft na de splitsing en de waarborgen die een schuldeiser reeds heeft.
Naast de verzetregeling is er nog een regeling die de positie van schuldeisers van een bij een splitsing betrokken rechtspersoon beoogt te beschermen, de zogeheten aansprakelijkheidsregeling:
Artikel 334t
De verkrijgende rechtspersonen en de voortbestaande gesplitste rechtspersoon zijn aansprakelijk tot nakoming van de verbintenissen van de gesplitste rechtspersoon ten tijde van de splitsing.
Voor ondeelbare verbintenissen zijn de verkrijgende rechtspersonen en de voortbestaande gesplitste rechtspersoon elk voor het geheel aansprakelijk.
Voor deelbare verbintenissen is de verkrijgende rechtspersoon waarop de verbintenis is overgegaan of, zo de verbintenis niet op een verkrijgende rechtspersoon is overgegaan, de voortbestaande gesplitste rechtspersoon voor het geheel aansprakelijk. De aansprakelijkheid voor deelbare verbintenissen is voor elke andere rechtspersoon beperkt tot de waarde van het vermogen dat hij bij de splitsing heeft verkregen of behouden.
Andere rechtspersonen dan de rechtspersoon waarop de verbintenis is overgegaan of, zo de verbintenis niet op een verkrijgende rechtspersoon is overgegaan, dan de voortbestaande gesplitste rechtspersoon zijn niet tot nakoming gehouden voordat de laatstbedoelde rechtspersoon in de nakoming van de verbintenis is tekortgeschoten.
Ten aanzien van de aansprakelijkheid zijn de bepalingen betreffende hoofdelijke verbondenheid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2:334t BW regelt dat zowel de verkrijgende als de voortbestaande rechtspersoon aansprakelijk is voor de nakoming van de verbintenissen die bestaan ten tijde van de splitsing. Er is sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid20 waarbij enkele beperkingen zijn gesteld.21 Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen deelbare en ondeelbare verbintenissen.22
Voor deelbare verbintenissen geldt dat de rechtspersoon, op wie de verbintenis krachtens splitsing is overgegaan, of de splitsende rechtspersoon, wanneer de verbintenis niet krachtens splitsing is overgegaan, voor het geheel aansprakelijk is. Daarnaast is de andere rechtspersoon ook aansprakelijk, maar slechts tot de waarde van het vermogen dat wordt verkregen of behouden bij de juridische splitsing.
Voor ondeelbare verbintenissen geldt zelfs dat zowel de verkrijgende als de splitsende rechtspersoon voor het geheel aansprakelijk zijn. Rechtsverhoudingen dienen namelijk in het geheel over te gaan, of in het geheel achter te blijven.23 Daarvan mag slechts worden afgeweken wanneer één rechtsverhouding ziet op verschillende vermogensbestanddelen die overgaan op verschillende vennootschappen.24 De vraag of een rechtsverhouding deelbaar is, zal in dat geval positief moeten kunnen worden beantwoord.25 Wanneer het splitsingsvoorstel niet, of niet duidelijk, vermeldt of een vermogensbestanddeel achterblijft bij de splitsende vennootschap of op welke vennootschap het vermogensbestanddeel overgaat, dan geeft artikel 2:334s BW aan wie de rechthebbende van dat vermogensbestanddeel is:26
Artikel 334s
De leden 2 tot en met 4 zijn van toepassing indien van een vermogensbestanddeel aan de hand van de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving niet kan worden bepaald welke rechtspersoon daarop na de splitsing rechthebbende is.
Indien het gehele vermogen van de gesplitste rechtspersoon is overgegaan, zijn de verkrijgende rechtspersonen gezamenlijk rechthebbende. Elke verkrijgende rechtspersoon deelt in het vermogensbestanddeel naar evenredigheid van de waarde van het deel van het vermogen van de gesplitste rechtspersoon dat hij verkrijgt.
Indien niet het gehele vermogen is overgegaan, is de gesplitste rechtspersoon rechthebbende.
Voor zover verkrijgende rechtspersonen uit hoofde van lid 2 aansprakelijk zijn voor schulden, zijn zij hoofdelijk verbonden.
Wanneer het hele vermogen van de splitsende vennootschap overgaat, zijn de verkrijgende vennootschappen gezamenlijk rechthebbenden, naar evenredigheid van de waarde van het deel van het vermogen dat zij van de splitsende vennootschap hebben verkregen. Wanneer niet het gehele vermogen overgaat, is de splitsende vennootschap rechthebbende. Uit het vierde lid van artikel 2:334s BW blijkt dat het ook om schulden gaat. Verplichtingen voortvloeiend uit een 403-verklaring kunnen daar ook onder vallen. Artikel 2:334s BW kent geen beperking in de aansprakelijkheid zoals die is gegeven in artikel 2:334t lid 3 BW.
De artikelen 2:334t en 2:334s BW lijken de bescherming van schuldeisers met een 403-vordering afdoende te regelen. Een 403-vordering valt niet tussen wal en schip bij een splitsing.
Volledigheidshalve zij vermeld dat schuldeisers van een bij een splitsing betrokken vennootschap ook nog worden beschermd via een afgeleide beschermingsconstructie. Bij de oprichting van een vennootschap of bij het toekennen van aandelen is alleen een overgang toegestaan van een positief vermogenssaldo. Het is daardoor in beginsel niet mogelijk dat de verkrijgende vennootschap een negatief vermogenssaldo in de maag gesplitst krijgt.27
Ten slotte stip ik nog kort de regeling van artikel 2:334p BW aan. Net als bij fusie is bij splitsing een voorziening getroffen voor zij die geen aandeelhouder zijn28 maar wel een bijzonder recht hebben jegens de splitsende vennootschap;29
Artikel 334p
Hij die, anders dan als lid of aandeelhouder, een bijzonder recht jegens de splitsende rechtspersoon heeft, zoals een recht op een uitkering van winst of tot het nemen van aandelen, moet hetzij zodanige rechten in verkrijgende rechtspersonen krijgen, dat deze, waar toepasselijk samen met het recht dat hij jegens de voortbestaande splitsende rechtspersoon heeft, gelijkwaardig zijn aan zijn recht voor de splitsing, hetzij schadeloosstelling krijgen.
De schadeloosstelling wordt bij gebreke van overeenstemming bepaald door een of meer onafhankelijke deskundigen, ten verzoeke van de meest gerede partij te benoemen door de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de woonplaats van de splitsende rechtspersoon is gelegen.
Artikel 334o is van overeenkomstige toepassing op pandrecht of vruchtgebruik dat op de bijzondere rechten was gevestigd.
In het splitsingsvoorstel dient te worden opgenomen welk gelijkwaardig recht de bijzonder rechthebbende in plaats van zijn bestaande recht zal verkrijgen dan wel dient te zijn opgenomen dat een schadeloosstelling zal worden toegekend. Wanneer de splitsing tot stand komt vervallen de bijzondere rechten. Voor de bijzondere rechthebbende ontstaat jegens de verkrijgende vennootschap30 vanaf het tijdstip dat wordt vermeld in het splitsingsvoorstel het gelijkwaardige recht, of het recht dat voortvloeit uit de schadeloosstelling. Schuldeisers met een 403-vordering hebben een regulier vorderingsrecht. Zij zullen niet kwalificeren als houder van een bijzonder recht. Toekomstige schuldeisers hebben nog geen recht jegens een splitsende (moeder)vennootschap die een 403-verklaring deponeerde ten tijde van de splitsing en zullen ook geen recht kunnen ontlenen aan artikel 2:334p BW.