Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/5.4.1
5.4.1 Tijdsaanduidingen in de rechtsregel
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS413755:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
In Schuver-Bravenboer 2007a heb ik onderzoek gedaan naar overgangsrecht voor termijnbepalingen in de WBR.
Art. 11 lid 1 onderdeel p Wet LB 1964; met ingang van 1 januari 2005 met terugwerkende kracht tot 27 augustus 2004 afgeschaft ingevolge de Wet van 16 december 2004, Stb. 2004, 653.
Art. 13ca Wet VPB 1969; met ingang van 1 januari 2006 met onmiddellijke werking afgeschaft ingevolge de Wet van 15 december 2005, Stb. 2005, 684.
Voor die situatie is dan ook een overgangsmaatregel in de vorm van eerbiedigende werking getroffen, zie art. V Wet van 15 december 2005, Stb. 2005, 684.
Art. 9a Wet IB 1964 gold aanvankelijk tot en met 1980. Bij Wet van 2 december 1981, Stb. 1981, 722 is de werking van art. 9a toch bestendigd.
Art. 9b Uitv.besl. LB 1965.
Zie over deze problematiek onderdeel 6 van mijn commentaar bij HR 8 oktober 2004, nr. 39 612, NTFR 2004/1496. Dit arrest ging over de beperking van de 35%-regeling per 1 januari 2001. Aan de vraag hoe het vertrouwen dat is gewekt door de tienjaarstermijn moet worden beëindigd, kwam de Hoge Raad niet toe. De Hoge Raad oordeelde dat belanghebbende in redelijkheid niet mocht verwachten dat bij de aanzienlijke verlaging van het inkomstenbelastingtarief per 1 januari 2001, de 35%-regeling ongemoeid zou worden gelaten. Indien er vertrouwen was gewekt, was dit vertrouwen dus reeds beëindigd.
HR 21 april 1993, nr. 28 726, BNB 1993/205 (m.nt. Wattel).
HR 1 juli 1998, nr. 33 233, BNB 1998/278 (m.nt. Zwemmer), ro. 3.5 en 3.6.
HR 28 februari 2003, nr. 37 122, BNB 2004/59 (concl. A-G Van Kalmthout; m.nt. Slot).
Vgl. HR 16 september 1981, nr. 20 220, BNB 1981/308 (m.nt. Scheltens).
Vgl. art. 12c Uitv.besl. LB 1965 op grond waarvan ‘35%-beschikkingen’ met ingang van 1 januari 2001 zijn omgezet in ‘30%-beschikkingen’.
Vgl. HvJ EG 22 juni 2006, gevoegde zaken C-182/03 en C-217/03 (Koninkrijk België en Forum 187 VZW/Commissie), V-N 2006/40.3 inzake een Belgische regeling voor coördinatiecentra waaruit blijkt dat het HvJ EG het van belang acht dat de Commissie rekening houdt met de aard van een regeling – in casu werden beschikkingen afgegeven met een looptijd van tien jaar – en de aanpassingsperiode die betrokkenen nodig hebben.
Vgl. Verhoeven 2005, p. 13.
Art. I onderdeel E Wet van 30 november 2006, Stb. 2006, 631.
Rechtsregels kunnen op verschillende manieren door tijdsaanduidingen verwachtingen wekken ten aanzien van hun voortbestaan. Ik onderscheid hierna vier categorieën rechtsregels:
regels die een termijn bevatten;
regels waarin de werkingsduur expliciet is vermeld;
regels op basis waarvan voor een in die regel vastgestelde periode een goedkeuring wordt afgegeven; en
regels die terugwerkende kracht verhinderen.
a. Regels die een termijn bevatten
Een regel die een termijn bevat, kan de verwachting wekken dat de regel gedurende die termijn onveranderd kan worden toegepast.1 Voorbeelden van dit soort rechtsregels zijn de met ingang van 1 januari 2005 vervallen pc-regeling2 en de met ingang van 1 januari 2006 vervallen regeling voor afwaarderingsverliezen.3 De pc-regeling bood de werkgever de mogelijkheid om eens per drie jaar een computer en bijbehorende apparatuur belastingvrij aan de werknemer te verstrekken of de kosten daarvan belastingvrij te vergoeden. Dankzij de driejaarstermijn sloten veel werkgevers met werknemers pc-overeenkomsten met een looptijd van drie jaar. Bij het aangaan van die overeenkomst zullen partijen de verwachting hebben gehad dat de regeling nog gedurende ten minste drie jaar kon worden toegepast.
