Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.4.4.3.1
14.4.4.3.1 Zelfstandige vaststelling van de strafmaat
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940565:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 juni 1983, BNB 1983/261, HR 23 november 1988, BNB 1989/29, HR 4 december 1991, BNB 1992/221, HR 28 maart 1990, BNB 1990/194, HR 7 juni 2013, V-N 2013/29.11. Zie voorts Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 128.
Zie Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 152. Tot voor kort leek dit artikel voor wat betreft het niet-fiscale bestuursrecht een tandeloze tijger, maar eind 2014 heeft de CRvB enkele principiële uitspraken gedaan op het terrein van de sociale zekerheidswetgeving (CRvB 24 november 2014, V-N 2014/65.6, CRvB 11 december 2014, V-N 2015/2.6), waaruit volgt dat de bestuursrechter de boete die het bestuursorgaan heeft opgelegd niet slechts marginaal, maar integraal en eigenstandig toetst (of, in de woorden van de CRvB: ‘indringend’).
Vgl. in dit verband CRvB 24 november 2014, V-N 2014/65.6, r.o. 8.5.
Zie HR 3 mei 1989, BNB 1989/256, r.o. 4.4. Dit arrest zag evenwel op het oude systeem van de min of meer automatisch opgelegde verhoging van belasting en niet op de huidige, afzonderlijk opgelegde boete. De betekenis van dit arrest moet daarom niet worden overschat. Zie over dit arrest en de al dan niet ambtshalve toetsing nader paragraaf 12.4.1.3. Zie over het oude systeem van de verhoging paragraaf 3.4.2 en paragraaf 3.6.
Dat kan alleen anders zijn als de boeteling expliciet verklaart dat de strafmaat niet in geschil is. Zie over deze problematiek nader paragraaf 15.5.2, waar ook aan de orde komt dat dit in hoger beroep anders kan liggen.
Zie daaromtrent nader paragraaf 15.5.2.
Zie voor diverse voorbeelden Feteris 2007, p. 340-341 (noot 106). De bepaling van paragraaf 7 lid 3a BBBB, dat het absolute bedrag van de boete geen reden tot matiging vormt, is voor de rechter dan ook zonder betekenis.
HR 15 maart 2013, V-N 2013/16.4, BNB 2013/140, FED 2013/44.
Vgl. in dit verband de fictieve herberekening van de boetegrondslag bij extrapolatie en bij de omkering (zie paragraaf 10.4.2.2, paragraaf 16.4.2 en paragraaf 16.5.4.2).
Rb Zeeland-West Brabant 26 maart 2014, V-N 2014/28.4.
Zie paragraaf 14.4.1 en paragraaf 15.4.4. Soms laat de rechter wel eens doorschemeren dat hij zelf op een hoger bedrag zou zijn uitgekomen, zie bijvoorbeeld r.o. 14 van de uitspraak van de rechtbank die vooraf ging aan HR 17 september 2021, V-N 2021/39.19.3 (‘in meer dan voldoende mate rekening gehouden’).
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 13 juni 2014, V-N 2014/50.9 (zie m.n. r.o. 4.10), waarin de boeteling een uitdrukkelijke poging had gedaan om de rechter hiertoe te verleiden.
Zie voor enkele voorbeelden: Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2014, V-N 2014/20.10, Hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2014, V-N 2014/39.23. Dit kan ook voortvloeien uit een andersluidend oordeel over de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn, zie Hof Arnhem-Leeuwarden 8 september 2015, kenbaar uit HR 14 oktober 2016, V-N 2016/53.7 (r.o. 2.2.3). Vgl. voorts CRvB 24 november 2014, V-N 2014/65.6, r.o. 7.1.
