Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/3.6.4.3
3.6.4.3 Incidentele of onvoorzienbare gevallen
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285338:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, blz. 20.
Bij de toelichting op art. 43c Uitv. Reg. AWR 1994 werd opgemerkt dat onder het VIV 1993 verleende ontheffingen die geen structureel karakter hebben en dus niet worden opgenomen in artikel 43c Uitv. Reg. AWR 1994 geldig blijven zij het met art. 67, derde lid, AWR als juridische basis (besluit Staatssecretaris van Financiën van 13 december 2007 (wijziging Uitv. Reg. AWR 1994 in verband met de invoering van art. 43c Uitv. Reg. AWR 1994), Stcrt. 2007, 248 (toelichting)).
MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, blz. 20 en NAV, Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 7, blz. 27.
Zie ook: par. 3.5 hiervoor.
Rechtbank 's-Gravenhage (civiele kamer) 13 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2236. In r.o. 1.3 is de ontheffing geheimhouding van 31 januari 2012 (gedeeltelijk) opgenomen. Vergelijk: brief Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 april 2012, Kamerstukken II 2011/12, 33 129, nr. 49.
Rechtbank 's-Gravenhage (civiele kamer) 13 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2236, r.o. 3.2-3.6.
Rechtbank 's-Gravenhage (civiele kamer) 13 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2236, r.o. 3.7.
Brief Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 april 2012, Kamerstukken II 2011/12, 33 129, nr. 49, blz. 1.
Aangeven tijdens een informeel overleg op het Ministerie van Financiën op 16 oktober 2017. Zie ook: NOS 17 oktober 2017, Stand van zaken nu: Landbouw en Onderwijs naar ChristenUnie, http://nos.nl/l/2198463 (online, geraadpleegd op 20 februari 2020) en NU.nl 18 oktober 2017, Steeds meer bewindspersonen bekend van kabinet-Rutte III, http://nu.nl/politiek/4968944/steeds-meer-bewindspersonen-bekend-van-kabinet-rutte-iii.html (online, geraadpleegd op 20 februari 2020).
Zie: art. 61, achtste lid, Provinciewet (commissaris van de Koning) en art. 61, achtste lid, Gemeentewet (burgemeester). Zie ook: Hoofdstuk 10, par. 2.3.3 over het (niet) laten vervallen van art. 67 AWR jo. art. 43c, eerste lid, onderdeel b, ten vijfde, Uitv. Reg. AWR 1994.
Wet van Wet van 28 april 1995, houdende vervanging van de Archiefwet 1962 (Stb. 313) en in verband daarmede wijziging van enige andere wetten (Archiefwet 1995), Kamerstukken II 1992/93, 22 866, Stb. 1995, 276. Ook onder de Archiefwet 1918 en de Archiefwet 1962 was het mogelijk om gegevens waarop een fiscale geheimhoudingsbepaling zag te vernietigen (art. 67 AWR of een van de bepalingen in het pre-AWR-tijdperk).
Art. 4, eerste lid, onderdeel a, Statuut Nationaal Archief (2006) jo. art. 25, tweede lid, onderdeel a, Archiefwet 1995.
Een tijdelijke beperking aan de openbaarheid (maximaal 75 jaar op grond van art. 15 Archiefwet 1995) verschuift het probleem naar de toekomst en is geen oplossing (bijvoorbeeld: ‘Behandeling van ingediende bezwaarschriften 1981’, Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Financiën: Directie Directe Belastingen [periode 1958-1985], nummer toegang 2.08.5226, inventarisnummers 562, 563, 712, 714-721 is beperkt tot 1 januari 2031).
Bijvoorbeeld: Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Financiën: Afdeling Directe Belastingen, 1846-1935, nummer toegang 2.08.05.09, inventarisnummer 444 en Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Financiën: Afdeling Directe Belastingen, 1846-1935, nummer toegang 2.08.05.09, inventarisnummer 708.
Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Financiën: Afdeling Directe Belastingen, 1846-1935, nummer toegang 2.08.05.09, inventarisnummer 708.
Art. 5, eerste lid, onderdeel e, Archiefbesluit 1995 biedt in combinatie met de ontheffingsmogelijkheid van art. 67, derde lid, AWR de ruimte om als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, in individuele gevallen van vernietiging uit te zonderen.
Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Financiën: Afdeling Directe Belastingen, 1846-1935, nummer toegang 2.08.05.09, inventarisnummer 496.
Hofmaarschalk Von Gontard wenste als tenaamstelling: ‘zyne Majesteit den Kaiser und König Wilhelm II’ of ‘zyne Majesteit Kaiser und König W.F.W.V.A. von Hohenzollern’.
