Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.4.4.3.3
14.4.4.3.3 Bestaande onzekerheden in de boetegrondslag
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940391:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 januari 2008, BNB 2008/165, V-N 2008/6.4, NTFR 2008/157, r.o. 3.8, HR 20 februari 2009, V-N 2009/10.5, BNB 2009/118, r.o. 3.1.2. Zie daaromtrent nader (ook over de vraag op welke wijze die matiging kan of moet plaatsvinden) paragraaf 16.5.4. In BNB 2008/165 maakte de Hoge Raad een principieel onderscheid tussen het begaan van het kale beboetbare feit enerzijds en de strafmaat anderzijds. Uit het arrest volgt dat de rechtstreekse doorwerking van de heffing voor wat betreft de omvang van de boetegrondslag is toegestaan, omdat die doorwerking een strafmaatkwestie betreft.
Zie paragraaf 9.3.3.3.1 en paragraaf 16.5.1.1. In mijn opvatting is de boetegrondslag vanwege de grondslagkoppeling een centrale stelling.
Zie voor een voorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 26 februari 2021, V-N 2021/22.1.1, r.o. 4.17, waarin de boete om deze reden met 15 % werd gematigd (het cassatieberoep tegen deze uitspraak is wegens een niet hersteld vormverzuim niet-ontvankelijk verklaard, HR 22 oktober 2021, V-N 2021/48.22.1). Zie over de kwestie of de inspecteur te allen tijde de specifieke bron moet aanwijzen nader paragraaf 7.4.5.2.
Hof ’s-Hertogenbosch 17 september 2015, FutD 2015-2429, r.o. 4.17 (matiging tot 90 %).
HR 5 november 2021, V-N 2021/48.15, BNB 2022/3, r.o. 2.8.3, HR 25 april 2008, BNB 2008/175, NTFR 2008/871, r.o. 3.5 (onder verwijzing naar BNB 2008/165).
Zie over de formele rechtskracht van de aanslag en de doorwerking naar de boete nader paragraaf 15.4.2.
Dit was het geval in de zaak die heeft geleid tot HR 5 november 2021, V-N 2021/48.15, BNB 2022/3: de bezwaren tegen de aanslagen waren niet ontvankelijk. Zie voor de afloop na verwijzing Hof Amsterdam 27 oktober 2022, V-N 2023/11.22, r.o. 5.13 (geen matiging). Zie voor een geval waarin na het onherroepelijk worden van de aanslag alsnog openheid van zaken werd gegeven Hof ’s-Hertogenbosch 28 november 2013, V-N 2014/14.4, r.o. 4.22 (verwijzingsuitspraak na HR 16 november 2012, V-N 2012/60.9, NTFR 2012/2707). Hieruit volgt dat wanneer achteraf blijkt dat de werkelijke inkomsten aanzienlijk lager hebben gelegen dan waarvan bij het opleggen van de aanslag was uitgegaan, de (grondslag voor de) boete navenant kan worden gematigd. Vgl. in dit verband ook HR 23 januari 2009, BNB 2009/81, V-N 2009/8.6, NTFR 2009/261. Daar werd duidelijk dat navordering bij belanghebbende materieelrechtelijk niet had gekund, omdat zulks in 3 zaken van andere belastingplichtigen was uitgemaakt. De belanghebbende had echter, anders dan de 3 andere belastingplichtigen, niet op tijd bezwaar gemaakt, zodat zijn navorderingsaanslag in rechte vast stond.
Zie voor een voorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 12 juli 2022, V-N 2022/50.25.8, r.o. 4.24. Anders: Hof Arnhem-Leeuwarden 5 april 2017, V-N 2017/30.17.39, r.o. 4.3 en 4.8.
In gevallen waarin de administratie gebrekkig is, maar omkering van de bewijslast (en dus een ‘redelijke schatting’) niet mogelijk is omdat een informatiebeschikking ontbreekt, kan de inspecteur een ‘gemotiveerde schatting’ hanteren. Uiteraard schuilen ook in een dergelijke schatting (per definitie) onzekerheden. Zie hierover nader paragraaf 7.3.7.4.2 en – voor het verband met de omkering – paragraaf 7.4.4.3.1 en paragraaf 7.4.5.2.
