Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.2.7
3.2.7 Bepalingen omtrent de organisatie van de stichting en bestuursmodellen
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS386120:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Polak 1956, p. 96.
Feith 1925, p. 22.
Daar is pas later aan toegevoegd dat eveneens de wijze van ontslag geregeld moet zijn (zie artikel 2:286 lid 4 BW).
Zoals bijvoorbeeld het Papefonds, HR 9 januari 1925, NJ 1925, 327. Zie ook Rechtbank Breda 7 november 1939, NJ 1940, 324 (Newoco).
Bij het Fonds Jan de Koning (HR 11 december 1914, W 1915) bepaalde het testament van Jan de Koning dat, indien de bestuurders van het recht van assumtie of surrogatie geen gebruik maakten, de ontbrekende bestuurders door de rechtbank werden benoemd. Zie ook Polak 1956, p. 96.
Hof Amsterdam 6 december 1950, NJ 1951, 588.
Feith 1925, p. 39.
Hof Arnhem 20 april 1898, W 1900, 7444 (Stedelijke Muziekschool Deventer).
Deze uitspraak ging voornamelijk over de vraag of sprake was van een stichting of een vereniging. Het Hof oordeelde dat sprake van een stichting (een zelfstandige instelling) met een bestuur aan het hoofd en zonder leden.
Vrijheid wat betreft organisatie van de stichting
Zoals opgemerkt bestonden al geruime tijd voor de inwerkingtreding van de WS 1956 op 1 januari 1957 veel stichtingen, dat wil zeggen: rechtspersonen met een eigen organisatie die als stichting optraden en deelnamen aan het rechtsverkeer. Eén van de voorwaarden voor het bestaan en erkennen van een stichting met rechtspersoonlijkheid was dat bepalingen omtrent het beheer en bestuur van de stichting op schrift moesten staan, bijvoorbeeld in een “stichtingsbrief”, statuten, of – in geval van een na dode op te richten stichting – in een testament. De stichter werd hierin vrij gelaten: hij kon bijvoorbeeld volstaan met het aanwijzen van één bestuurder en deze het recht van “assumtie en surrogatie” geven. Onder het recht van assumtie werd verstaan de bevoegdheid andere bestuurders naast zich te benoemen; het recht van surrogatie betekende dat de bestuurder iemand in zijn plaats mocht benoemen.1 De oprichter kon de benoeming ook overlaten aan een derde of de benoeming aan een bepaalde functionaris of instantie opdragen. Ook kon de (plaatselijke) overheid het recht worden toegekend om de in het bestuur openvallende plaatsen aan te vullen.2
De WS 1956 veranderde weinig aan deze gebruiken en bevatte slechts minimale bepalingen omtrent de organisatie van de stichting. Artikel 3 lid 3WS 1956 bepaalde slechts – evenals nu artikel 2:286 lid 4 BW – dat de statuten de wijze van benoeming van de bestuurders moesten inhouden.3 De wetgever zag in dat van belang was dat in ieder geval de eerste organisatie van de stichting, de aanwijzing of benoeming van de eerste bestuurders, in de statuten wordt vastgelegd aangezien er anders geen organisatie tot stand komt en er niemand is die namens de stichting “haar wil kan bepalen”. De rol van de oprichter is immers uitgewerkt nadat de stichting is opgericht en er is geen algemene vergadering die op grond van de wet de bevoegdheid heeft bestuurders te benoemen.
Rol van de rechtbank in verband met benoeming van bestuurders
Veel stichtingen hadden slechts één bestuurder, die zelf zijn opvolger mocht benoemen.4 Daarbij werd vaak door de oprichter bepaald dat, indien de bestuurders (soms “administrateurs” genoemd) geen gebruik maakten van het recht in hun opvolging te voorzien, de ontbrekende bestuurders door de rechtbank werden benoemd.5 In de rechtspraak werd aangenomen dat de rechter in een vacature moest voorzien indien alle bestuurders ontbraken en er geen regeling voor benoeming van nieuwe bestuurders was.6 In deze lijn werd in artikel 13 WS 1956 opgenomen dat, wanneer het door de statuten voorgeschreven bestuur geheel of gedeeltelijk ontbreekt en daarin niet overeenkomstig de statuten is voorzien, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende of op vordering van het openbaar ministerie in de vervulling van de lege plaats kan voorzien (zie ook het huidige artikel 2:299 BW).
Controle en verantwoording
Uit rechtsliteratuur volgt dat het niet vaak voorkwam dat er een afzonderlijk intern toezichthoudend orgaan werd ingesteld. Wel werd soms door de oprichter een zekere vorm van controle van het bestuur “ingebouwd” door, aanvankelijk in een stichtingsbrief en later in de statuten, te bepalen dat het bestuur aan gedeputeerde staten, de gemeenteraad, burgemeester en wethouders of een andere “wereldlijke of kerkelijk autoriteit” rekening en verantwoording over het gevoerde beheer moest afleggen.7 Een gemeente die subsidie verleende aan een stichting (met name instellingen met liefdadige doelen), bedong, evenals nu, vaak dat de begroting en de jaarrekening ter goedkeuring moesten worden voorgelegd.
Verschillende soorten bestuurders
Het lijkt er op dat modellen met verschillende soorten bestuurders voorkwamen of in ieder geval konden voorkomen. Zo had de Stedelijke Muziekschool Deventer8 die in 1849 werd opgericht “commissarissen” die in feite bestuurstaken hadden. Bij de oprichting van deze stichting benoemden de oprichters zichzelf tot commissaris en vormden zij samen een “commissie”. Ten minste één van de commissarissen fungeerde tegelijk als bestuurder. Bepaald werd dat na de oprichting zowel bestuurders als commissarissen benoemd werden door de gemeente. De verschillende taken van de bestuurders en commissarissen, voor zover deze al te onderscheiden waren, blijken niet duidelijk uit de uitspraak van het Hof Arnhem uit 1898 over deze stichting.9 Wel valt in de uitspraak te lezen dat de commissie muziekleraren kon benoemen en in verband met de subsidie jaarlijks aan de gemeente rekening en verantwoording moest afleggen. Het bestuursmodel van deze stichting lijkt feitelijk nog het meest op een model met een algemeen en een dagelijks bestuur of een one tier board, aangezien “commissarissen” tevens bestuurder konden zijn, bestuurders en commissarissen door dezelfde instantie werden benoemd en zowel bestuurders als commissarissen bestuurstaken hadden.
Geen wettelijke voorschriften omtrent bestuurders
Onder het begrip “bestuur” werd in de WS 1956 verstaan “het orgaan dat de rechtspersoon in en buiten rechte vertegenwoordigt”. De WS 1956 schreef evenmin als bij andere rechtspersonen een minimumaantal bestuurders voor. Mede vanwege het ontbreken van intern corrigerende organen zou een voor de hand liggende vraag of discussiepunt zijn geweest of de wettelijke regeling niet een meerhoofdig bestuur als uitgangspunt zou moeten hebben. Uit de parlementaire geschiedenis bij de WS 1956 blijkt echter niet dat deze vraag aan de orde is geweest. Het is aannemelijk dat de wetgever ook op dit punt flexibiliteit wenste te bieden. Veel stichtingen waren destijds, net als nu, kleine non-profit organisaties die door vrijwilligers, dat wil zeggen: door onbetaalde bestuurders, werden bestuurd.