Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/5.3.6
5.3.6 Getallenvoorbeelden
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655950:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Met ‘over het tijdvak van de misleiding per saldo dalen’ bedoel ik dat de koers op het moment waarop de misleiding (bijna) bekend wordt (maar nog net niet bekend is geworden), lager is dan de koers op het moment nadat de misleidende mededeling (voor de eerste keer) werd gedaan (c.q. de litigieuze informatie (voor de eerste keer) werd achtergehouden). Ik sluit dus niet uit dat de koers tussentijds ook nog stijgt, maar zij stijgt over de genoemde periode in dat geval alleen minder dan dat zij daalt.
Als de eisende belegger een actieve belegger is, is het wellicht niet realistisch om aan te nemen dat hij bij afwezigheid van de misleiding zijn geld in een oude sok zou hebben gestopt. Voor het voorbeeld (en voor de verdere materieelrechtelijke analyse in het vervolg van dit hoofdstuk) maakt dat echter niet uit.
Volledigheidshalve merk ik op dat dit rendement van 10% het (hypothetische) rendement betreft dat de belegger bij afwezigheid van de misleiding op een alternatieve belegging zou hebben behaald gedurende de relevante peilperiode, dus gedurende het tijdvak gelegen tussen het tijdstip van aankoop en het tijdstip van de bekendwording van de misleiding.
Puur economisch gezien is hier sprake van een negatieve schade. Feitelijk heeft de belegger dus van de misleiding geprofiteerd. Juridisch gezien moet de schade dan op nul worden gesteld.
Met ‘over het tijdvak van de misleiding per saldo stijgen’ bedoel ik dat de koers op het moment waarop de misleiding (bijna) bekend wordt (maar nog net niet bekend is geworden), hoger is dan de koers op het moment nadat de misleidende mededeling (voor de eerste keer) werd gedaan (c.q. de litigieuze informatie (voor de eerste keer) werd achtergehouden). Ik sluit dus niet uit dat de koers tussentijds ook nog daalt, maar zij daalt over de genoemde periode in dat geval alleen minder dan dat zij stijgt.
Zie voor de uitleg van de term ‘over het tijdvak van de misleiding per saldo dalen’ hiervoor.
Zie voor de uitleg van de term ‘over het tijdvak van de misleiding per saldo stijgen’ hiervoor.
Zie § 6.4.4.
Om het verschil tussen de twee onderscheiden feitelijke grondslagen (en het verschil in perspectief dat bij het causaal verband en de schade tot uitgangspunt moet worden genomen) te illustreren, geef ik hieronder twee voorbeelden (elk bestaande uit vier verschillende scenario’s voor de hypothetische situatie zonder misleiding). De voorbeelden maken – als het goed is – duidelijk dat de door de belegger gekozen feitelijke grondslag steeds medebepalend is voor (de omvang van) het vast te stellen schadebedrag.
Voorbeeld 1
In dit eerste voorbeeld ga ik ervan uit dat aan de misleiding externe factoren (gedoeld wordt op macro-economische, sectorgerelateerde en/of (niet aan de misleiding gerelateerde) bedrijfsspecifieke factoren) ervoor zorgen dat de koers over het tijdvak van de misleiding per saldo daalt.1 Tevens neem ik aan dat de marktwaarde van de misleidende informatie over dit tijdvak constant is.
