Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/2.8.2
2.8.2 Ontslag en ziekte: Wet Werk en Zekerheid
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS582791:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Of als voor hem een afwijkende pensioenleeftijd geldt, de leeftijd bereikt waarop voor hem recht op pensioen ontstaat.
Art. 7:670a lid 2 aanhef en sub e BW.
De termijn van veertien dagen geldt als de overeenkomst de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding vermeldt. Zo niet, dan is de termijn drie weken.
Deze situatie lijkt te vallen binnen de regels van exclusiviteit die Konijn beschrijft, Y. Konijn, Cumulatie of exclusiviteit? Een onderzoek naar de invloed van privaatrechtelijke leerstukken op de arbeidsovereenkomst, (diss.), Boom Juridische Uitgevers: Den Haag, 1999, p.63-67.
Art. 7:669 lid 1 BW.
Art. 7:669 lid 2 BW: de zogeheten a- tot en met h-grond; de b-grond is langdurige arbeidsongeschiktheid, de c-grond is frequent ziekteverzuim.
Voor kritiek daarop o.a. P. Hufman en J.H. Bennaars, ‘De opzegging met instemming of toestemming’ in: L.G. Verburg e.a. (red.), Wetsvoorstel Wet werk en zekerheid (33 818). Commentaar en aanbevelingen werkgroep ontslagrecht VvA, Kluwer: Deventer, 2014, p.69-77.
Art. 7:670b lid 2 aanhef en sub a BW.
Voor het verschil zie o.a. de bedoeling van deze rechtsfiguur: het incorporeren van de preventieve toets in het BW, Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr.4, p.54.
Art. 7:669 lid 2 aanhef en sub a en b jo. art. 7:671 lid 1 aanhef en sub a BW.
Zeeuwen wees erop dat uit de toelichting leek dat het moest gaan om een volledige ontslagaanvraag, hetgeen een verzwaring in vergelijking tot de situatie tot dan zou betekenen. N.T.A. Zeeuwen, ‘De opzegverboden’ in: L.G. Verburg e.a. (red.), Wetsvoorstel Wet werk en zekerheid (33 818). Commentaar en aanbevelingen werkgroep ontslagrecht VvA, Kluwer: Deventer, 2014, p.83-84; zie ook R.S. van Coevorden, ‘Bijzondere opzegverboden’, TAP 2014/1, p.47. De Minister heeft in de Eerste Kamer verduidelijkt dat er geen wijziging is beoogd, Kamerstukken I 2013/14, 33 818, nr. C, p.118-119.
Art. 7:670a lid 2 aanhef en sub d BW.
Zeeuwen, p.86-87, die er op wijst dat het opzegverbod bij zwangerschap en militaire dienst wel eindigt bij het einde van het onderdeel van de onderneming (art. 7:670a lid 3 BW).
Art. 7:671b lid 2 BW.
Art. 7:669 lid 2 jo. 671b lid 1 aanhef en sub a BW; frequent ziekteverzuim is de c-grond, een verstoorde arbeidsverhouding de g-grond.
Art. 7:670a lid 1 BW.
Art. 7:669 lid 2 aanhef en sub e jo. art. 7:671b lid 5 BW; verwijtbaar handelen is de e-grond.
Art. 7:671b lid 7 BW, gelijk aan de UWV-procedure.
Art. 7:671b lid 2 BW verbiedt ontbinding als er een opzegverbod geldt, maar ontbinding wordt weer wel mogelijk gemaakt in art. 7:669 lid 6 BW. Die mogelijkheid geldt alleen voor de redelijke gronden als genoemd in art. 7: 669 lid 2, aanhef en sub b tot en met h BW. Voor de a-grond is de mogelijkheid niet opengesteld.
E.B. Wits, ‘De zieke werknemer en zijn werkgever: uit het oog uit het hart?’ in: L.G. Verburg e.a. (red.), Wetsvoorstel Wet werk en zekerheid (33 818). Commentaar en aanbevelingen werkgroep ontslagrecht VvA, Kluwer: Deventer 2014, p.193-194, Zeeuwen, p.86-87, Van Coevorden, p.50-51.
Art. 7:671b lid 4 en 5 BW.
Resp. art. 7:629a en 7:658b BW.