De regeling voor afwaarderingsverliezen stelde de deelnemingsvrijstelling buiten toepassing indien in de eerste vijf jaren na het verwerven van een deelneming een afwaarderingsverlies in aanmerking werd genomen. Vervolgens werd het afwaarderingsverlies weer teruggenomen – indien de deelneming meer waard werd –, welke terugname maximaal tien jaar kon duren. Aangezien de eerste termijn van vijf jaren geen termijn is waarop overeenkomsten worden afgestemd, kan naar mijn mening van die termijn niet zonder meer worden gezegd dat hij het voortbestaan van de regeling gedurende die periode verzekert. Op het moment dat een afwaarderingsverlies in aanmerking is genomen, kan de belastingplichtige wel ervan uitgaan dat dat verlies zal worden teruggenomen; ook ingeval de regeling tussentijds wordt veranderd of wordt afgeschaft.4 In deze situatie pleit het bestaan van een termijn dus juist voor het voortbestaan van een belastende regeling en kon bij ‘bestaande toestanden’ niet de verwachting ontstaan dat de nieuwe regel (verlies niet meer aftrekbaar en geen latere bijtelling) ook op hen van toepassing zou worden.
b. Regels waarin de werkingsduur expliciet is vermeld
De tweede categorie van rechtsregels die verwachtingen wekken, zijn rechtsregels waarin de werkingsduur expliciet is vermeld. In beginsel komen deze rechtsregels alleen voor in de vorm van overgangsmaatregelen.5 Zo bevat hfdst. 2 art. I onderdeel AKad lid 1 Inv.w. Wet IB 2001 een overgangsmaatregel voor koophuurwoningen met een looptijd tot 1 januari 2031 en bevat hfdst. 2 art. I onderdeel AN lid 1 Inv.w. Wet IB 2001 een overgangsmaatregel voor kapitaalverzekeringen die op grond van het lid 5 van die bepaling met ingang van 14 september 2029 niet meer van toepassing is. Als de werkingsperiode van een maatregel zo nadrukkelijk is vastgelegd, mag een belastingplichtige in beginsel ervan uitgaan dat de regeling in die periode niet in nadelige zin wordt veranderd of wordt afgeschaft. Dit is anders indien een aanpassing reeds vanaf het inwerkingtredingsmoment voorzienbaar is, omdat bijvoorbeeld sprake is van misbruik (par. 5.7.1) of een omissie (par. 5.5).
c. Regels op basis waarvan voor een vastgestelde periode een goedkeuring wordt afgegeven
Rechtsregels op basis waarvan voor een vastgestelde periode een goedkeuring wordt afgegeven, vormen de derde categorie regels. Een voorbeeld vormt de zogenoemde 30%-regeling die is opgenomen in art. 15a lid 1 onderdeel j Wet LB 1964 jo. art. 9 Uitv.besl. LB 1965. Indien de inspecteur naar aanleiding van een verzoek daartoe de 30%-regeling bij voor bezwaar vatbare beschikking van toepassing verklaart, heeft die beschikking in het algemeen een looptijd van tien jaar.6 Een verandering van de regeling doet de vraag rijzen of reeds afgegeven beschikkingen automatisch worden beëindigd of worden aangepast aan de nieuwe regeling, of dat de afgegeven beschikkingen van toepassing blijven, tenzij zij door de inspecteur worden ingetrokken.7 Voor zover mij bekend, is deze vraag nimmer voorgelegd aan de Hoge Raad. Wel heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de invloed van wetswijzigingen op het vertrouwen dat kan worden ontleend aan uitlatingen van bewindslieden. In HR 21 april 1993 oordeelde de Hoge Raad:8
‘(...) dat, indien een wetsbepaling is tot stand gekomen, welke in strijd is met eerder gedane uitlatingen van bewindslieden, dit tot gevolg heeft dat aan die uitlatingen niet meer een in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend. (...)’