Zie voor een voorbeeld Hof Den Haag 19 januari 2021, V-N 2021/17.1.8, r.o. 6.2 (zie voor de afloop HR 8 oktober 2021, V-N 2021/45.19.5, art. 81 Wet RO). Zie ook de casus die heeft geleid tot HR 18 december 2015, V-N 2016/2.8 (Hof: 8 %, rechtbank: 5 %, dus bleef het 5 %). In deze casus had de inspecteur ter zitting van de rechtbank een boete van 5 % verdedigd. Geredeneerd vanuit het verbod op reformatio in peius zou dat dan als een aangepaste bovengrens kunnen worden aangemerkt. De Redactie Vakstudie-Nieuws zag blijkens de Aantekening evenwel ruimte voor het Hof om een hogere boete op te leggen (in dezelfde zin: de Aantekening bij HR 28 oktober 2016, V-N 2016/55.4). Het Hof verwees naar de vaststelling door de rechtbank en de Hoge Raad leek het Hof daarin te volgen. Een bijzonder geval was aan de orde in de zaak die heeft geleid tot HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10. De rechtbank had een strafverzwarende omstandigheid meegewogen, wat achteraf bezien (ten dele) onterecht was. Desondanks sloot het Hof zich aan bij de boete zoals de rechtbank die had vastgesteld (zie r.o. 4.14 en 4.15 van de Hofuitspraak). Ik betwijfel of deze rechterlijke interne compensatie van de strafmaat door de beugel kon, nu alleen de boeteling hoger beroep had ingesteld. Zie daarover nader paragraaf 15.4.4.
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 15 november 2022, V-N 2023/12.22.9 (rechtbank: € 180, Hof: € 2.800), de zaak die heeft geleid tot HR 16 oktober 2020, V-N 2020/55.20.5 (art. 81 Wet RO, rechtbank: € 14.000, Hof: € 28.068), Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2018, V-N 2018/31.22, r.o. 4.34 e.v. (rechtbank: € 30.600, Hof: € 55.000), Hof Den Haag 19 januari 2021, V-N 2021/17.1.8 (rechtbank: 50 %, Hof: 75 %), r.o. 6.3 (zie voor de afloop HR 8 oktober 2021, V-N 2021/45.19.5, art. 81 Wet RO). Vgl. ook Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2014, V-N 2014/20.12.3 en Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2014, V-N 2014/20.12.4.
HR 28 oktober 2016, V-N 2016/55.4, BNB 2016/238, r.o. 2.4.1-2.4.3. Zie in dit verband ook CRvB 11 december 2014, V-N 2015/2.6, r.o. 7.2, waarnaar de Hoge Raad uitdrukkelijk verwees. De CRvB oordeelde dat de boete als uitkomst van de zelfstandige, rechterlijke toetsing in appel ook ten nadele van het bestuursorgaan (als enige appellant) kan worden vastgesteld.
HR 28 oktober 2016, V-N 2016/55.4, BNB 2016/238, r.o. 2.4.1-2.4.3. De Hoge Raad stelde, onder verwijzing naar zijn arrest HR 19 december 2014, V-N 2015/2.7, BNB 2015/78, voor deze afwijking van het beginsel van reformatio in peius als voorwaarde dat de appelrechter een ambtshalve onderzoeksplicht moet hebben, hetgeen bij de strafmaat dus kennelijk steeds het geval is zodra die in geschil is.
In dezelfde zin: de Redactie Vakstudie-Nieuws bij CRvB 11 december 2014, V-N 2015/2.6.
Vgl. de casus die heeft geleid tot HR 18 december 2015, V-N 2016/2.8, waarin de inspecteur evenwel geen (incidenteel) beroep in cassatie had ingesteld, zodat dit procesrisico zich niet manifesteerde. Zie ook de zaak die heeft geleid tot HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10 (met name r.o. 4.12-4.15 van de Hofuitspraak).
Ook het verwijzingshof moet alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, zie HR 5 november 2021, V-N 2021/48.15, BNB 2022/3, r.o. 2.8.3. Vgl. voorts de situatie die heeft geleid tot het arrest HR 4 november 2016, V-N 2016/59.10. Hof Arnhem-Leeuwarden had in eerste instantie een matiging toegepast vanwege de proportionaliteit (ernst van de gedraging) en vanwege de onzekerheid in de grondslag (door toepassing van de omkering). Na verwijzing matigde Hof ’s-Hertogenbosch eveneens, maar nu louter in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
HR 7 juni 2013, V-N 2013/29.11. Zie ook hetgeen in paragraaf 14.3.1 is opgemerkt over de toetsing van bewijsoordelen (de keuze, weging en waardering van bewijsmiddelen betreffende de centrale stellingen).