Behalve als de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Ook als de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat heeft geleid tot een beëindigingsinitiatief van de werknemer is een transitievergoeding verschuldigd. De transitievergoeding hoeft niet te worden betaald bij een einde met wederzijds goedvinden, Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr.3, p.39.
Artt. 7:673-673d BW.
Art. 7:682 en art. 7:673 lid 9 BW.
Ook mogen re-integratiekosten niet in mindering komen op de transitievergoeding, want die zijn van een andere aard, Kamerstukken I 2013-2014, 33 818, nr.C, p.50.
Kamerstukken I 2013-2014, 33 818, nr.C, p.113. De Minister licht nog toe dat de arbeidsongeschiktheid zelf niet door ernstig verwijtbaar handelen of nalaten hoeft te zijn veroorzaakt, in afwijking van de daartoe strekkende abusievelijke opmerking in de MvT, p.118.
Door de Wet Werk en Zekerheid wijzigt het ontslagrecht met ingang van 1 juli 2015. Dat heeft gevolgen voor een aantal van de genoemde manieren waarop een einde komt aan de arbeidsovereenkomst. Vanaf 1 juli 2015 eindigt de arbeidsovereenkomst grofweg in tien situaties:
Einde van rechtswege door overlijden van de werknemer (artikel 7:674 lid 1 BW)
Einde vanwege het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd (artikel 7:669 lid 3 BW)
Einde van rechtswege door het verstrijken van de bepaalde tijd waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan (artikel 7:667 lid 1 BW)
Einde vanwege overgang van onderneming of een onderdeel daarvan (artikel 7: 663 BW)
Einde met wederzijds goedvinden (artikel 7:670b jo.7:900 BW)
Einde door instemming met opzegging (artikel 7:671 lid 1 BW)
Einde door opzegging met ontslagvergunning (artikel 7:671a BW)
Einde door opzegging in de proeftijd (artikel 7:676 BW)
Einde door opzegging vanwege een dringende reden (artikel 7:677 lid 1 BW)
Einde door ontbinding door de kantonrechter (artikel 7:671b BW)
De regels rond het einde van de arbeidsovereenkomst bij overlijden (1), sec door het verstrijken van bepaalde tijd (3), bij overgang van onderneming (4), door opzegging in de proeftijd (8) en door opzegging vanwege een dringende reden (9) wijzigen niet. Bij de andere manieren van einde van de arbeidsovereenkomst wijzigt wel wat.
Bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd
Het is mogelijk overeen te komen dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Arbeidsongeschiktheid van de werknemer belemmert dat niet. Is dat niet overeengekomen dan kan de werkgever de arbeidsovereenkomst opzeggen tegen of na de dag waarop de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.1 Voorwaarde is wel dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan vóór het bereiken van die leeftijd. Een ontslagvergunning is in zo’n geval niet nodig, noch het aanvoeren van een redelijke grond voor opzegging. Als de oudere werknemer op het moment van opzegging arbeidsongeschikt is, geldt voor de werkgever evenmin een opzegverbod.2 Deze opzegging is niet mogelijk als dat schriftelijk is uitgesloten.
Wederzijds goedvinden
De arbeidsovereenkomst kan eindigen door het sluiten van een schriftelijke overeenkomst. Schriftelijkheid is een noodzakelijke voorwaarde voor geldigheid. Arbeidsongeschiktheid staat aan het sluiten van zo’n overeenkomst niet in de weg, maar de uitkeringsconsequenties zoals geschetst in de vorige paragraaf blijven hetzelfde: de zieke werknemer die met wederzijds goedvinden afscheid neemt in de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid zal waarschijnlijk geen ZW-uitkering krijgen. Aan een einde met wederzijds goedvinden na twee jaar arbeidsongeschiktheid kleeft dit bezwaar niet. Om te voorkomen dat de werknemer kan worden gehouden aan een beëindigingsovereenkomst terwijl hij bijvoorbeeld onder druk is gezet of niet goed is voorgelicht, geldt in alle gevallen een bedenktermijn. Binnen veertien dagen na de datum waarop de overeenkomst tot stand is gekomen kan de werknemer de overeenkomst schriftelijk, zonder opgaaf van reden, ontbinden.3 Het lijkt er op dat er na deze termijn geen mogelijkheid bestaat de beëindigingsovereenkomst te ontbinden.4
Instemming met de opzegging
De werkgever kan een arbeidsovereenkomst alleen opzeggen als hij daarvoor een redelijke grond heeft en herplaatsing binnen redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt.5 De redelijke gronden worden vervolgens limitatief opgesomd in de wet.6 Een nieuwe figuur die met de Wet Werk en Zekerheid wordt ingevoerd, is de instemming met de opzegging.7 Arbeidsrechtelijk kan de arbeidsongeschikte werknemer instemmen met de opzegging door de werkgever, waarna rechtsgeldig een einde komt aan de arbeidsovereenkomst. Het opzegverbod tijdens arbeidsongeschiktheid is in zo’n geval niet van toepassing.8 Er zijn veel parallelen te trekken met de beëindiging met wederzijds goedvinden.9 Ook hier heeft de instemmende werknemer een bedenktermijn van twee weken en ook hier zullen er uitkeringsconsequenties te verwachten zijn als de zieke werknemer instemt met een opzegging in de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid. Na die eerste twee jaar lijkt er geen bezwaar te bestaan tegen instemming.
