Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.4.4.3.6
14.4.4.3.6 Houdbaarheid van de volle rechterlijke toetsing in het licht van het EVRM
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940566:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Awb-wetgever heeft in dit verband gesuggereerd dat de rechter die over een bestuurlijke boete oordeelt, zich voor de daarbij aan te leggen uitgangspunten kan laten inspireren door zijn strafrechtelijke collega, zie Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 127-128. Zie voorts paragraaf 9.4.17.
Zie omtrent de betekenis van deze begrippen nader paragraaf 9.4.1.3.
Zie paragraaf 14.4.1. Zie ook HR 28 oktober 2016, V-N 2016/55.4, BNB 2016/238, r.o. 2.4.2.
Zie daarover nader paragraaf 9.4.17 en vgl. Haas & Jansen 2009, par. 3. Zie voor een voorbeeld waarin de rechter nog wat verder lijkt te gaan Hof Arnhem-Leeuwarden 28 juni 2016, V-N 2016/46.7, r.o. 4.5.
Doorgaans is de boete vanwege de schakelbepaling evenwel in geschil. Zie paragraaf 14.4.4.3.1.
Zie paragraaf 14.2 en paragraaf 14.4.2.
Zie Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 128, alwaar ook diverse verwijzingen naar het algemene bestuursrecht zijn opgenomen. De volle rechterlijke toetsing doet ook buiten het belastingrecht steeds meer opgeld, hetgeen gelet op de Europeesrechtelijke achtergrond ook terecht is. Vgl. CRvB 24 november 2014, V-N 2014/65.6.
In dezelfde zin: Feteris 2002, p. 393. In wezen gaat de Nederlandse belastingrechter door zijn actieve houding verder dan de minimumeisen van het EVRM voorschrijven. Zie ook Feteris 2002, p. 153.
EHRM 7 juni 2012 (Segame), nr. 4837/06, AB 2012/334, par. 56, waarover nader in paragraaf 14.2.1.
Vgl. in dit verband ook HR 11 oktober 1989, BNB 1990/87, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de in Nederland gebruikelijke, variabele strafmaat, niet strijdig is met art. 7 EVRM, nu wel degelijk is voorzien in een wettelijk maximum (bijvoorbeeld 100 % van het belastingbedrag). Voor de goede orde merk ik op dat de grondslagkoppeling wat mij betreft wél problematisch is in het licht van het bewijs van het kale beboetbare feit als centrale stelling (zie daaromtrent paragraaf 9.3.3.3.1). Vgl. in dit verband ook CRvB 24 november 2014, V-N 2014/65.6, r.o. 6.7, waarin anders tegen variabele, procentuele boetes werd aangekeken.
Zie paragraaf 14.4.2.
Alles overziende, gedraagt de belastingrechter zich bij de toetsing en de bepaling van de strafmaat in wezen als een strafrechter, die zelfstandig de passende straf bepaalt.1 Naar mijn mening laat de volle rechterlijke toetsing van de strafmaat en het daaruit voortvloeiende passend en geboden-oordeel zich dan ook niet geheel vangen in de begrippen ambtshalve toetsingsplicht of zelfstandige onderzoeksplicht, zoals ik die pleeg te hanteren.2 De rechter vervult namelijk een eigen rechterlijke taak als hij zijn zelfstandige oordeel over de strafmaat geeft.3 Wat betreft de aard en reikwijdte komt de invulling van die taak evenwel overeen met de ambtshalve toetsingsplicht (de rechter houdt rekening met alle hem bekend geworden omstandigheden).4 Dit alles laat onverlet dat de rechter niet spontaan overgaat tot toetsing van de strafmaat: als de strafmaat in het geheel niet in geschil is, toetst de rechter niet ambtshalve welke boete volgens hem passend en geboden is.5
Kijkend naar de jurisprudentie van het EHRM over de rechterlijke toetsing van de strafmaat,6 kan geconcludeerd worden dat de volle rechterlijke toetsing die de Nederlandse belastingrechter aanlegt, ruimschoots voldoet aan de vereisten van het EVRM. De Nederlandse belastingrechter toetst de strafmaat vol en beoordeelt geheel zelfstandig of hij de opgelegde boete passend en geboden acht. Als hij de beslissing van de inspecteur over de boete vernietigt omdat hij de opgelegde boete te hoog acht, doet hij de zaak zelf af en legt hij een lagere boete op.7 Het EHRM zal daarom naar verwachting niet snel ingrijpen in een strafmaatbeslissing van de Nederlandse belastingrechter, aangezien voldoende gewaarborgd is dat die rechter zijn eigen oordeel kan vellen over de vraag of de opgelegde boete proportioneel is.8 Vooral het EHRM-arrest Segame is in dit verband illustratief, omdat de omstandigheden uit de casus die aan dat arrest ten grondslag lagen, goed vergelijkbaar zijn met de Nederlandse situatie.9 De Franse rechter was niet alleen bevoegd om de opgelegde boete in stand te laten of te vernietigen, maar hij kon deze ook vervangen door zijn eigen beslissing. Dat is in Nederland ook steeds het geval. Bovendien konden in die casus dezelfde soorten rechtsmiddelen tegen de administratieve boete worden aangewend als in Nederland.
Ook de wettelijke verankering van het strafmaximum zoals die in Nederland gebruikelijk is (via de grondslagkoppeling), komt naar mijn mening niet in strijd met het EVRM. De grondslagkoppeling zou naar mijn verwachting zelfs nog door de beugel kunnen als er vaste boetepercentages in de wet zouden zijn vastgelegd.10 Dat de omvang van de boete afhankelijk is van de omvang van de onderliggende belastingaanslag, is immers juist de belangrijkste voorwaarde die het EHRM aan wettelijk gefixeerde boetes stelt.11 Overigens komen ook de Nederlandse (verzuim)boetes zonder grondslagkoppeling naar mijn mening niet in strijd met art. 6 EVRM.12 Voor die boetes geldt immers evenzeer de volle rechterlijke toetsing van de strafmaat.