Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/5.7.12
5.7.12 Mogelijkheid tot het verkrijgen van schadevergoeding
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS393694:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie omtrent het aanmerken van het vertrouwensbeginsel als zelfstandige rechtsgrond voor nadeelcompensatie Den Ouden & Tjepkema 2010, p. 166 e.v. Deze zelfstandige rechtsgrond is in de Nederlandse jurisprudentie nog niet erkend. Zie ook Ortlep 2011, p. 316 e.v. Zie verder hoofdstuk 6, paragraaf 6.8.6.14.
HvJEG 16 juli 1992, C-187/91 (Belovo), Jur. 1992, p. 1-4937, r.o. 20. Zie Den Ouden & Tjepkema 2010, p. 169; Den Ouden 2008, p. 25 en Meij 1993, p. 85.
Zie ook Den Ouden & Tjepkma 2010, p. 169.
Den Ouden & Tjepkema 2010, p. 169-170.
Vergelijk Ortlep 2009, p. 103. Ortlep schrijft hier overigens alleen dat het mogelijk moet zijn om een onrechtmatigedaadsactie bij de burgerlijke rechter te starten en besteedt geen aandacht aan nadeelcompensatie.
HvJEG 29 juni 2004, C-110/02 (Commissie/Raad), Jur. 2004, p. 1-6333, r.o. 45.
HvJEG 27 september 1988, gevoegde zaken C-106/87-120/87 (Asteris), Jur. 1988, p. 5515, AB 1991, 314, m.nt. H.J. Simon en B.M.J. van der Meulen.
Adriaanse 2012, p. 645; Tjepkema 2010, p. 727 en Den Ouden & Tjepkema 2007, p. 90.
C(2004) 2026 fin. Zie omtrent deze beschikking Tjepkema 2010, p. 728 e.v. en Den Ouden & Tjepkema 2007, p. 90 e.v.
GEU 1 juli 2010, T-62/08 (ThijssenKrupp e.a.), Jur. 2010, p. 11-3229, AB 2012, 27, m.nt. M.R. Baart en M.K.G. Tjepkema. In hoger beroep heeft het Hof van Justitie het arrest van het Gerecht in stand gelaten (HvJEU 6 oktober 2011, gevoegde zaken C-448/10P-C-450/10P (ThijssenKrupp e.a.), n.n.g. Zie hieromtrent Adriaanse 2012, p. 645-646.
Tjepkema 2010, p. 730; Den Ouden & Tjepkema 2007, p. 92.
Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het vrijwel niet mogelijk is dat nationale uitvoeringsorganen in geval van onregelmatigheden van intrekking en terugvordering van Europese subsidies afzien, ook á zijn de door de eindontvanger gepleegde onregelmatigheden (deels) aan diezelfde organen te wijten. Een besluit tot intrekking en terugvordering van de Europese subsidie door een nationaal uitvoeringsorgaan zal derhalve in stand blijven, ook als naar het oordeel van de nationale rechter het vertrouwensbeginsel naar nationaal recht is geschonden. Van een onrechtmatig besluit is derhalve geen sprake. Een interessante vraag is in hoeverre in dat geval naar Europees recht ruimte bestaat voor het verstrekken van een nadeelcompensatie op grond van het beginsel 'égalité devant les charges publiques' (égalitébeginsel) dan wel het nationaal vertrouwensbeginsel.1
In het arrest Belovo heeft het Hof van Justitie uitgemaakt dat het Eu-recht zich niet verzet tegen een aansprakelijkheidsactie naar nationaal recht vanwege ten onrechte gewekt vertrouwen door het desbetreffende nationale uitvoeringsorgaan.2 Nu in de huidige Europese subsidieregelgeving geen schadevergoedingsregeling is neergelegd, lijkt er dan ook geen bezwaar tegen te bestaan dat op grond van het nationale vertrouwensbeginsel een schadevergoeding wordt toegekend.3 Dat het Europese vertrouwensbeginsel bepalend is bij de vraag of de in strijd met het Eu-recht verstrekte Europese subsidies moeten worden ingetrokken betekent dus niet per definitie dat voor een eventuele nadeelcompensatieclaim het nationale vertrouwensbeginsel niet het geëigende toetsingskader kan zijn, wanneer het Eu-recht zich daartegen niet verzet.4 Door het toekennen van nadeelcompensatie kan recht worden gedaan aan de overweging van het Hof van Justitie dat de nationale rechter in procedures inzake de intrekking en terugvordering van Europese subsidies rekening dient te houden met het gedrag van de betrokken nationale uitvoeringsorganen.5 Daarbij is wel van belang dat daarbij waarschijnlijk wel geldt dat — analoog aan de jurisprudentie inzake staatssteun — met het toekennen van nadeelcompensatie niet het effect van de intrekking en terugvordering van de Europese subsidie ongedaan mag worden gemaakt.6 Hoewel het Hof van Justitie zich nog niet heeft uitgelaten of in het kader van de verstrekking van Europese subsidies ook het égalitébeginsel als grondslag voor schadevergoeding kan dienen, kan ten aanzien van dit beginsel dezelfde redenering worden gevolgd.
Uiteraard moeten bij het verstrekken van een zodanige schadevergoeding wel de Europese staatssteunregels in het oog worden gehouden. Zolang echter sprake is van een verplichte nadeelcompensatie op grond van het égalitébeginsel ofwel het vertrouwensbeginsel, kan uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie en de beschikkingenpraktijk van de Europese Commissie worden afgeleid dat dit niet in strijd komt met de Europese staatssteunregels.
In het arrest Asteris overweegt het Hof van Justitie dat steunmaatregelen een fundamenteel ander karakter hebben dan vergoedingen die de nationale autoriteiten op grond van een rechterlijke uitspraak eventueel aan particulieren moeten betalen ter zake van een schade die zij aan die particulieren hebben veroorzaakt.7 Hoewel dit arrest betrekking had op schadevergoeding naar aanleiding van onrechtmatig overheidshandelen, werd er in de literatuur altijd van uitgegaan dat het arrest Asteris op alle uit een rechtsplicht voortvloeiende schadevergoedingen van overheidswege van toepassing is.8 Uit de Akzo Nobel-beschikking blijkt dat ook de Europese Commissie van mening is dat geen sprake is van staatssteun indien de schadevergoeding louter dient ter compensatie van schade ten gevolge van overheidsingrijpen, waarbij de schadevergoeding het directe resultaat is van dit overheidsingrijpen en bepaald wordt op basis van een algemene schadevergoedingsregeling die rechtstreeks gebaseerd is op het door de rechter erkende grondwettelijke eigendomsrecht.9 Inmiddels heeft het Gerecht bevestigd dat de Asteris-jurisprudentie gelijkelijk van toepassing is op een compensatiemaatregel.10 In de literatuur is als hoofdregel geformuleerd dat verplichte schadevergoedingen in beginsel verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt voor zover zij hun grondslag vinden in een algemene schadevergoedingsregeling of in een algemeen aanvaard, door de rechter erkend beginsel dat tot schadevergoeding verplicht.11