Opzegging met ontslagvergunning
Als de werknemer niet instemt met een opzegging dan moet de werkgever bij twee redelijke gronden aan het UWV toestemming vragen voor opzegging, te weten als de werkgever wil beëindigen vanwege -kort gezegd- bedrijfseconomische omstandigheden of vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid.10 Bij de zogeheten a-grond (bedrijfseconomische omstandigheden) loopt de werkgever er tegen aan dat er gedurende de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid een opzegverbod bestaat, behalve als de ziekmelding dateert van na ontvangst door het UWV van een ontslagvergunningsaanvraag.11 Dat maakt een opzegging van de arbeidsovereenkomst met de zieke werknemer in de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid niet mogelijk. Het opzegverbod vervalt wel als de onderneming haar werkzaamheden beëindigt.12 Dat is echter beperkter dan in de situatie tot 1 juli 2015, omdat tot dan het opzegverbod ook vervalt als de werkzaamheden eindigen van het onderdeel van de onderneming waar de werknemer werkt.13 De ontslagbescherming van de zieke werknemer in de eerste twee jaar is daarmee vergroot. Bij de zogeheten b-grond (langdurige arbeidsongeschiktheid) is sprake van arbeidsongeschiktheid langer dan twee jaar, zodat geen opzegverbod meer geldt. Ook in deze situatie moet een werkgever voorafgaand aan de opzegging een ontslagvergunning van het UWV hebben.
Ontbinding
De ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter is toegestaan als aan de voorwaarden voor opzegging wordt voldaan en geen opzegverbod van toepassing is.14 Het betreft hier de andere redelijke gronden dan bedrijfseconomische redenen of langdurige arbeidsongeschiktheid, zoals bijvoorbeeld frequent ziekteverzuim, het niet-naleven van de re-integratieverplichtingen of een verstoorde arbeidsverhouding.15 Bij de werknemer die zijn re-integratieverplichtingen tijdens ziekte zonder deugdelijke grond niet naleeft, vervalt het opzegverbod.16 Na een tevergeefse loonstop zal de werkgever ontbinding kunnen verzoeken door een beroep te doen op verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.17 Er geldt sowieso geen opzegverbod als de ziekte is ontstaan nadat het verzoek om ontbinding door de kantonrechter is ontvangen.18
Is er wel een opzegverbod, bijvoorbeeld tijdens ziekte, dan kan de kantonrechter toch ontbinden als het ‘verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben’. De vergewisplicht van de kantonrechter komt per 1 juli 2015 te vervallen en wordt door deze toets vervangen, waarmee materieel geen verschil is beoogd. Daar is aan toegevoegd dat de arbeidsovereenkomst van een zieke werknemer op werkgeversverzoek kan worden ontbonden, als er sprake is van omstandigheden van dien aard dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen.19
Een grote wijziging is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de zieke werknemer als zich bedrijfseconomische omstandigheden voordoen. De arbeidsovereenkomst van de zieke werknemer van wie de functie na correcte toepassing van het afspiegelingsbeginsel vervalt, kan niet door de kantonrechter worden ontbonden.20 Ondanks het opzegverbod zou ontbinding van de arbeidsovereenkomst, net als onder het recht tot 1 juli 2015, mogelijk moeten zijn, aangezien de ontbindingsreden een zelfstandige redelijke grond vormt die los staat van ziekteomstandigheden. Aan de Minister is in de parlementaire behandeling gevraagd of bewust wordt afgeweken van een al tientallen jaren durende praktijk. Hij betwistte zo’n bestaande praktijk en motiveerde het ontbindingsverbod:
