Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/7.3.1
7.3.1 Staatkundige verhoudingen in de nieuwe statutaire rechtsorde: kort begrip
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181181:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Suriname heeft in 1975 het statutaire verband verlaten (Trb. 1975, 132; Rijkswet van 22 november 1975, Stb. 617, PbNA 233). Tot 1986 bestond het Koninkrijk uit twee landen: Nederland en de Nederlandse Antillen. In 1986 verkreeg Aruba de status van land binnen het Koninkrijk, met als gevolg dat het Koninkrijk uit drie landen bestond: Nederland, Aruba en de Nederlandse Antillen (Rijkswet van 22 juli 1985, Stb. 452, PbNA 63). Na de ontmanteling van de Nederlandse Antillen bestaat het Koninkrijk uit vier landen: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. De eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba maken deel uit van het staatsbestel van het land Nederland (Rijkswet van 7 september 2010, Stb. 333, PbNA 72).
Art. 6 lid 1 Statuut.
Art. 41 lid 1 Statuut.
Art. 3 lid 1 Statuut. In paragraaf 7.4 (‘Het Nederlanderschap: voorlopers, ontstaan, toepassing overzee en mankementen’) wordt uitvoerig ingegaan op het Nederlanderschap als burgerschap binnen het Koninkrijk.
Art. 3 lid 2 Statuut.
Art. 41 lid 1 Statuut.
Op de rijkswetprocedure wordt ingegaan in paragraaf 7.3.2 (‘De rijksregelgevingsprocedures: rijkswet, algemene maatregel van rijksbestuur en ministeriële rijksregelingen’). De grondslag voor dit construct is te vinden in art. 5 Statuut. Op grond van lid 1 van deze bepaling wordt het koningschap met de troonopvolging, de in het Statuut genoemde organen van het Koninkrijk, de uitoefening van de koninklijke en de wetgevende macht in aangelegenheden van het Koninkrijk, geregeld in de Grondwet voor zover het Statuut daarin niet voorziet. Krachtens lid 3 van deze bepaling zijn art. 15-20 Statuut (de rijkswetprocedure) van toepassing op een voorstel tot wijziging van de Grondwet inzake aangelegenheden van het Koninkrijk, dan wel een ontwerp van wet dat er grond bestaat een dergelijk voorstel in overweging te nemen
Officiële toelichting, p. 11. Zie ook J. van der Hoeven, ‘De nieuwe rechtsorde en de Grondwet’, NJB 1955, p. 79: “Het lijkt ons dan ook raadzaam, nu het Statuut onmiskenbaar prevaleert boven de Grondwet, de bepaling van artikel 5 lid 2 Statuut zodanig te begrijpen, dat de Grondwet uitgelegd dient te worden overeenkomstig het Statuut en dat bij kennelijke strijd in elk geval de regeling van het Statuut vóórgaat. Aanpassing der Grondwet kan dan wachten, totdat ook om andere redenen herziening van dit staatsstuk noodzakelijk wordt geacht.”
Officiële toelichting, p. 11. Zie ook: W.H. van Helsdingen, HetStatuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij- en uitgeverijbedrijf 1957, p. 292-296.
Zie ook het pleidooi van H.G. Hoogers die, anders dan Borman 2012, stelt dat er geen sprake is van een ‘verstrengeling’ tussen het Statuut en de Grondwet, vanwege de omstandigheid dat de statutaire bepalingen hoger in de normenhiërarchie staan dan de grondwettelijke bepalingen die bij rijkswet zijn vastgesteld: H.G. Hoogers, De normenhiërarchie van het Koninkrijk der Nederlanden. Een bijdrage aan het constitutioneel Koninkrijksrecht, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2009, p. 17 e.v.
Een greep uit de literatuur: J. van der Hoeven, ‘Koninkrijksrecht en Nederlands constitutioneel recht’, RM Themis 1959, p. 375-389; J.H.A. Logemann, ‘De hiërarchie der wettelijke regelingen in het Statuut’, NJB 1955, p. 433-440; J.H.A. Logemann, ‘Wat moet bij rijkswet worden geregeld?’, NJB 1956, p.141-149; A.G. Croes, De herdefiniëring van het Koninkrijk, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2006; R.R. Santos do Nascimento, Het Koninkrijk ontsluierd, Apeldoorn-Antwerpen: Maklu 2016.