HR 29 mei 2020, V-N 2020/26.24, BNB 2020/123, r.o. 2.4.2, HR 12 oktober 2018, V-N 2018/55.19, BNB 2018/194, r.o. 2.3.1.
Zie de bewoordingen van HR 12 oktober 2018, V-N 2018/55.19, BNB 2018/194, r.o. 2.3.3: het cassatiemiddel slaagde omdat het Hof de door de boeteling naar voren gebrachte omstandigheid dat haar belastingschulden ruim € 100.000 beliepen, ten onrechte niet als strafverminderende omstandigheid in aanmerking had genomen.
Vgl. hetgeen in paragraaf 14.2.2 is opgemerkt over de verplichting om enerzijds alle bewijsmiddelen bij het bewijsoordeel te betrekken, terwijl anderzijds volledige vrijheid bestaat als het gaat om de weging daarvan.
Zie daarover nader paragraaf 9.4.11.
HR 22 april 2005, V-N 2005/22.6, BNB 2005/337. Zie voorts de casus die heeft geleid tot HR 18 december 2015, V-N 2016/2.8. Zie ten slotte Hof Den Haag 16 november 2016, V-N 2017/11.5, waaruit duidelijk naar voren komt dat de boete eerst met 10 %-punt wordt gematigd wegens een strafverminderende omstandigheid, alvorens de matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te passen (op de resterende 90 %).
HR 19 december 2008, V-N 2008/62.7, BNB 2009/201. Zie voor een recente toepassing (en bevestiging) van deze vuistregels HR 10 februari 2023, V-N 2023/9.19 en HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.19, r.o. 4.3-4.4.
Hof Amsterdam 2 juli 2009, V-N 2009/37.5, r.o. 5.7.3.7 (deze uitspraak heeft geleid tot het arrest HR 15 april 2011, BNB 2011/206, NTFR 2011/945). Deze vuistregels heeft het Hof uitdrukkelijk bevestigd in Hof Amsterdam 11 februari 2016, NTFR 2016/1198, r.o. 6.1.3 en 6.1.6 (zie voor de uiteindelijke afloop HR 7 oktober 2016, V-N 2016/51.6). Op onderdelen is de benadering van Hof Amsterdam ruimhartiger dan de benadering van de Hoge Raad. De vuistregels van Hof Amsterdam vinden evenwel navolging bij de andere feitenrechters (zie bijvoorbeeld Hof 's-Hertogenbosch 21 juni 2018, V-N 2018/57.1.8, r.o. 4.16).
De boete wordt niet verminderd indien deze minder bedraagt dan € 200. In dat geval wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Zie voor enkele voorbeelden waarin het absolute maximum is gehanteerd Hof Arnhem-Leeuwarden 13 april 2021, V-N 2021/31.5, r.o. 4.29, Rb Noord-Holland 25 november 2020, V-N 2021/14.2.4, r.o. 32. Voor de cassatiefase hanteert de Hoge Raad als regel een grensbedrag van € 1.000, twee treden van een half jaar en een absoluut maximum van € 2.500, zie HR 19 december 2008, V-N 2008/62.7, BNB 2009/201, r.o. 4.2.3.
Zie voor een voorbeeld waarin de matiging 40 % betrof (wegens zeer lange overschrijding) Hof Amsterdam 17 juni 2021, V-N 2021/37.20.22, r.o. 5.10. Als regel wordt de boete na een overschrijding van meer dan 2 jaar echter met niet meer dan 20 % gematigd, zie Hof Amsterdam 11 februari 2016, NTFR 2016/1198, r.o. 6.1.6.
HR 29 september 2023, V-N 2023/43.14, r.o. 5.3.1. Zie ook paragraaf 9.4.11.
