Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.7.3
7.7.3 Concernverhoudingen
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS299229:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Wessels 1989, p. 56-58; Schoonbrood-Wessels 1991, p. 793-798. Zo ook P-G Langemeijer in zijn conclusie sub 3.4 voor HR 24 november 2017, RvdW 2017/1278 (Schavemaker/Planet c.s.) over het gebruik van een bedrijfsunit door zustervennootschappen. Zie ook par. 3.4.
Voor aansprakelijkheid van degene die een opstal bedrijfsmatig gebruikt, geldt evenwel dat ook het schadeveroorzakende gebrek (voldoende) verband moet houden met diens bedrijfsvoering.
Deze uitkomst sluit tevens aan bij het uitgangspunt dat in geval van gelieerde rechtspersonen niet snel ‘vereenzelviging’ van de betrokken rechtspersonen aan de orde is. Zie HR 26 november 2010, NJ 2010/636 (DB/Edco) en HR 7 oktober 2016, NJ 2017/124, m.nt. Van Schilfgaarde (Resort of the World/Maple Leaf).
In deze zin ook Kamerstukken II 1991/92, 21202, 9, p. 8.
Vgl. Rb. Roermond 13 augustus 2003, VR 2004/30 (Kuipstoel).
Vgl. Kamerstukken II 1991/92, 21202, 9, p. 8, waar het ‘niet uitgesloten’ wordt geacht aan te nemen dat een zaak feitelijk door bedrijf A wordt gebruikt, hoezeer ook ‘op papier’ is getracht een gebruik in de uitoefening van bedrijf B te construeren. Volgens de toelichting moet gedacht worden aan de situatie waarin zaken ter beschikking van bedrijf B zijn gesteld ‘terwijl de werknemers die de activiteiten verrichten die voor het gebruik nodig zijn, in dienst zijn van bedrijf A en dit bedrijf ook de kosten draagt die aan die activiteiten verbonden zijn, onderscheidenlijk de eventuele winst maakt.’ In een dergelijk geval zal geoordeeld kunnen worden dat voor wat betreft bedrijf B ‘realiter niet aan de eisen van art. 6:181 lid 2 is voldaan’, aldus de toelichting.
De problematiek van schade veroorzaakt door zaken in geval van meerdere betrokken ‘bedrijven’ is ook wel in verband gebracht met het bedrijfsbegrip van art. 6:181. Stel dat sprake is van onderling gelieerde bedrijven zoals een moeder- en dochtervennootschap, terwijl laatstgenoemde een (gebrekkige) zaak gebruikt met schade bij een derde tot gevolg. Kunnen moeder en dochter voor de toepassing van art. 6:181 geacht worden tezamen één bedrijf uit te oefenen, met als gevolg dat op ieder hoofdelijk jegens de benadeelde de aansprakelijkheid ex art. 6:181 rust?1 In mijn ogen dienen kwesties als deze echter niet opgelost te worden aan de hand van het bedrijfsbegrip maar langs de band van het gebruiksbegrip van art. 6:181. In geval van betrokkenheid van meerdere bedrijven zal aan het bedrijfsbegrip namelijk steeds wel zijn voldaan; het komt erop aan wie van de betrokken bedrijven als ‘gebruiker’ van de betreffende zaak kwalificeert. In wezen speelt hier de problematiek die de wetgever met art. 6:181 lid 2 en 3 op het oog had. Zijn meerdere bedrijven betrokken bij een bepaald gebruik van zaken, dan wordt als ‘gebruiker’ in de zin van art. 6:181 aangemerkt het bedrijf dat in de beste positie verkeert invloed uit te oefenen op de aan de betreffende zaak verbonden risico’s. In het geval van gevaarlijke stoffen geldt op grond van art. 6:175 lid 1 en 2 eenzelfde benadering. De kwalitatief aansprakelijke zal zodoende in beginsel telkens de feitelijke gebruiker, de laatste in de keten, zijn.2 Dit sluit aan bij hetgeen art. 6:181 lid 2 en 3 tot uitdrukking brengen.3 In het zojuist gegeven voorbeeld is zodoende in beginsel derhalve alleen de dochter- en niet ook de moedervennootschap als ‘eindgebruiker’ belast met de kwalitatieve aansprakelijkheid.4 Dit kan echter anders zijn indien de moedervennootschap een bepaalde mate van zeggenschap over (de risico’s verbonden aan) de zaak heeft (behouden). Denkbaar is dat dan gezegd wordt dat beide bedrijven dezelfde zaak gezamenlijk ‘gebruiken’, met een cumulatieve aansprakelijkheid van beide tot gevolg. Een sprekend voorbeeld biedt een gebrek in toebehoren van de gedeelde receptie in de centrale kantoorhal. Breekt plotseling een poot af van de bureaustoel waarop de receptioniste zit, dan kan zowel de moeder- als dochtervennootschap worden aangemerkt als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ van deze gebrekkige zaak ex art. 6:181 jo. 173, met een hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de benadeelde tot gevolg.5 Tot slot is niet uitgesloten dat de moeder ten opzichte van de dochter een zodanig overheersende zeggenschap heeft (behouden), dat niet de dochter maar zijzelf als ‘(eind) gebruiker’ van een zaak heeft te gelden met een exclusieve aansprakelijkheid van de moeder tot gevolg.6