Wet van 27 december 1817 tot het heffen eener belasting onder den naam van regt van successie, Kamerstukken II 1817/18, VIII, Stb. 1817, 37.
Koninklijk besluit van 20 september 1949, nr. 20 (Nationaal Archief, Den Haag, inventaris van het archief van het Kabinet der Koningin, 1946-1975 (1985), nummer toegang 2.02.20, inventarisnummer 9832) en brief Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van 16 maart 1973, dir. M.M.A/Ar. 167.240. Deze ontheffing op grond van art. 94 SW 1859 is ‘omgezet’ naar een ontheffing op grond van art. 67, tweede lid, AWR (oud) (selectielijst Belastingdienst (2001), handeling nr. 387 (en handeling nr. 366 voor de SW 1859)).
Opname in de ministeriële regeling ligt evenmin voor de hand. Die is bedoeld voor samenwerkingsverbanden en niet voor structurele gegevensverstrekkingen (zie: par. 6.5 hierna). Hier komt bij dat het Nationaal Archief in haar taak niet wordt belemmerd ingeval deze fiscale gegevens eveneens worden vernietigd. Het is immers aan de zorgdrager om een selectielijst op te stellen.
De Minister van Financiën is als zorgdrager verplicht om te motiveren waarom hij de (huidige) memories van aangifte van schenk- en erfbelasting, anders dan alle andere fiscale gegevens, zou willen bewaren (art. 5 Archiefwet 1995 jo. art. 5 Archiefbesluit 1995). Art. 2 Archiefbesluit 1995 geeft hierbij handvatten om een uitzondering op de hoofdregel van vernietiging te maken, hetgeen tot 1 januari 2008 was geformaliseerd in een ontheffing op grond van art. 67, tweede lid, AWR (oud). Zie ook: Hoofdstuk 10, par. 7.1 (generieke ontheffingen).
De incidentele of onvoorziene gevallen waarin gegevensverstrekking gewenst is, bijvoorbeeld vanwege een groot maatschappelijk belang, vormen de derde ontheffingsgrond.1 Het is geen cumulatieve eis.2 Als voorbeelden van incidentele en onvoorzienbare gevallen zijn genoemd het verstrekken van adresgegevens aan De Nederlandse Bank ten behoeve van het versturen van de Eurokit, het verstrekken van gegevens ten behoeve van bijstand aan ondernemers die getroffen waren door de vuurwerkramp in Enschede, gegevensverstrekking ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek en gegevensverstrekking ten behoeve van de voorbereiding van of onderzoek naar toekomstige wetgeving.3 Bij sommige verleende ontheffingen kunnen kritische kanttekeningen worden geplaatst.
Inkomensafhankelijke huurverhoging
Ter bevordering va de doorstroming op de huurmarkt is een inkomensafhankelijke huurverhoging ingevoerd.4 Vooruitlopend op de beoogde invoering per 1 juli 2012 heeft de Staatssecretaris van Financiën aan de Belastingdienst een generieke ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht verleend. Deze generieke ontheffing is echter door de voorzieningenrechter vernietigd.5 De voorzieningenrechter toetste het ontheffingsbesluit aan art. 8 EVRM en art. 8 Wbp. Hij oordeelde dat ook bij het verlenen van een ontheffing moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bij de beoordeling van de ontheffing diende een afweging te worden gemaakt tussen het gerechtvaardigde belang van de verhuurder en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de huurder. Doorslaggevend was het feit dat, ingeval de beoogde invoering per 1 juli 2012 niet zou zijn gehaald, de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet ongedaan zou worden gemaakt.6 Het feit dat de rechter een andere afweging maakt en oordeelt dat het ontheffingsbesluit de toets van art. 8 Wbp niet kan doorstaan is tot daar aan toe. Veel opmerkelijker is dat de rechtbank, in een soort overweging ten overvloede, overweegt dat art. 67, derde lid, AWR onvoldoende grondslag biedt voor een dergelijke generieke ontheffing. In zijn (voorlopig) oordeel oordeelt de rechtbank dat geen van de drie ontheffingsgronden van toepassing is. Dit leidt tot de conclusie dat de ontheffingsbevoegdheid is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die is verleend en het ontheffingsbesluit alsdan wordt geacht te zijn genomen in strijd met het verbod van détournement de pouvoir.7 Ondanks de ferme conclusie dat de Staatssecretaris van Financiën misbruik van zijn bevoegdheden heeft gemaakt, beperkte de kabinetsreactie zich slechts tot de opmerking dat de Staat de uitspraak van de rechter respecteerde en geen beroep instelde.8