Dan bestaat er immers per definitie geen zekerheid over de precieze omvang volgens de wet, en die zal er ook niet meer komen. Het wezen van de vaststellingsovereenkomst is gelegen in de onzekerheid: de afspraken zijn bestemd om ook te gelden als achteraf blijkt dat het juridisch eigenlijk anders zit (vgl. art. 7:900 BW). Zie voor een voorbeeld (waarin niet werd gematigd) Rb Leeuwarden 18 juni 2009, NTFR 2010/156 (r.o. 3.15).
Zie paragraaf 9.3.3.3.2 onder ‘Negatieve heffingscomponenten en tegenbewijs tegen wetsficties’. Vgl. HR 24 oktober 2008, V-N 2008/54.9, BNB 2008/308, NTFR 2008/2099, in het bijzonder r.o. 3.3, welke overweging wat de formuleringen betreft in algemene zin aansluit op een situatie met bewijsproblemen. Hoewel het in dit arrest om de toepassing van de omkering ging, overwoog de Hoge Raad dat de boetegrondslag qua hoogte voor het betwiste gedeelte was bepaald met behulp van een theoretische winstberekening, terwijl het Hof had geoordeeld dat deze correctie in casu in stand was gebleven doordat belanghebbende het van haar verlangde bewijs niet kon leveren. Vgl. ook HR 5 april 2019, V-N 2019/19.16, BNB 2019/107, r.o. 5.10.2, waarin het weliswaar ging om een wettelijke fictie, maar de Hoge Raad sprak van het weerlegbare (wettelijke) vermoeden. Dat komt ook neer op bewijsnood (het niet kunnen leveren van tegenbewijs tegen dat vermoeden).
Het is om meerdere redenen twijfelachtig of het opleggen van een boete in verband met dergelijke aanslagen überhaupt mogelijk is. Zie daarover nader paragraaf 12.3.6.
Zie paragraaf 7.3.5.4.3 en paragraaf 10.4.2. Zie voor een voorbeeld Rb Gelderland 2 februari 2022, V-N 2022/18.22.14, r.o. 25.
Zie voor de mogelijkheid van naheffing (en de voorwaarden waaronder dat kan plaatsvinden) art. 20 lid 2, tweede volzin AWR. De Hoge Raad heeft – ten aanzien van de toenmalige verhoging – overwogen dat als aan de werknemer een naheffingsaanslag loonbelasting met boete is opgelegd, rekening gehouden moet worden met aftrekposten in de inkomstenbelasting. Als reden daarvoor gaf de Hoge Raad dat voorkomen moet worden dat de boete wordt berekend over loonbelasting die uiteindelijk niet verschuldigd zal blijken te zijn: voor de werknemer heeft de loonbelasting immers het karakter van voorheffing. De betreffende aftrekposten kunnen dan voor een geschat bedrag in aanmerking worden genomen. Zie HR 2 november 1994, BNB 1995/19, r.o. 3.3.
Rb Noord-Holland 30 april 2018, V-N 2018/55.7 (zie met name r.o. 28).
Te denken valt aan het geval waarin een KBLux-rekening op naam van twee broers stond, die beide geen inlichtingen hadden verstrekt over hun onderlinge gerechtigdheid. In de sfeer van de heffing kan zulks – vooral wanneer er sprake is van omkering van de bewijslast – ertoe leiden dat het gehele saldo in aanmerking wordt genomen bij elk van de broers. Voor de boete kan er echter aanleiding zijn om (bij elk van hen) slechts 50 % van het saldo in aanmerking te nemen, zie HR 4 april 2014, V-N 2014/17.3 (vooral de onderliggende Hofuitspraak). Zie voorts (omtrent de dubbele heffing) HR 22 februari 2013, V-N 2013/12.5, BNB 2013/168.
Hiervan moet worden onderscheiden de situatie dat (ook) het aangrijppunt voor de heffing als zodanig op een wettelijke fictie is gebaseerd, zoals bij de zesmaandenfictie en – naar mijn mening – bij de bijtelling wegens privégebruik van de auto van de zaak het geval is (zie daarover nader paragraaf 9.3,3,3,2).
HR 5 april 2019, V-N 2019/19.16, BNB 2019/107, r.o. 5.10.1-5.10.3 (onder verwijzing naar BNB 2009/118).
Art. 34 lid 2, tweede volzin Wet MRB. Zie voor enkele concrete uitwerkingen van de (aanzienlijke) matiging door deze wetsfictie (inzake de periode van houderschap) Rb Noord-Nederland 2 december 2020, V-N 2021/17.24.34, Rb Zeeland-West-Brabant 9 juli 2019, V-N 2019/51.31.13 en de zaak die heeft geleid tot HR 5 februari 2021, V-N 2021/21.2 (art, 80a Wet RO).
