Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.10.3
4.2.10.3 Geen aanwijzing van een bevoegd nationaal uitvoeringsorgaan
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS396078:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 62.3.3.
Vergelijk Den Ouden 2008, p. 19. Zie ook Verhoeven 2010A, p. 46
HvJEG 17 september 1997, C-54/96 (Dorsch Consult), Jur. 1997, p. 1-4961. Zie Verhoeven 2011, p. 223.
HvJEG 17 september 1997, C-54/96 (Dorsch Consult), Jur. 1997, p. 1-4961, r.o. 46.
Vergelijk HvJEG 7 januari 2004, C-60/02 (Rolex), Jur. 2004, p. 1-651 waarin in een Europese verordening wel was bepaald dat een bepaalde handeling niet was toegestaan, maar het opleggen van strafrechtelijke sancties aan de lidstaat werd gelaten. Indien de lidstaat deze handeling niet bij wet strafbaar heeft gesteld, kan een Europese verordening niet uit zichzelf en onafhankelijk van een door een lidstaat ter uitvoering van de verordening vastgestelde nationale wetgeving bepalend zijn voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van onderdanen (zie r.o. 61 en 62). De advocaat-generaal merkt in de conclusie van 5 juni 2003 op dat de lidstaat hooguit een eventuele niet-nakoming worden verweten, waartegen de Commissie of een andere lidstaat beroep kan instellen.
In deze paragraaf bespreek ik de vraag in hoeverre een nationaal uitvoeringsorgaan aan een rechtstreeks toepasselijke bepaling uit een Europese subsidieverordening een bevoegdheid kan ontlenen, indien de ingevolge de verordening of het beginsel van loyale samenwerking vereiste aanwijzing of oprichting van een specifiek nationaal uitvoeringsorgaan in het nationale recht niet heeft plaatsgevonden. Is het mogelijk dat desondanks bevoegdheden kunnen worden ontleend aan de Europese subsidieverordening? Het is ook mogelijk dat de aanwijzing of oprichting van het bevoegde nationale uitvoeringsorgaan wel heeft plaatsgevonden, maar dat deze aanwijzing of oprichting niet in de juiste nationale regeling is vervat of het bevoegde orgaan in strijd met het nationale recht slechts feitelijk is aangewezen. In hoofdstuk 6 zal in dat kader worden ingegaan op het Nationaal Agentschap Een Leven Lang Leren dat bij beschikking van de minister van ocszw is aangewezen om subsidies op grond van Een Leven Lang Leren toe te kennen.1 De vraag is of dit als consequentie moet hebben dat rechtstreeks toepasselijke Europese bepalingen niet kunnen worden geëffectueerd.
Mijns inziens kan een nationaal uitvoeringsorgaan in theorie een bevoegdheid aan een Europese verordening ontlenen, mits dat orgaan in de desbetreffende verordening expliciet wordt genoemd of aangewezen. Als gezegd komt dit wat betreft de Europese subsidieverordeningen niet voor. Indien op Europees niveau, noch op nationaal niveau een specifiek bevoegd nationaal uitvoeringsorgaan is aangewezen, lijkt het lastig om als nationaal uitvoeringsorgaan desondanks rechtstreeks aan een Europese subsidieverordening een bevoegdheid te ontlenen. Op het terrein van Europese verordeningen bestaat hieromtrent geen duidelijke jurisprudentie van het Hof van Justitie. Het in de volgende paragraaf te bespreken EsF-arrest ziet niet op de onderhavige situatie, nu in dat geval duidelijk was dat de minister van szw op grond van het nationale recht bevoegd was om de Europese subsidie terug te vorderen. Deze bevoegdheid was echter niet toereikend om aan de Europese verplichting tot terugvordering te voldoen. De nationale rechter zal er overigens voor moeten waken dat het EsF-arrest, gelet op de onduidelijke redenering van het Hof van Justitie, door nationale uitvoeringsorganen niet wordt aangegrepen om rechtstreeks bevoegdheden aan Europese verordeningen te ontlenen, terwijl niet is geregeld welk specifiek nationaal uitvoeringsorgaan daartoe bevoegd is.2
Verhoeven is van mening dat op grond van het arrest Dorsch Consult kan worden geconcludeerd dat een bevoegdheidsuitoefening door een nationaal uitvoeringsorgaan op grond van een Europese bepaling zonder dat aanwijzing of oprichting van het specifieke nationale uitvoeringsorgaan heeft plaatsgevonden niet mogelijk is.3 In deze zaak oordeelde het Hof van Justitie dat een nationale beroepsinstantie, die bevoegd is kennis te nemen van beroepen voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken en leveringen, niet enkel daarom rechtstreeks op grond van de richtlijn bevoegd is kennis te nemen van beroepen betreffende procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening.4De richtlijn maakte namelijk niet duidelijk welke nationale beroepsinstantie bevoegd was.
Afgewacht moet worden of het Hof van Justitie tot hetzelfde oordeel zal komen met betrekking tot een rechtstreeks toepasselijke bepaling uit een Europese verordening. Indien het Hof tot het oordeel komt dat de bepaling niet kan worden uitgevoerd, heeft dat immers tot gevolg dat een rechtstreeks toepasselijke bepaling niet kan worden geëffectueerd. Op deze wijze heeft de lidstaat de mogelijkheid om de uitvoering van rechtstreeks toepasselijke bepalingen te frustreren, enkel door het niet aanwijzen van het bevoegde nationale uitvoeringsorgaan. Dit kan, zeker indien het gaat om de terugvordering van Europese subsidies grote consequenties hebben. Navolging van het arrest Dorsch Consult in zaken waarin het gaat om onregelmatigheden die zich in het kader van de verstrekking van Europese subsidies hebben voorgedaan, zou ertoe kunnen leiden dat terugvordering en het opleggen van administratieve sancties wegens het ontbreken van een specifiek bevoegd nationaal uitvoeringsorgaan niet kan plaatsvinden. Denkbaar is dat indien op nationaal niveau wel is geregeld welk specifiek nationaal uitvoeringsorgaan bevoegd is de subsidie te verstrekken, het Hof van Justitie in de lijn van het hiervoor besproken arrest IPK International tot het oordeel komt dat daarmee ook de bevoegdheid tot terugvordering en het opleggen van administratieve sancties is gegeven. Zekerheid hieromtrent bestaat echter niet, nu het Hof van Justitie in het EsF-arrest heeft uiteengezet dat de Verordening nr. 2988/95 enkel algemene bepalingen inzake controle en sancties bevat, hetgeen impliceert dat artikel 4, eerste lid, van deze verordening niet als bevoegdheidsgrondslag voor terugvordering van Europese subsidies kan worden gebruikt. Voor het opleggen van administratieve sancties is in ieder geval wel vereist dat een duidelijke en toereikende rechtsgrondslag in de Europese verordening bestaat.5