‘De ratio hiervan is dat de werkgever verantwoordelijk is voor de re-integratie van een langdurig zieke werknemer binnen zijn bedrijf. Dat kan zijn re-integratie in zijn eigen functie maar ook op een andere functie binnen de onderneming en als daar geen mogelijkheden toe bestaan, re-integratie bij een andere werkgever (het zogenoemde tweede spoor). Het enkele feit dat de arbeidsplaats van een langdurig zieke werknemer komt te vervallen, waarvoor de werknemer mogelijk ook niet meer geschikt voor is om naar terug te keren ook al zou die blijven bestaan, betekent dan ook niet dat de verantwoordelijkheid van de werkgever voor de re-integratie van de werknemer daarmee moet komen te vervallen. Om die reden blijft in de geschetste situatie het opzegverbod van toepassing en daarmee ook de verantwoordelijkheid van de werkgever voor de re-integratie van de desbetreffende werknemer.’ 21
Het niet langer kunnen ontbinden van de arbeidsovereenkomst van een zieke werknemer bij een bedrijfseconomische reden is kritisch onthaald.22
Nieuw is ten slotte dat de werkgever verplicht is een deskundigenverklaring van het UWV in het geding te brengen als hij een ontbindingsverzoek indient vanwege frequent ziekteverzuim of het niet-naleven van de re-integratieverplichtingen door de werknemer.23 Tot 1 juli 2015 was een deskundigenverklaring van het UWV alleen verplicht voor de werknemer bij een loonvordering ex artikel 7:629 BW of een vordering rond passende arbeid ex artikel 7:658 lid 2 BW.24 De sanctie voor de werkgever op het niet beschikken over een deskundigenverklaring is afwijzing van het ontbindingsverzoek.
Ontslagvergoeding
Na een beëindiging van een arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever of als de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt na ten minste twee jaar te hebben geduurd, is een transitievergoeding verschuldigd aan de werknemer.25 De transitievergoeding bestaat uit een bedrag in geld en wordt berekend aan de hand van de lengte van het dienstverband, waarbij tot 1 januari 2020 ook de leeftijd van de werknemer en de omvang van het bedrijf van de werkgever een rol spelen. Zo zijn MKB-bedrijven uitgezonderd van de tijdelijke verruiming van de transitievergoeding voor werknemers van ouder dan 50 jaar. Per volle periode van zes maanden dienstverband heeft de werknemer recht op 1/6e, 1/4e of 1/2e maandsalaris, met een maximering.26 Deze vergoeding is bedoeld om transities op de arbeidsmarkt van werk naar werk te vergemakkelijken. De besteding van de transitievergoeding is desondanks volkomen vrij. Op de transitievergoeding komen in mindering kosten die bij het eindigen worden gemaakt om werkloosheid te voorkomen of te bekorten en kosten die tijdens het dienstverband zijn gemaakt gericht op het bevorderen van de bredere inzetbaarheid van de werknemer. Naast de transitievergoeding kan een werknemer aanspraak maken op een billijke vergoeding. De wet maakt dat mogelijk bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, ook bij arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.27 De kans om deze vergoeding te krijgen is klein (‘muizengaatje’), omdat het is bedoeld voor ‘uitzonderlijke gevallen’ en ‘daadwerkelijk onrecht’.
Een transitievergoeding is ook verschuldigd bij een einde tijdens arbeidsongeschiktheid of na twee jaar arbeidsongeschiktheid. In dat laatste geval bestaan in de regel geen mogelijkheden om van werk naar werk te komen, aangezien de werkgever vaak al re-integratie bij een andere werkgever heeft onderzocht. Een transitie lijkt dus niet reëel. De Minister ziet desondanks geen rechtvaardiging om de langdurig zieke werknemer anders te behandelen dan anderen.28 Ten aanzien van de billijke vergoeding geldt dat de rechter een vergoeding kan toekennen als de opzegging vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Als voorbeeld daarvan wordt genoemd het ernstig veronachtzamen van de re-integratieverplichtingen.29