Zie hiervoor bijvoorbeeld de voorlichting van de Raad van State over het geven van aanwijzingen aan de Gouverneurs van de Caribische landen van het Koninkrijk d.d. 17 september 2015, Kamerstukken II 2014-2015, 34 000-IV, nr. 52: “Deze afbakening van bevoegdheden in het Statuut is voor de Caribische landen van groot belang, vooral omdat het Statuut geen eigen, van de landen separate, overkoepelende Koninkrijksorganen kent. De organen van het Koninkrijk zijn in essentie Nederlandse organen die met inachtneming van bepaalde aanvullende procedurele waarborgen handelen in het kader van een Koninkrijksfunctie.” Zie ook Logemann 1955, p.433-440.
Van der Hoeven 1959, p. 375-389.
Van der Hoeven 1959, p. 381. Van der Hoeven vervolgt op p. 384: “[…] er zijn geen Koninkrijksinstellingen – afgezien van de Kroon – maar alleen Nederlandse instellingen, fungerend in en door het Nederlandse constitutionele recht. Het is niet mogelijk door een enkel Statuut-artikel een stuk recht, dat de uitdrukking vorm van een vitaal stuk Nederlands staatsleven, een andere status te geven en tot het gemeenschappelijk bezit van Nederland en de andere rijksdelen te maken.”
Van der Hoeven 1959, p. 385.
Gerhard Hoogers, Frank de Vries, Hoofdlijnen Arubaans Staatsrecht, Zutphen: Uitgeversmaatschappij Walburg Pers 2002, p. 42.
Indien het volgens Hoogers en De Vries gaat om eenhoofdige organen, zoals de Koning of de Gevolmachtigde Ministers, dan zijn de bevoegdheden van het desbetreffende orgaan in de statutaire rechtsorde doorslaggevend. Hoogers, De Vries 2002, p. 42, 219 (voetnoot 13).
Borman 2012, p. 104 stelt in dit kader: “Met de formule ‘Er is een Raad van State van het Koninkrijk’ wekt art. 13 lid 1 Statuut de indruk dat een speciaal, met de Nederlandse Raad van State vergelijkbaar orgaan in het leven wordt geroepen. In de volgende leden van het artikel wordt die indruk niet bevestigd. Zij gaan over de Nederlandse Raad van State die wordt gehoord over ontwerpen van rijkswetten en algemene maatregelen van rijksbestuur en waarin op verzoek van de regeringen van Curaçao, Aruba en Sint Maarten een lid kan worden benoemd. Uit die bepalingen valt af te leiden dat het gaat om een bestaand Nederlands orgaan dat bij behandeling van de Caribische landen regarderende onderwerpen eventueel in aangepaste samenstelling kan functioneren.”
Het feitelijke en praktische verschil is dat de portefeuille van de ene minister meer binnen het terrein van een Koninkrijksaangelegenheid valt dan van de andere ministers. Desalniettemin is de minister van bijvoorbeeld Onderwijs, Sport en Welzijn – hoewel deze onderwerpen landsaangelegenheden zijn – tevens Koninkrijksminister. Hoewel de ministers in het Statuut niet expliciet worden aangemerkt als Koninkrijksorgaan, is dit wel het geval in de Officiële Toelichting op art. 5 Statuut.
Art. 8 Statuut; Borman 2012, p. 91-93.
Zie ook Advies W01.16.027/I/Vo/K, Kamerstukken II 2016-2017, 27 570 (R 1672), nr. 20, paragraaf 5: “De Gevolmachtigde Ministers zijn geen Koninkrijksministers. Zij handelen namens de regeringen van hun land, die hen benoemen en ontslaan, en zijn daarom niet individueel verantwoordelijk jegens de Staten-Generaal, zoals door de Koning benoemde ministers. Evenmin zijn zij individueel verantwoording verschuldigd aan de Staten: alleen de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten zijn jegens de eigen Staten politiek verantwoordelijk voor het optreden van hun Gevolmachtigde Minister in de Rijksministerraad.”
Art. 2 lid 1 Statuut luidt: “De Koning voert de regering van het koninkrijk en elk der landen. Hij is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk.” De Koning wordt krachtens art. 2 lid 2 Statuut in de overzeese landen vertegenwoordigd door de Gouverneur.
