Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/9.7.2:9.7.2 Binnen welk politiek-filosofisch kader kan het juridische begrip van godsdienst worden geplaatst?
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/9.7.2
9.7.2 Binnen welk politiek-filosofisch kader kan het juridische begrip van godsdienst worden geplaatst?
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS456420:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De door de wetgever van 1932 voorgestane dynamisch-objectiverende definitie van de wettelijke termen ‘godslastering’ en ‘godsdienstige gevoelens’ werd door een optelsom van motieven gelegitimeerd onder andere door een confessioneel motief. Dit laatste motief was dat de wetgever niet een statisch geobjectiveerd godsbegrip nastreefde op grond waarvan vanuit een theocratische invalshoek elke kritiek op het christelijke begrip van God kon worden bestraft, maar in lijn met het Antirevolutionaire gedachtegoed werd uitgegaan van een dynamisch of open godsbegrip dat de verhouding tussen de gelovige en God centraal stelde. Het open karakter van het godsbegrip past bij het gedachtegoed van de Anti Revolutionaire Partij (ARP) dat gegrondvest was in het principe van ‘soevereiniteit in eigen kring’. Men vond dat de overheid noch burgers een taak hadden in het definiëren van God. Indien men dit toch zou doen zou men interfereren in de rechtskring van God en de gelovige(n). Toch kan de legitimatie voor de dynamisch-objectiverende wijze van kwalificeren niet zonder meer geplaatst worden binnen een communautaristisch politiek-filosofische ideaaltype. De wetgever gaat bij de invulling van het godsbegrip namelijk niet uit van de opvattingen van het rechtssubject. Hij gaat met andere woorden, niet uit van een subjectiverende uitleg van de wettelijke term God. Het is bijvoorbeeld niet zo dat aan het individu of een kerkgenootschap de vrijheid wordt gelaten om te bepalen wat de betekenis is van God. In plaats daarvan heeft de wetgever het over de concrete voorstellingen van God die in de maatschappij leven. Het subject is dus niet leidend maar de aan verandering onderhevig zijnde algemene opvattingen in de samenleving. Omdat niet gesteld kan worden dat er sprake is van een collectief-subjectiverende uitleg van godsdienst kan de uitleg van de wetgever niet geheel geplaatst worden binnen een communautaristisch ideaaltype. Gezien de specifieke beperking van het godsbegrip tot de monotheïstische godsdiensten en tot de opvattingen van de meerderheid van de bevolking lijkt het meer te passen bij het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme. Daarmee worden immers singuliere, niet traditionele en excentrieke godsdienstige gevoelens van bescherming uitgesloten.
De wetgever van 2014 die het verbod van godslastering heeft geschrapt, gaat ervan uit dat de bestanddelen ‘godslastering’ en ‘godsdienstige gevoelens’ rechtsongelijkheid bewerkstelligen omdat ze een begrip van God veronderstellen waarmee niet-christenen zich niet of nauwelijks kunnen vereenzelvigen. Het godsbegrip van de wetgever van 2014 vormde een belangrijk argument voor het afschaffen van het godslasteringsverbod. Het afschaffen van het godslasteringsverbod kan men echter wel beschouwen als een tamelijk draconische maatregel om de gelijkheid tussen verschillende godsdiensten en levensbeschouwingen te bewerkstelligen. De wetgever had ook een meer multiculturele benadering kunnen volgen door het verbod zo aan te passen dat het een grotere verscheidenheid aan godsdienstige en levensbeschouwelijke gevoelens zou beschermen. De benadering van het afschaffen van het afschaffen van het godslasteringsverbod past in een seculier politiek-filosofisch ideaaltype aangezien hierdoor voor de bescherming van ‘godsdienstige gevoelens’ geen plaats meer is in het publieke domein.
De onproblematische kwalificatie van de rechter in zaken naar aanleiding van het blasfemieverbod kunnen we niet politiek-filosofisch duiden.