Stel dat de belegger toen de koers was geїnflateerd € 100 voor zijn aandeel heeft betaald, terwijl dit in werkelijkheid maar € 80 waard was. De misleidende informatie heeft de koers dus met € 20 kunstmatig opgedreven. Enige tijd later is de koers als gevolg van externe factoren gedaald naar € 80. Op dat moment komt de misleiding naar buiten en daalt de koers in zeer korte tijd naar € 60. Verondersteld wordt dat de belegger het aandeel tot ten minste na de bekendwording van de misleiding heeft aangehouden, en het niet tussentijds heeft verkocht. Ook wordt aangenomen dat de belegger elke euro die hij thans als gevolg van de misleiding te veel aan het litigieuze aandeel heeft besteed, in de hypothetische situatie zonder misleiding in een oude sok zou hebben gestopt.2 Legt de belegger aan zijn vordering tot schadevergoeding ten grondslag dat hij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zou hebben gekocht, maar dan tegen een lagere prijs, dan is de schade die in csqn-verband staat met de misleiding € 20. Legt hij daarentegen aan zijn vordering tot schadevergoeding ten grondslag dat hij bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zou hebben gekocht, dan is zijn schade (100 – 60 =) € 40. In de hypothetische situatie zonder misleiding zou hij immers al zijn geld in een oude sok hebben gestopt en zou hem het (totale) koersverlies van € 100 naar € 60 bespaard zijn gebleven. Hierbij teken ik aan dat als peildatum voor de schadevaststelling bij deze feitelijke grondslag wordt gekozen voor het tijdstip van de bekendwording van de misleiding. Voor de hieraan ten grondslag liggende overwegingen verwijs ik naar § 5.5.3.1. De schade die in csqn-verband staat met de misleiding bedraagt in het tweede geval dus weliswaar € 40, maar dat wil uiteraard niet zeggen dat dit bedrag ook daadwerkelijk (volledig) voor vergoeding in aanmerking komt. Voor dit laatste is tevens vereist dat de schade van € 40 op de voet van art. 6:98 BW (volledig) aan de vennootschap kan worden toegerekend. Deze toerekeningsvraag laat ik hier nu rusten; ik verwijs naar § 5.5.3.2.
Nu wijzig ik het beschreven scenario enigszins en neem ik aan dat de belegger elke euro die hij thans als gevolg van de misleiding te veel aan het litigieuze aandeel heeft besteed, in de hypothetische situatie zonder misleiding op een andere (lucratievere) manier had kunnen beleggen tegen een rendement van 10%.3 Stelt de belegger zich op het standpunt dat hij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zou hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs, dan is zijn schade € 22. Als gevolg van de misleiding heeft hij immers € 20 te veel voor het aandeel betaald, en bij afwezigheid van de misleiding zou hij over deze € 20 een rendement hebben behaald van (10% * 20 =) € 2. De totale schade van de belegger bij deze grondslag bedraagt dus (20 + 2 =) € 22. Stelt de belegger zich daarentegen op het standpunt dat hij bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zou hebben gekocht, dan is zijn schade € 50. In de huidige situatie heeft hij namelijk (100 – 60 =) € 40 koersverlies geleden, terwijl hij in de hypothetische situatie zonder misleiding (10% * 100 =) € 10 koerswinst zou hebben behaald. Of het bedrag van de gederfde koerswinst daadwerkelijk voor vergoeding in aanmerking komt, betreft wederom een toerekeningsvraag ex art. 6:98 BW.
Het hier beschreven scenario kan ook nog worden doorgerekend voor het geval de belegger in de hypothetische situatie zonder misleiding over de relevante peilperiode een (negatief) rendement zou hebben behaald van -20% respectievelijk -50%. De uitkomsten van de verschillende scenario’s heb ik opgenomen in de onderstaande tabel.
Begin van de misleiding
Vlak vóór bekendmaking
Vlak na bekendmaking
Feitelijke koers
100
80
60
Hypothetische koers
80
60
60
Eerste grondslag
Tweede grondslag
Scenario
Schade
Feitelijke situatie
Hypothetische situatie
Schade
A: oude sok
20
– 40
0
40
B: 10% winst
22
– 40
10
50
C: 20% verlies
16
– 40
– 20
20
D: 50% verlies
10
– 40
– 50
– 104
Voorbeeld 2
In dit voorbeeld ga ik ervan uit dat aan de misleiding externe factoren (gedoeld wordt op macro-economische, sectorgerelateerde en/of (niet aan de misleiding gerelateerde) bedrijfsspecifieke factoren) ervoor zorgen dat de koers over het tijdvak van de misleiding per saldo stijgt.5 Tevens neem ik wederom aan dat de marktwaarde van de misleidende informatie over dit tijdvak constant is.