In gevallen waarin de belastingrechter de boete die de inspecteur heeft opgelegd, te hoog acht, leidt de volle rechterlijke toetsing ertoe dat de belastingrechter komt tot een zelfstandige vaststelling van een wél passende boete.1 Dat is met ingang van 1 juli 2009 zelfs (voor het gehele bestuursrecht) wettelijk geregeld: art. 8:72a Awb schrijft sindsdien voor dat de rechter, wanneer hij een bestuurlijke boete vernietigt, zelf in de zaak voorziet en een zelfstandige beslissing omtrent de op te leggen boete neemt.2 Van belang is dat art. 8:72a Awb een verbod op terugwijzen naar de inspecteur behelst. De rechter mág dus niet slechts een zelfstandige beslissing over de strafmaat nemen, hij móet.3
Het voorgaande laat onverlet dat de rechter niet ambtshalve overgaat tot deze volle rechterlijke toetsing van de strafmaat: de (hoogte van de) boete moet wel in geschil zijn.4 Als de strafmaat in het geheel niet in geschil is, toetst de rechter niet ambtshalve welke boete volgens hem passend en geboden is. Is de boete eenmaal in geschil, dan is de toetsing echter wel vol. In verband met de zogenoemde schakelbepaling zijn boetes die gelijktijdig met een belastingaanslag zijn opgelegd, in wezen altijd (automatisch) in geschil.5 Daarom treedt de rechter naar mijn mening niet buiten de rechtsstrijd als hij zijn eigen oordeel over de strafmaat geeft, zonder dat de boeteling daar uitdrukkelijk een standpunt over heeft ingenomen.6
De volle rechterlijke toetsing betekent dus dat de rechter, als de strafmaat eenmaal in geschil is, zelfstandig moet bepalen welke boete volgens hem passend en geboden is.7 Die zelfstandige bepaling houdt in dat de rechter de boete kan vaststellen op een van de voorschriften van het BBBB afwijkend percentage of zelfs op een absoluut bedrag.8 De rechter is bovendien niet verplicht om de boete te berekenen op een percentage van de verschuldigde belasting.9 Hij mag ook een van het bedrag van de heffing afwijkende, afzonderlijk bepaalde grondslag hanteren.10 Ook is de rechter niet gebonden aan de matiging die de inspecteur bij het opleggen van de boete of in bezwaar heeft toegepast.11 In verband met het verbod op reformatio in peius geldt slechts een bovengrens, te weten de boete zoals de inspecteur die heeft opgelegd of in bezwaar heeft verminderd.12
Het spreekt voor zich dat de rechter niet gehouden is om te oordelen in lijn met de beslissingen die andere rechters in andere (vergelijkbare) zaken hebben genomen.13 Dat zou ook niet passen bij het individuele karakter van de straftoemeting. Geen twee zaken zijn exact hetzelfde. In iedere casus moeten de omstandigheden van dát specifieke geval en van díe specifieke boeteling worden meegewogen.