Hoogers en De Vries stellen dat de Gevolmachtigde Minister dan ook kan worden aangemerkt als een ‘Koninkrijksorgaan pur sang’ vanwege de omstandigheid dat het bestaan van dit instituut gekoppeld is aan het bestaan van de statutaire rechtsorde. Hoogers, De Vries 2002, p. 45. Hoewel de Gevolmachtigde Minister een Koninkrijksorgaan is, is de Gevolmachtigde Minister geen Koninkrijksminister zoals een minister van het land Nederland dat wel is. Dit heeft te maken met het hiervoor besprokene: de Gevolmachtigde Ministers handelen namens hun landregering. Daarnaast zijn zij niet verantwoording verschuldigd jegens de Staten-Generaal.
De Officiële Toelichting op art. 4 Statuut vermeldt in dit kader: “De wetgevende macht wordt in het tweede lid [van art. 4 Statuut] opgedragen aan de wetgever van het Koninkrijk. Ingevolge artikel 5 wordt, met inachtneming van de bepalingen van het Statuut, door de Grondwet bepaald wie als wetgever fungeert […].”
Art. 4 lid 2 Statuut verwijst in dit kader naar de rijksregelgevingsprocedure neergezet in art. 15 tot en met 21 Statuut.
Kamerstukken II 1977-1978,15 047 (R 1099), nr. 2-3; Stb. 1983, 70.
In het verslag van de Werkgroep Democratisch Deficit Koninkrijk wordt gesteld dat de formele Koninkrijkswetgever bestaat uit de Raad van Ministers van het Koninkrijk en de Staten-Generaal gezamenlijk. Kamerstukken I/II 1999-2000, 27 198, nrs. 267 en 1, p. 16; Ook A-G Croes stelt dat de Staten-Generaal van Nederland samen met de Koninkrijksregering de wetgever van het Koninkrijk uitmaken. A.G. Croes, ’ Kiesrecht en Koninkrijksparlement’, in: H.R.B.M. Kummeling, J. Saleh (red.), Nieuwe verhoudingen in het Koninkrijk, Utrecht: Universiteit Utrecht 2007, p. 62.
Logemann neemt in zijn in 1956 in het NJB verschenen bijdrage ‘Wat moet bij rijkswet worden geregeld?’ een ander standpunt in met betrekking tot de vraag of de Staten-Generaal zijn te kwalificeren als een Koninkrijksorgaan. Deze vraag beantwoordt hij bevestigend. Logemann schrijft: “Bepaald niet delen kan ik de opvatting der regering dat wijzigingen in de samenstelling van de Staten-Generaal een louter Nederlandse aangelegenheid zijn. Zij betreffen toch, zoals artikel 5 van het statuut zegt, een orgaan van het koninkrijk. Dit is niet mijn subjectieve interpretatie, maar de toelichting op artikel 5 […] noemt ‘de wetgever’ uitdrukkelijk als voorbeeld van een koninkrijksorgaan.” Het argument dat de Staten-Generaal deel uitmaken van de wetgever van het Koninkrijk met als gevolg dat de Staten-Generaal een koninkrijksorgaan zijn, overtuigt niet. Een landsorgaan blijft een landsorgaan indien de samenstelling ervan niet verandert als dit orgaan in de statutaire rechtsorde bevoegdheden uitoefent.
Hoogers, De Vries 2002, p. 48. Hiervoor is geconstateerd dat Van der Hoeven de mening is toegedaan dat er geen Koninkrijsorganen zijn. Over de Staten-Generaal stelt hij: “Uitbreiding van het ledental, regeling der zittingsduur: het zijn zaken van Nederlands-constitutioneel recht. Terecht zijn deze onderwerpen bij ontwerp van wet – en niet van rijkswet – aanhangig gemaakt. En dat niet, omdat, naar de formulering der regering, de West bij deze ontwerpen ‘geen wezenlijk belang’ had. […] Maar omdat de Staten Generaal als constitutionele instelling tot het Nederlandse constitutionele recht behoren.” Van der Hoeven 1959, p. 387. Aangezien de samenstelling van de Staten-Generaal niet verandert indien ontwerpen van rijkswet worden behandeld, zijn de Staten-Generaal een landsorgaan van Nederland.
De vraag of er een Koninkrijksparlement bestaat, heeft de nodige pennen in beweging gebracht. Voor enkele bronnen kan volstaan worden met verwijzing naar Nap 2003, p. 180 en de aldaar aangehaalde literatuur.
Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden dat is afgekondigd in december 1954, is de hoogste constitutionele regeling binnen dit Koninkrijk. In het huidige art. 1 worden de gebieden genoemd die het Statuut beslaat, zijnde Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten.1 Bij het doornemen van het Statuut is van belang de twee verschillende rechtsordes waar het Statuut van uit gaat in het achterhoofd te houden. Het Statuut onderscheidt namelijk een rechtsorde van het Koninkrijk der Nederlanden zelf, en een rechtsorde van de landen van het Koninkrijk afzonderlijk. Dit Statuut maakt een onderscheid tussen Koninkrijksaangelegenheden en de eigen aangelegenheden van de landen – de zogenoemde landsaangelegenheden. De aangelegenheden van het Koninkrijk worden in samenwerking van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten behartigd.2 De aangelegenheden van de landen worden door de landen afzonderlijk behartigd.3 Wat zijn de aangelegenheden van het Koninkrijk, of wat zijn de aangelegenheden van de landen? Het Statuut somt de Koninkrijksaangelegenheden op. De meeste aangelegenheden van het Koninkrijk zijn genoemd in art. 3 Statuut en omvatten:
de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk;
de buitenlandse betrekkingen;
het Nederlanderschap;
de regeling van de ridderorden, alsmede van de vlag en het wapen van het Koninkrijk;
de regeling van de nationaliteit van schepen en het stellen van eisen met betrekking tot de veiligheid en de navigatie van zeeschepen, die de vlag van het Koninkrijk voeren, met uitzondering van zeilschepen;
het toezicht op de algemene regelen betreffende de toelating en uitzetting van vreemdelingen;
de uitlevering.”4
Naast deze aangelegenheden van het Koninkrijk stelt art. 43 lid 2 Statuut dat het waarborgen van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van het bestuur een aangelegenheid is van het Koninkrijk. In gemeen overleg kunnen andere onderwerpen tot aangelegenheden van het Koninkrijk worden verklaard.5 Alle andere onderwerpen die door het Statuut niet worden geclassificeerd als Koninkrijksaangelegenheden vallen onder de autonome bevoegdheid van de landen. De landen zijn op die gebieden bevoegd regelgeving uit te vaardigen. Deze autonome bevoegdheid van de landen wordt door het Statuut ook met zoveel woorden erkend.6
Naast het Statuut omvat de Koninkrijksconstitutie tevens de Grondwet voor het Koninkrijk. Zo komt in art. 5 Statuut naar voren dat het koningschap met de troonopvolging, de in het Statuut genoemde organen van het Koninkrijk, de uitoefening van de koninklijke en de wetgevende macht in de aangelegenheden van het Koninkrijk voor zover het Statuut daarin niet voorziet, worden geregeld in de Grondwet. Dit heeft tot gevolg dat de Grondwet naast het Statuut ook een bron is van de Koninkrijksconstitutie. Dientengevolge zijn verschillende grondwettelijke bepalingen bij rijkswet vastgesteld.7 Het betreffen onder andere de bepalingen in art. 2 Grondwet (Nederlanderschap en uitlevering), art. 90-96 Grondwet (buitenlandse betrekkingen) en art. 97-100 (de onafhankelijkheid en verdediging van het Koninkrijk). De verhouding tussen de grondwettelijke normen die deel uitmaken van de statutaire rechtsorde en het Statuut wordt beheerst door art. 5 lid 2 Statuut. Deze bepaling stelt dat de Grondwet de bepalingen van het Statuut in acht neemt. Uit de Officiële Toelichting op het Statuut blijkt dat de intentie van de Statuutwetgever hiermee was duidelijkheid te brengen in de verhouding tussen het Statuut en de grondwettelijke bepalingen die deel uitmaken van de statutaire rechtsorde. De Officiële Toelichting op deze bepaling vermeldt dat, indien de Grondwet op bepaalde punten afwijkt van het Statuut, de bepalingen in het Statuut prevaleren.8 Het gevolg van de constatering dat een grondwettelijke norm in strijd is met een statutaire norm, is dat de grondwettelijke norm in overeenstemming zal worden gebracht met de statutaire norm.9 Kortom, ook al maken verschillende grondwettelijke bepalingen deel uit van de Koninkrijksconstitutie, bij collisie wijken de grondwettelijke bepalingen voor de statutaire bepalingen.10
Als gezegd, wordt een relevant onderscheid gemaakt binnen het Koninkrijk tussen het recht van het Koninkrijk enerzijds en het recht van de Landen afzonderlijk anderzijds. Binnen het Koninkrijksrecht is het relevant stil te staan bij de vraag welke organen optreden om bijvoorbeeld uitvoering te geven aan de hierboven genoemde Koninkrijksaangelegenheden. Hiervoor is ter sprake gebracht dat art. 5 Statuut met betrekking tot een aantal onderwerpen verwijst naar grondwettelijke bepalingen indien het Statuut daarin niet voorziet. Voordat in de volgende paragraaf zal worden ingegaan op de rijksregelgevingsprocedure, worden hieronder enkele organen besproken die handelen in de statutaire rechtsorde.