Art. 26b Wet LB, art. 19 Wfsv en art. 42 lid 6 Zvw. HR 3 april 2015, V-N 2015/21.1.5 leverde in dit verband geen nadere inzichten op, omdat Hof de boete had vernietigd wegens het ontbreken van bewijs van de opzet.
Zie voor een voorbeeld Rb Zeeland-West-Brabant 30 juni 2022, V-N 2022/39.25.25 (‘eerste’ verzuimboete).
Zie voor een overzicht het rapport ‘Forfaits in het belastingstelsel’ van de Algemene Rekenkamer, Kamerstukken II 2018/19, 32 140, nr. 53, V-N 2019/33.3.
HR 20 februari 2009, V-N 2009/10.5, BNB 2009/118, r.o. 3.1.2, HR 5 april 2019, V-N 2019/19.16, BNB 2019/107, r.o. 5.10.2. Zie voor enkele voorbeelden daarvan Hof 's-Hertogenbosch 21 september 2018, V-N 2019/6.29.7, r.o. 4.10 en Hof Amsterdam 16 mei 2019, V-N 2019/38.17, r.o. 4.11.
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.6.1. Zie daaromtrent nader paragraaf 16.5.4.1.
Tot de door de Hoge Raad erkende, voor de strafmaatbeslissing relevante omstandigheden behoort ook de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan. Als er daardoor onzekerheden in de boetegrondslag schuilen, zoals bij de toepassing van de redelijke schatting in het kader van de omkering van de bewijslast veelal het geval zal zijn, kan dat aanleiding zijn tot matiging.1 Naar mijn mening is deze opvatting in het licht van de evenredigheidstoets echter minder vanzelfsprekend. Eventuele onzekerheden in de boetegrondslag hebben immers niet op voorhand iets te maken met de vraag hoe ernstig het verwijt precies is dat de boeteling kan worden gemaakt.2 Niettemin is matiging gebruikelijk als de boetegrondslag is vastgesteld door toepassing van een redelijke schatting.
Binnen de sfeer van de omkering kunnen zulke onzekerheden in de boetegrondslag ook bestaan in gevallen waarin wel duidelijk is dát er ten aanzien van bepaalde inkomsten sprake is van een bron van inkomen in de zin van de Wet IB 2001, maar niet om welke bron het gaat. Er hoeft dan geen onzekerheid te zijn over de hoogte van die inkomsten als zodanig, maar kwalificatie van die inkomsten als winst uit onderneming zal doorgaans gunstiger zijn dan kwalificatie als resultaat uit overige werkzaamheden of als loon. Daardoor is er wél onzekerheid over de hoogte van de belaste inkomsten.3 Behalve onzekerheden over de exacte omvang van de (materieel verschuldigde) belastingheffing, kan door de toepassing van de omkering evenzeer onduidelijk blijven in welk jaar bepaalde inkomsten precies zijn vergaard. Ook de onzekerheid daarover kan leiden tot matiging.4
Hoe het ook zij, behalve gevallen waarin de omkering van de bewijslast is toegepast, kunnen vele andere situaties voorkomen waarin er onzekerheid in de boetegrondslag schuilt vanwege de wijze waarop de omvang van de heffing is komen vast te staan. De Hoge Raad heeft zelf al enkele voorbeelden gegeven van een andersoortige onzekerheid. Dat betrof in de eerste plaats gevallen waarin de aanslag onherroepelijk was geworden, zonder inhoudelijk te zijn beoordeeld door de rechter.5 In bredere zin gaat het naar mijn inschatting om gevallen waarin de aanslag formele rechtskracht6 heeft gekregen omdat bezwaar of beroep tegen de aanslag om procesrechtelijke redenen niet meer mogelijk is,7 of omdat er eenvoudigweg geen rechtsmiddel tegen de aanslag is ingesteld.8 Er kan dan dus niet meer geprocedeerd worden over de omvang van de materiële belastingschuld. Het gaat dus steeds om gevallen waarin de materiële belastingschuld mogelijkerwijs niet gelijk is aan de formele belastingschuld. Die mogelijke discrepantie bestaat ook in andere gevallen.