Uit de volle rechterlijke toetsing volgt verder dat de appelrechter tot een ander oordeel kan komen dan de rechter in eerste aanleg. In hoger beroep kan de boete dus lager, maar ook hoger uitvallen dan in eerste aanleg.14 Net als in eerste aanleg geldt voor de appelrechter als algemeen uitgangspunt dat de hoogte van de boete zoals deze door de inspecteur is opgelegd of verminderd, de bovengrens is voor zijn eigen rechterlijk oordeel. In gevallen waarin de inspecteur zelf geen (incidenteel) hoger beroep instelt tegen het oordeel van de rechtbank over de boete, dient de appelrechter bovendien de door de rechtbank vastgestelde boete te respecteren, ook als hij zelf hoger zou zijn uitgekomen.15 Heeft de inspecteur wel zelf (incidenteel) hoger beroep ingesteld, dan kan de boete in hoger beroep hoger uitvallen of kan de in eerste aanleg vernietigde boete herleven. In die gevallen maakt de appelrechter vervolgens zijn eigen, zelfstandige afweging omtrent de vraag welke boete passend en geboden is.16 Dat doet hij zelfs wanneer de boeteling zelf geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld, maar de strafmaat in hoger beroep alleen door de inspecteur ter discussie is gesteld.17 De Hoge Raad heeft daarbij aangegeven dat de appelrechter ‘ambtshalve onderzoek’ moet doen naar de strafmaat, zodra een van de partijen die ter discussie stelt.18
Het feit dat de door het bestuursorgaan opgelegde of verminderde boete als bovengrens dient voor de gehele verdere procedure, kan in appel dus leiden tot een ‘inverse’ reformatio in peius.19 Anders gezegd: de belastingplichtige heeft in hoger beroep als procesrisico het verschil tussen de vermindering die de rechtbank heeft toegepast en de oorspronkelijk opgelegde boete.20 De inspecteur daarentegen heeft als procesrisico in appel de gehele boete, zoals deze door de rechtbank is verminderd. Deze situatie blijft ook na verwijzing door de Hoge Raad naar een andere rechter bestaan: het verwijzingshof kan omtrent de strafmaat tot een ander oordeel komen dan het hof wiens uitspraak werd gecasseerd.21
Het zelfstandige, rechterlijke oordeel over de strafmaat kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst.22 Dat oordeel mag niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting (waarvan bijvoorbeeld sprake kan zijn als de rechter bepaalde omstandigheden categorisch uitsluit bij zijn weging) en mag voor het overige niet onbegrijpelijk zijn. De weging van de verschillende daarbij in aanmerking genomen omstandigheden behoeft volgens de Hoge Raad geen motivering. De beoordeling of de hoogte van een boete in het licht van alle in aanmerking te nemen omstandigheden passend en geboden is, is als zodanig voorbehouden aan de feitenrechter.23
Naar mijn mening volgt hieruit dat de feitenrechter weliswaar alle feiten en omstandigheden die strafverzwarend of strafverminderend kunnen zijn in aanmerking moet nemen,24 maar dat de uitkomst van de weging van al die feiten en omstandigheden vervolgens niet voor cassatie vatbaar is (behalve als die uitkomst onbegrijpelijk is). Als de feitenrechter een bepaalde omstandigheid op voorhand geheel buiten beschouwing heeft gelaten, getuigt dat van een onjuiste rechtsopvatting, omdat alle omstandigheden mee moeten kunnen wegen. Dat de feitenrechter diezelfde omstandigheid vervolgens geheel ongebruikt heeft gelaten bij zijn oordeel over welke boete passend en geboden is (en daaraan dus geen gewicht heeft toegekend), blijft in cassatie echter onaantastbaar.25
Het belang dat de Hoge Raad hecht aan een zelfstandige vaststelling van een passende en geboden boete, wordt naar mijn mening onderstreept door de verplichte volgorde die bij matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn van art. 6 EVRM in acht moet worden genomen.26 Nadrukkelijk mag die matiging pas worden toegepast nadat de rechter expliciet heeft aangegeven wat de boete zonder die matiging had moeten zijn.27 Wat betreft de omvang van de matiging heeft de Hoge Raad enige vuistregels geformuleerd die hij zelf (in de cassatiefase) toepast.28 Hof Amsterdam heeft deze vuistregels (voor de fase van berechting in feitelijke aanleg) verder uitgewerkt en in een handzame tabel opgenomen.29 Deze tabel heeft vier treden van een half jaar: per half jaar overschrijding neemt de matiging met 5 % toe, tot maximaal 20 % (bij een overschrijding van 2 jaar of meer). Per trede geldt ook een absoluut maximum (variërend van € 2.500 tot € 20.000).30 Omdat het vuistregels zijn, wordt hier onder omstandigheden van afgeweken.31
In gevallen waarin de rechter de boete geheel vernietigt, levert matiging niets op. In beginsel heeft de boeteling in die gevallen recht op een immateriële schadevergoeding (zoals die ook in de sfeer van de heffing kan worden toegekend).32