De Officiële Toelichting op het Statuut somt enkele organen van het Koninkrijk op. Bij de toelichting op art. 5 Statuut, dat hiervoor is genoemd, worden onder meer de Raad van State van het Koninkrijk en de ministers als voorbeelden van organen van het Koninkrijk genoemd. Verschillende auteurs hebben aandacht besteed aan de vraag wat deze Koninkrijksorganen zijn.11 De standpunten die in dit debat worden ingenomen, tonen grote verschillen. Zo wordt de stelling verdedigd dat er überhaupt geen organen van het Koninkrijk bestaan.12 Van der Hoeven stelt dit in zijn in 1959 in RM Themis verschenen bijdrage.13 In deze bijdrage verdedigt hij dat de organen die in het Statuut voorkomen, zoals de ministerraad van het Koninkrijk en de Staten-Generaal niet bijeenkomen in afzonderlijke ‘Koninkrijksvergaderingen’. In deze vergaderingen worden volgens de auteur ontwerpen van wet en ontwerpen van rijkswet behandeld. Dit gebeurt, in de woorden van Van der Hoeven ‘in één adem’.14 Dit brengt Van der Hoeven tot het standpunt dat de term ‘Koninkrijksorgaan’ wordt gehanteerd als een functie-aanduiding.15 Hiertegenover staan verschillende auteurs, onder wie ik, die de mening zijn toegedaan dat Koninkrijksorganen wel degelijk bestaansrecht hebben. Van der Hoeven lijkt in zijn redenering voorbij te gaan aan de omstandigheid dat de samenstelling van de Nederlands-constitutionele instellingen soms wijzigt indien zij optreden in de statutaire rechtsorde. De Koninkrijksregering is een geschikt voorbeeld. De samenstelling van de Koninkrijksregering verschilt van die van de Nederlandse regering. De Koninkrijksregering bestaat immers uit de Koning, de door de Koning benoemde ministers en de Gevolmachtigde Ministers van de overzeese landen die in de vergaderingen van de Koninkrijksministerraad stemrecht hebben. De bevoegdheden van de Koninkrijksregering verschillen ook van die van de Nederlandse regering. Alleen de Koninkrijksregering is bevoegd ten aanzien van bijvoorbeeld buitenlandse betrekkingen en defensie. De Nederlandse regering (dat wil zeggen de Koning en de door de Koning benoemde ministers) is bevoegd ten aanzien van landsaangelegenheden. Om deze reden is door Hoogers en De Vries terecht gesteld dat een orgaan kan worden aangemerkt als een Koninkrijksorgaan indien wordt voldaan aan twee voorwaarden: ten eerste dient het desbetreffende Koninkrijksorgaan bevoegdheden uit te oefenen in de statutaire rechtsorde en ten tweede dient de samenstelling van het orgaan te verschillen van zijn equivalent in de landen.16 De auteurs brengen ter onderbouwing van dit standpunt naar voren: “De fundering voor deze constatering is naar onze mening gelegen in de grondgedachte van het Statuut, dat de organen van het Koninkrijk weliswaar gebaseerd zijn op de door de Grondwet of de Staatsregelingen geconstitueerde organen, maar daarmee toch niet identiek zijn. Voor zover in het Statuut een orgaan optreedt in zijn gewone, grondwettelijke hoedanigheid is er onzes inziens dan ook geen sprake van een orgaan van het Koninkrijk.”17
De Officiële Toelichting rept van de complicatie van de samenval van de organen van het Koninkrijk met de organen van het land Nederland. Zo is bijvoorbeeld in art. 13 lid 1 Statuut verankerd dat er een Raad van State van het Koninkrijk is. Lid 2 van dezelfde bepaling maakt het mogelijk dat, indien de regering van de overzeese landen daartoe de wens kennen, de Koning voor de overzeese landen een lid kan benoemen in de Raad van State van het Koninkrijk.18 Voor de daadwerkelijke werkwijze van dit Koninkrijksorgaan wordt op grond van art. 5 lid 1 Statuut verwezen