Integriteitsonderzoek naar ministers en staatssecretarissen
Voorafgaand aan hun beëdiging worden beoogde ministers en staatssecretarissen onderworpen aan een integriteitsonderzoek waarbij ook wordt gekeken naar de fiscaliteit. Hiervoor zou op grond van art. 67, derde lid, AWR een ontheffing worden verleend.9 Het is eveneens twijfelachtig of hiervoor wel een ontheffing had kunnen worden verleend. Ervan uitgaande dat het gebruik van fiscale gegevens ten behoeve van een integriteitsonderzoek wordt gezien als noodzakelijk (maatschappelijk belang) is geen sprake van een incidenteel of onvoorzien geval; deze situatie doet zich immers bij elke kabinetsformatie telkens weer voor (een zich repeterende casus). Dat het telkens andere beoogde bewindspersonen zijn, is hierbij naar mijn mening niet relevant. Ten behoeve van de screening van onder meer potentiële commissarissen van de Koning of burgemeesters is het gebruik van fiscale gegevens ten behoeve van een integriteitsonderzoek wel structureel geregeld.10
Nationaal Archief
De strikte fiscale geheimhoudingsplicht blijft zonder tijdsrestrictie onverkort van toepassing. Op basis van de Archiefwet 1995 en de bijbehorende selectielijsten komen fiscale gegevens dan ook naar mijn mening terecht voor vernietiging in aanmerking zodat in principe géén fiscale informatie wordt overgedragen aan het Nationaal Archief.11 Uit doel en strekking van de geheimhoudingsbepaling kan niet anders geconcludeerd worden dan dat bij het opstellen van een selectielijst de Minister van Financiën als zorgdrager geen andere keuze heeft dan het vernietigen van (niet meer relevante) fiscale gegevens die vallen onder het object van de geheimhouding. De (huidige) werkwijze is dan ook in lijn met doel en strekking van de fiscale geheimhoudingsbepaling van art. 67 AWR. In het verleden zijn echter fiscale dossiers overgedragen aan het Nationaal Archief waardoor de fiscale geheimhoudingsplicht is geschonden. De taak van het Nationaal Archief is – kort gezegd – de aanwezige archiefbescheiden te beheren, toegankelijk te maken en te houden.12 Hierdoor rust op de overgedragen fiscale dossiers feitelijk geen geheimhouding meer.13 Met betrekking tot bijvoorbeeld de OWB 1916 en de IB 1914 zijn tientallen dossiers met o.a.: aanslagbiljetten, bezwaarschriften, verzoeken om uitstel van betaling, vertoogschriften en originele afschriften van uitspraken van de Hoge Raad terug te vinden.14 Hoewel het wellicht interessant is dat in 1931 nog geen beloningen werden toegekend voor het bemiddelen bij het opsporen van belastingontduiking (tipgeld) is het volstrekt irrelevant dat het de heer A. Kokernoot uit Amsterdam betrof.15
Slechts in uitzonderlijke, incidentele gevallen zouden fiscale gegevens een archiefbestemming (historisch, statistisch of wetenschappelijk doel) moeten kunnen krijgen.16 Hierbij zou kunnen worden gedacht aan de dossiers van de Duitse Keizer Wilhelm II die na de Eerste Wereldoorlog onderdak vond in Nederland.17 Vanuit historisch perspectief kan de door de regering in 1922 gevoerde discussie over de tenaamstelling van zijn aanslagbiljet ‘Zijne Majesteit de ex-Keizer van Duitschland’18 en het tijdstip waarop de binnenlandse belastingplicht voor de Wet IB 1914 en de Wet PB 1896 op hem van toepassing werd (intrek in Huis Doorn) wellicht wel de moeite van het bewaren waard zijn. Sinds jaar en dag worden voor de memories van aangifte van schenk- en erfbelasting (voorheen: memories van aangifte van successie en schenkingsrecht) een uitzondering gemaakt. Deze worden niet vernietigd, maar sinds de invoering van de SW 1817 systematisch bewaard.19 Deze gegevens zijn raadpleegbaar voor onder andere genealogisch-, historisch- of wetenschappelijk onderzoek. Hiervoor was (met terugwerkende kracht) een ontheffing van de geheimhouding verleend.20 De ontheffingsgronden van art. 67, derde lid, AWR (nieuw) zijn sinds 2008 veel beperkter en het overdragen van fiscale gegevens aan het Nationaal Archief kan niet langer worden gerealiseerd door middel van een generieke ontheffing.21 Desondanks is bij het opstellen van de selectielijst Belastingdienst (2012) simpelweg ‘voortgeborduurd’ op de oude basisselectiedocumenten en de achterhaalde ontheffing. Een wettelijke grondslag ontbreekt echter.22