Stel dat de belegger toen de koers was geїnflateerd € 100 voor zijn aandeel heeft betaald, terwijl dit in werkelijkheid maar € 80 waard was. De misleidende informatie heeft de koers dus met € 20 kunstmatig opgedreven. Enige tijd later is de koers als gevolg van externe factoren gestegen naar € 120. Op dat moment komt de misleiding naar buiten en daalt de koers in zeer korte tijd naar € 100. Wederom wordt verondersteld dat de belegger het aandeel tot ten minste na de bekendwording van de misleiding heeft aangehouden, en het niet tussentijds heeft verkocht. Ook wordt aangenomen dat de belegger elke euro die hij thans als gevolg van de misleiding te veel aan het litigieuze aandeel heeft besteed, in de hypothetische situatie zonder misleiding in een oude sok zou hebben gestopt. Legt de belegger aan zijn vordering tot schadevergoeding ten grondslag dat hij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zou hebben gekocht, maar dan tegen een lagere prijs, dan is de schade die in csqn-verband staat met de misleiding € 20. Legt hij daarentegen aan zijn vordering tot schadevergoeding ten grondslag dat hij bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zou hebben gekocht, dan is zijn schade € 0. In de huidige situatie is zijn vermogen per saldo immers niet toe- of afgenomen, terwijl als hij in de hypothetische situatie zonder misleiding al zijn geld in een oude sok zou hebben gestopt, zijn vermogen evenmin zou zijn toe- of afgenomen.
Nu wijzig ik het beschreven scenario enigszins en neem ik aan dat de belegger elke euro die hij thans als gevolg van de misleiding te veel aan het litigieuze aandeel heeft besteed, in de hypothetische situatie zonder misleiding op een andere (lucratievere) manier had kunnen beleggen tegen een rendement van 10%. Stelt de belegger zich op het standpunt dat hij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zou hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs, dan is zijn schade € 22. Als gevolg van de misleiding heeft hij immers € 20 te veel voor het aandeel betaald, en bij afwezigheid van de misleiding zou hij over deze € 20 een rendement hebben behaald van (10% * 20 =) € 2. De totale schade van de belegger bij deze grondslag bedraagt dus (20 + 2 =) € 22. Stelt de belegger zich daarentegen op het standpunt dat hij bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zou hebben gekocht, dan is zijn schade € 10. In de huidige situatie is zijn vermogen per saldo immers niet toe- of afgenomen, terwijl hij in de hypothetische situatie zonder misleiding (10% * 100 =) € 10 koerswinst zou hebben behaald.
Het hier beschreven scenario kan ook nog worden doorgerekend voor het geval de belegger in de hypothetische situatie zonder misleiding over de relevante peilperiode een (positief) rendement zou hebben behaald van 20% respectievelijk 50%. De uitkomsten van de verschillende scenario’s heb ik opgenomen in de onderstaande tabel.
Begin van de misleiding
Vlak vóór bekendmaking
Vlak na bekendmaking
Feitelijke koers
100
120
100
Hypothetische koers
80
100
100
Eerste grondslag
Tweede grondslag
Scenario
Schade
Feitelijke situatie
Hypothetische situatie
Schade
A: oude sok
20
0
0
0
B: 10% winst
22
0
10
10
C: 20% winst
24
0
20
20
D: 50% winst
30
0
50
50
Hoewel bovenstaande voorbeelden wellicht een nogal theoretisch gehalte hebben en het in de praktijk doorgaans lastig zal zijn het verloop van de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding exact in kaart te brengen, maken zij in ieder geval duidelijk dat de door de belegger gekozen feitelijke grondslag steeds het perspectief bepaalt dat bij het causaal verband en de schade tot uitgangspunt moet worden genomen. Diezelfde feitelijke grondslag is daarmee ook medebepalend voor (de omvang van) het vast te stellen schadebedrag.
In het vervolg van dit hoofdstuk ga ik ervan uit dat aan de misleiding externe factoren (macro-economische, sectorgerelateerde en/of (met de misleiding geen verband houdende) bedrijfsspecifieke factoren) ervoor zorgen dat de koers van het litigieuze aandeel over het tijdvak van de misleiding per saldo daalt6 (of althans, niet stijgt). Het scenario waarin deze factoren tot gevolg hebben dat de koers over het tijdvak van de misleiding per saldo stijgt,7 laat ik vooralsnog buiten beschouwing. Het interessante van dit scenario is natuurlijk dat de belegger – ondanks de misleiding – in absolute zin geen koersverlies lijdt. In hoofdstuk 6 kom ik er daarom op terug.8