Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.4.2.2
3.4.2.2 De Belgische oplossing voor de bestaanseis
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232294:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het Belgische recht verstaat onder gift zowel de schenkingen bij leven als testamentaire bevoordelingen in de vorm van een legaat, W.D. Kolkman, ‘Belgisch erfrecht grondig herzien’, TE 2018/4. Zie 6.2.2 voor de betekenis van het begrip ‘algemene legataris’.
Voorheen artikel 27 § 3 V&S-wet.
Van Boven 2014, p. 125.
Art. 2:2 WVV luidt: ‘Tenzij anders is overeengekomen, zijn zij die in naam van een rechtspersoon in oprichting en vooraleer deze rechtspersoonlijkheid heeft verkregen, in enigerlei hoedanigheid een verbintenis hebben aangegaan, persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk, behalve wanneer binnen twee jaar na het ontstaan van de verbintenis rechtspersoonlijkheid werd verkregen en de rechtspersoon die verbintenis binnen drie maanden na voormelde verkrijging van de rechtspersoonlijkheid heeft overgenomen. Verbintenissen overgenomen door de rechtspersoon worden geacht door hem te zijn aangegaan vanaf het ontstaan van die verbintenissen.’ De bepaling is vergelijkbaar met artikel 2:93/203 BW voor de NV respectievelijk BV in Nederland. Zie ook 2.4.2.3.
Niet alleen het Nederlandse en Duitse maar ook het Belgisch recht kent de bestaanseis voor erfgenamen en algemene legatarissen.1 Artikel 906 lid 2 BBW luidt:
‘Om bij testament te kunnen verkrijgen, is het voldoende dat men verwekt was op het ogenblik van de dood van de erflater.’
Verder is eerder al gebleken dat in België, net als in Duitsland, de bij dode opgerichte stichting pas na het overlijden van de erflater rechtspersoonlijkheid verkrijgt. Zonder wettelijke voorziening zou een bij dode opgerichte stichting in België niet krachtens erfrecht kunnen verkrijgen uit de nalatenschap van de erflater/oprichter. De Belgische wetgever is zich van deze problematiek bewust geweest en heeft een met de Duitse Städel-Paragraph vergelijkbare bepaling in de wet opgenomen. Zo bepaalt artikel 2:5 § 3 WVV:
‘IVZW’s en stichtingen worden, op straffe van nietigheid, opgericht bij authentieke akte. Indien de oprichting van de stichting in de vorm van een testament gebeurt, kan de stichting giften bij testament verkrijgen niettegenstaande artikel 906, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.’2
Door deze bepaling kan de bij dode opgerichte stichting toch verkrijgen uit de nalatenschap van de erflater/oprichter.3
Hoewel ik daar in de Belgische literatuur niets over heb kunnen vinden, acht ik het aannemelijk dat in België geen behoefte bestaat aan een uitgebreide regeling voor de tijd gelegen tussen het overlijden van de erflater en het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid door de private stichting. Een regeling voor rechtshandelingen verricht tussen het openvallen van de nalatenschap en het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid als opgenomen in artikel 2:2 WVV zal, naar ik aanneem volstaan.4 De ondernemingsrechtbank heeft immers geen discretionaire bevoegdheden ten aanzien van het wel of niet inschrijven van de private stichting in het door die rechtbank gehouden register waarmee de private stichting rechtspersoonlijkheid verkrijgt. Over de verkrijging van rechtspersoonlijkheid door de Belgische stichting schreef ik in 2.4.2.3. In Duitsland is het risico van niet-verkrijgen van de vereiste Anerkennung, waarmee rechtspersoonlijkheid verkregen wordt, daarentegen reëel door de twee Anerkennungsvorbehalten (besproken in 2.3.2.3 en 2.3.2.5), zodat een wettelijke regeling voor de periode tussen het openvallen en uitkomst van de procedure tot Anerkennung gewenst is.