naar de bepalingen in de Grondwet aangaande de Raad van State. Een vergelijkbaar geval doet zich voor bij de Rijksministerraad. Op grond van art. 7 Statuut is de Raad van Ministers van het koninkrijk samengesteld uit de door de Koning benoemde ministers (de ministers van het land Nederland) en de door de regering van Aruba, Curaçao respectievelijke Sint Maarten benoemde Gevolmachtigde Minister. Dit heeft tot gevolg dat alle ministers van Nederland twee petten op hebben: zij zijn minister van het land Nederland én minister van het Koninkrijk.19 De tweepettenconstructie geldt niet voor de Gevolmachtigde Ministers, aangezien de Gevolmachtigde Ministers handelen namens de regeringen van hun landen, die hen benoemen en ontslaan.20 De Gevolmachtigde Minister is dan ook geen minister van het Koninkrijk.21 De Koninkrijksministerraad maakt samen met de Koning deel uit van de Koninkrijksregering.22 De Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten maken derhalve deel uit van de Koninkrijksregering vanwege hun lidmaatschap van de Koninkrijksministerraad, alwaar zij tevens stemrecht hebben.23
Het voorgaande illustreert dat er in ieder geval samenval bestaat tussen de constitutionele actoren binnen het Koninkrijk en het land Nederland. Ook waar het Statuut enkele organen bestempelt als Koninkrijksorganen geldt dat de personen die deze posities bezetten in beginsel samenvallen met de personen die vergelijkbare posities bezetten op het landsniveau van Nederland. Dit construct komt voor een deel terug bij de wetgever van het Koninkrijk. Zo wordt in art. 4 lid 2 Statuut gewezen op de omstandigheid dat de wetgevende macht in de aangelegenheden van het Koninkrijk wordt uitgeoefend door de wetgever van het Koninkrijk. Een antwoord op vraag wie de wetgever van het Koninkrijk is, wordt echter niet gegeven door het Statuut.24 Dit blijkt impliciet uit de uiteenzetting van de totstandkoming van regelgeving binnen het Koninkrijk en uit het hiervoor ter sprake gekomen art. 5 Statuut, dat voor gebreken ten aanzien van de wetgevende macht van het Koninkrijk verwijst naar de Grondwet.25 Uit art. 81 Grondwet blijkt dat de wetgevende macht in Nederland wordt uitgeoefend door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk. Deze bepaling is bij rijkswet vastgesteld,26 met als gevolg dat zij deel uitmaakt van de Koninkrijksconstitutie. Een van de gevolgen van dit construct is dat de Staten-Generaal – het vertegenwoordigende orgaan van het land Nederland – deel uitmaken van de wetgevende macht van het Koninkrijk.27 De wetgever van het Koninkrijk (een Koninkrijksorgaan) bestaat derhalve uit de regering van het Koninkrijk (tevens Koninkrijksorgaan) en de Staten-Generaal (landsorgaan van Nederland). De Staten-Generaal worden aangemerkt als een landsorgaan vanwege de omstandigheid dat de samenstelling van de Staten-Generaal niet wijzigt indien dit orgaan optreedt in de statutaire rechtsorde.28 Weliswaar hebben de Gevolmachtigde Ministers bevoegdheden jegens de Staten-Generaal en kunnen de overzeese Staten bijzondere gedelegeerden zenden naar de beraadslagingen in de Staten-Generaal, maar stemgerechtigd zijn zij aldaar niet.29
Uit de volgende paragraaf zal blijken hoe de rijksregelgevingsprocedure in zijn werk gaat. De bestudering van de totstandkoming van rijksregelgeving is noodzakelijk teneinde te kunnen vaststellen dat de Staten-Generaal van het land Nederland in de rijksregelgevingsprocedures de facto functioneren als het vertegenwoordigende orgaan binnen het Koninkrijk.30 Hierop wordt dan ook teruggekomen na de behandeling van de rijksregelgevingsprocedure.