Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.7.3
2.7.3 ‘Eenig wettelijk voorschrift’
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285670:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 27 juli 1918, houdende wijziging van de wet van 27 september 1892 (Staatsblad nr. 223) op de vermogensbelasting, gelijk zij door opeenvolgende wetten is aangevuld en gewijzigd, Kamerstukken II 1917/18, 33, Stb. 1918, 504. De vroegere stukken zijn gedrukt onder Kamerstukken II 1915/16, nr. 205. Bij koninklijk besluit van 5 september 1918, Stb. 1918, 542 vernummerd naar art. 52 Wet VB 1892).
Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1914/15, 295, nr. 2. Dit wetsontwerp werd op 6 mei 1915 door de Eerste Kamer verworpen (Handelingen I 1914/15, blz. 281-306), maar werd later (in gewijzigde vorm) opnieuw ingediend (zie: MvT, Kamerstukken II 1915/16, 205, nr. 3, blz. 5, par. 1).
MvT, Kamerstukken II 1915/16, 205, nr. 3, blz. 12. Vergelijk: de memorie van toelichting van het eerder verworpen wetsvoorstel (MvT, Kamerstukken II 1914/15, 295, nr. 3, blz. 9). In beide wordt verwezen naar HR (strafkamer) 19 november 1894, Weekblad van het recht 1894, nr. 6586, blz. 1-2. Zie ook: Van Walsum/De Wilde 1920, blz. 358 e.v., Harms 1920, blz. 479 en Dubois 1927, blz. 54.
Adriani 1935, blz. 390-391. Vergelijk: Boogerman 1920, blz. 214. Zie ook: par. 4.3.
Zie: Appendix A. In de memorie van toelichting op art. 50 Ontwerp van wet BDH 1916 (ingetrokken) wordt opmerkelijk genoeg verwezen naar de ‘nagenoeg gelijkluidende’ geheimhoudingsbepalingen in de Wet VB 1892 en de Wet IB 1914 terwijl op dat moment de bepaling over ‘eenig wetsvoorschrift’ (nog) niet in de Wet VB 1892 was opgenomen en dit in art. 102 Wet IB 1914 evenmin voorkwam.
Zie: VV, Kamerstukken I 1920/21, 25, nr. 25, blz. 102 en MvA, Kamerstukken I 1920/21, 25, nr. 25, blz. 105 over art. 243g Gemeentewet. Vergelijk: de resolutie van 11 oktober 1916, nr. 135 (Boogerman 1920, blz. 215 en Harms 1920, blz. 254) en de aanschrijving Minister van Financiën van 6 juni 1936 (Schoolgeldheffing), nr. 17, Bijvoegsel Staatsblad 1936, nr. 158. Vergelijk: MvA (IB 1964), Kamerstukken II 1962/63, 5380, nr. 19, blz. 102.
Ittman 1924, blz. 48-49, nr. 111.
Wat met deze subjectieve bepaling werd bedoeld is niet nader toegelicht of geconcretiseerd.
In 1918 werd aan de geheimhoudingsbepaling van art. 47 Wet VB 1892 toegevoegd dat gegevens niet verder bekend mochten worden gemaakt behoudens voor de toepassing van ‘eenig wetsvoorschrift’.1 Dit voorstel werd al begin 1915 geïntroduceerd.2 De directe aanleiding voor het opnemen van de mogelijkheid om fiscale gegevens te verstrekken op basis van een wettelijke grondslag was het tegengaan van fraude in de Invaliditeitswet; het vermoeden bestond dat de vraag over de vermogensbelasting bewust onjuist werd beantwoord omdat er geen controle-informatie voorhanden was.3 Een ander voorbeeld van gegevensuitwisseling is art. 33 van de Ouderdomswet 1919 die de mogelijkheid verschafte om op verzoek inlichtingen te verstrekken aan het bestuur van de Rijksverzekeringsbank. Adriani merkt terecht op dat de geheimhoudingsverplichting hierbij overgaat op de ambtenaren die de gegevens verkrijgen.4 Deze bepaling werd daarna in een groot aantal, maar niet alle belastingwetten overgenomen.5 De uitzondering van ‘eenig wetsvoorschrift’ kwam niet in de Wet IB 1914 voor. Fiscale gegevens uit de Wet IB 1914 ten behoeve van het voorkomen van fraude in de Invaliditeitswet – de reden om de bepaling over ‘eenig wetsvoorschrift’ in de Wet VB 1892 op te nemen – werd verstrekt op grond van een ontheffing.6
Zoals hiervoor is opgemerkt, was het voorkomen van fraude juist de reden om de bepaling over ‘eenig wetsvoorschrift’ in de Wet VB 1892 op te nemen. Vergelijkbaar zijn de verschillende regimes voor de Ouderdomswet 1919.7 Het is dan ook niet zuiver dat over de samenloop van de schoolgeldheffing en de geheimhoudingsbepaling van art. 102 Wet IB 1914 werd gesteld dat: “Dergelijke mededeelingen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift gedaan, vallen niet onder het verbod van art. 102 der Wet op de Inkomstenbelasting”.8 Ittman juicht het dienstbaar maken van gegevens uit de RW 1917 voor fiscale en niet-fiscale doeleinden toe.9 Het zou volgens hem van een overdreven eerbied voor de geheimhouding getuigen indien men ter wille van partijen het algemeen belang achter zou stellen. Uitsluitend in de Wet PB 1950 en de SW 1956 werd – naast de uitzondering van ‘enig wetsvoorschrift’ – ook bepaald dat gegevens mochten worden gebruikt ‘in 's Rijks belang’.10