In het kader van de invoering van de Oort-wetgeving op 1 januari 1990 geeft de Hoge Raad aan dat afspraken die vóór de invoering zijn gemaakt niet individueel door de inspecteur hoefden te worden opgezegd:9
‘Redengevend voor deze afwijzing zijn de in cassatie niet bestreden vaststellingen van het Hof dat reeds vóór de invoering van de Oort-wetgeving op 1 januari 1990 algemeen bekend was dat er een veel strenger regime inzake de aftrekbaarheid van kosten zou gaan gelden en dat in de Toelichting bij het aangifteformulier inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1990 vermeld staat dat alle afspraken over aftrekposten, waarvan de aftrekbaarheid is beïnvloed door de belastingherziening (bedoeld is ook hier de Oortwetgeving), zijn vervallen en dat bij twijfel contact kan worden opgenomen met de Belastingdienst.
(...) Gelet op deze omstandigheden geeft het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet erop mocht vertrouwen dat eventueel gemaakte afspraken terzake ook na 1 januari 1990 nog zouden gelden en dat de Inspecteur niet gehouden was deze afspraken individueel op te zeggen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.’
Indien de Hoge Raad ten aanzien van beschikkingen zou oordelen dat deze bij verandering van wetgeving ‘automatisch’ worden beëindigd, dient het vertrouwen naar mijn mening te worden gehonoreerd tot het moment dat de wetswijziging bekend is geworden.10 De beschikking blijft van toepassing tot de werking van de nieuwe regel aanvangt. Als wetswijzigingen het vertrouwen niet ‘automatisch’ beëindigen, vormen zij een bijzondere omstandigheid op grond waarvan van toezeggingen kan worden teruggekomen.11 Gelet op de onduidelijkheid die hierover bestaat, is het wenselijk dat de wetgever bij wetswijzigingen die gevolgen hebben voor reeds afgegeven beschikkingen een overgangsmaatregel treft op grond waarvan ‘oude’ beschikkingen worden omgevormd tot ‘nieuwe’ beschikkingen.12
Overigens ben ik van mening dat een redelijk handelend inspecteur bij het afgeven van een beschikking met een lange looptijd de belastingplichtige zou moeten wijzen op het risico dat de onderliggende regel kan veranderen.13 Dit geldt met name als een wetsvoorstel tot verandering van de betreffende regel inmiddels aanhangig is.
d. Regels die terugwerkende kracht verhinderen
Ten slotte zijn er regels die meebrengen dat toekomstige voorschriften geen terugwerkend effect kunnen hebben voor bestaande toestanden. Voor het regime voor willekeurige afschrijvingen en de investeringsaftrek is in respectievelijk art. 3.39 en art. 3.51 Wet IB 2001 vastgelegd dat het regime van toepassing is dat gold op het moment dat respectievelijk de verplichtingen zijn aangegaan en de investering heeft plaatsgevonden. Door deze bepalingen heeft de wetgever op voorhand zekerheid verschaft. Een aanpassing in het regime voor willekeurige afschrijvingen of in de investeringsaftrek lijkt hierdoor niet met terugwerkende kracht te kunnen worden ingevoerd.14 De hier geboden zekerheid blijkt evenwel schijnzekerheid te zijn als in art. 3.39 of art. 3.51 aanpassingen worden aangebracht. Zo leidde de per 1 januari 2007 aangebrachte beperking van art. 3.39 Wet IB 2001 tot willekeurige afschrijvingen tot maatschappelijk terugwerkende kracht voor belastingplichtigen die afschrijven volgens het ‘gewone’ afschrijvingsregime.15