Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.3.7.3
14.3.7.3 Heffing ter zake van afdwingbare rechten
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232760:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Boer en Freudenthal, WPNR 2009/6802, paragraaf 2; Peters van Neijenhof, Forfaitair 2009, paragraaf 4.3, Roelofs, WFR 2010/6887, paragraaf 4 en Gilissen, dissertatie 2012, paragraaf 3.4. Boer komt elders overigens tot de conclusie dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om ook fixed trusts onder de werking van het APV-regime te brengen en dat zowel de in een niet-discretionair doelvermogen afgezonderde vermogensbestanddelen als de met de afdwingbare aanspraak corresponderende schuld aan de inbrenger toegerekend worden (zie Boer, dissertatie 2011, paragraaf 9.5.3.1 en diens noot bij de uitspraak van rechtbank Haarlem van 21 december 2011, NTFR 2012-852; zie voorts Boer, WPNR 2013/6995, paragraaf 3.2).
De heffing ter zake van rechtens afdwingbare aanspraken is reeds besproken in paragraaf 14.3.3.4. Eenvoudshalve verwijs ik derhalve daar naar.
Met betrekking tot rechtens afdwingbare aanspraken jegens een APV zij op dit punt slechts nog opgemerkt dat in de literatuur betoogd is dat deze zouden kwalificeren als economische deelgerechtigdheid in de zin van artikel 2.14a lid 2 sub b Wet IB 2001, zodat het niet-discretionaire deel van een entiteit om die reden niet onder de APV-regeling zou vallen.1 Gezien de beperkte uitleg die de Hoge Raad in het hiervoor besproken arrest van 10 april 2015 aan het begrip economische deelgerechtigdheid geeft, is deze argumentatie echter achterhaald.