Naar mijn opvatting kan in dit verband gedacht worden aan de volgende situaties, waarin onzekerheden in de boetegrondslag kunnen voorkomen:
De inspecteur heeft de winst of de omzet bepaald aan de hand van een ‘gemotiveerde schatting’ omdat de administratie geen betrouwbare grondslag vormt voor de winst- of omzetberekening;9
De bepaling van de omvang van de verschuldigde belasting is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst;10
De belastingplichtige kan een aftrekpost niet aannemelijk maken of beschikt niet (meer) over de vereiste bewijsstukken (bewijsnood ten aanzien van negatieve heffingscomponenten);11
Er zijn aanslagen ter behoud van rechten opgelegd;12
De aanslagen zijn vastgesteld door middel van extrapolatie in de tijd;13
Het betreft een naheffingsaanslag loonbelasting die is opgelegd aan de werknemer, terwijl die werknemer in de sfeer van de inkomstenbelasting aftrekposten kan claimen;14
De doelmatigheidsbepaling van art. 64 AWR of van art. 31 lid 6 Wet LB is toegepast;
In de sfeer van de loonheffingen is er geheven naar het gebruteerde tabeltarief;15
Bij de bepaling van de belastingschuld is gebruik gemaakt van feitelijke vermoedens.16
In de tweede plaats heeft de Hoge Raad (bij wijze van antwoord op een prejudiciële vraag) geoordeeld dat wanneer de omvang van de heffing die als boetegrondslag dient, is bepaald door de toepassing van een wetsfictie,17 de rechter bij de beoordeling van de strafmaat rekening moet houden met die omstandigheid.18 Het ging in het betreffende arrest om de periode waarover op grond van een specifieke bepaling in de MRB was nageheven,19 maar naar mijn mening is dit oordeel breder toepasbaar. Enkele andere gevallen waarin de omvang van de belastingschuld wordt bepaald aan de hand van een wetsfictie of een wettelijk vermoeden, zijn aan de orde bij de toepassing van het anoniementarief in de loonheffingen,20 van de waarderingsficties in de Successiewet21 en in de sfeer van de accijns.22
In dit kader kan naar mijn mening ook worden gedacht aan de toepassing van de vele (al dan niet weerlegbare) forfaits in de sfeer van heffing.23 Bij een forfait wordt de omvang van de heffing immers bepaald door een fictie die de werkelijkheid beoogt te benaderen. Die fictie werkt vervolgens door naar de boetegrondslag. Hierbij moet naar mijn mening wel onderscheid worden gemaakt tussen gevallen waarin de belastingplichtige de keuze heeft om een forfait toe te passen, gevallen waarin hij het forfait kan weerleggen en gevallen waarin het forfait wettelijk is voorgeschreven. Als de belastingplichtige de keuze maakt om een forfait toe te passen, kan in de sfeer van de boete worden gezegd dat de eventuele onzekerheden in de grondslag voor zijn rekening komen. In gevallen waarin hij het forfait (wat de heffingsgrondslag betreft) kan weerleggen, kan de belastingplichtige op (tegen)bewijsproblemen stuiten, die aanleiding zouden kunnen zijn voor matiging. Bij een wettelijk voorgeschreven forfait is er in wezen sprake van een wetsfictie, zodat in de boetesfeer met die omstandigheid steeds rekening moet worden gehouden. Een voorbeeld van een wettelijk voorgeschreven forfait is de bijtelling wegens privégebruik van de auto van de zaak: als eenmaal moet worden bijgeteld, staat de omvang van de heffing immers vast.
De omstandigheid dat er onzekerheden schuilen in de boetegrondslag, betekent niet dat er per definitie moet worden gematigd. Wel is de rechter verplicht om bij zijn oordeel over de vraag of de boete passend en geboden is, rekening te houden met die omstandigheid en dient hij er blijk van te geven dat hij dat gedaan heeft.24
Van belang is ten slotte dat de oorzaak van de onzekerheden niet relevant is, ook niet als die binnen de invloedssfeer van de belastingplichtige is gelegen. De Hoge Raad heeft in dit verband (tegen de achtergrond van de omkering van de bewijslast) overwogen dat de onwil om mee te werken aan de informatievoorziening van de inspecteur niet van belang is. Dat de belastingplichtige mogelijk beschikt over de juiste gegevens (maar die niet geeft) maakt de onzekerheden in de boetegrondslag immers niet minder.25