Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/10.5.3.4.5
10.5.3.4.5 Finanzgericht München – Hamamatsu-arrest na verwijzing
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258661:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Finanzgericht München 15 november 2018, zaak 14 K 2028/18. In de einduitspraak staat het Finanzgericht München partijen toe om beroep aan te tekenen, wat normaal alleen wordt toegestaan als de uitspraak ruimte laat voor andere interpretaties. Inmiddels is hoger beroep aangetekend en ligt de zaak voor bij het Bundesfinanzhof.
Finanzgericht München of 15 Nov. 2018, 14 K 2028/18. Voor een beschouwing zie: M. Friedhoff and M.L. Schippers, ECJ Judgment in Hamamatsu Case: An Abrupt End to Interaction Between Transfer Pricing and Customs Valuation?, EC Tax Review 28(1), p. 39. In het VBW-rapport wordt juist betoogd dat het Hof van Justitie arrest zo uitgelegd moet worden dat in deze gevallen de douanewaarde niet overeenkomstig de transactiewaarde van de ingevoerde goederen kan worden vastgesteld, maar dat een alternatieve waarderingsmethode toepassing moet vinden, zie Commissie Transfer pricing en btw, Transfer Pricing en btw. De effecten van transfer pricing aanpassingen op de heffing van btw, Geschrift nr. 259 van de Vereniging voor Belastingwetenschap 2019, p. 80 en 125.
Na verwijzing lijkt het Finanzgericht München op 15 juni 2018, met de aanwijzingen van het Hof van Justitie in de hand, geoordeeld te hebben dat de Duitse douaneautoriteiten terecht het teruggaafverzoek van de hand hebben gewezen.1 De douanewaarde mag weliswaar worden vastgesteld op een initieel vastgestelde interne verrekenprijs, maar de retroactieve verrekenprijsaanpassing mag niet in aanmerking worden genomen.2 Dit lijkt af te wijken van Case Study 14.2 van de Technische commissie douanewaarde waar het niet maken van een verrekenprijsaanpassing ervoor zorgde dat de transactiewaarde geen toepassing kon vinden (onderdeel 10.4.2.4). Het niet laten plaatsvinden van een retroactieve verrekenprijsaanpassing zou er namelijk voor zorgen dat de prijs die voor de vaststelling van de douanewaarde is gehanteerd en is gebaseerd op de initiële interne verrekenprijs is beïnvloed door de verbondenheid van partijen.
Voorts lijkt dit oordeel planningsmogelijkheden met zich te brengen doordat het aangevers in staat stelt om de douanewaarde structureel vast te stellen op een initiële verrekenprijs aan de onderkant van de arm’s length-range. De opwaartse retroactieve verrekenprijsaanpassing, die mogelijk aan het einde van het jaar plaatsvindt, hoeft bij deze visie niet in aanmerking genomen te worden. Overigens zou een initiële verrekenprijs vastgesteld onder de arm’s-length-range naar mijn mening niet in aanmerking genomen kunnen worden, omdat dan niet kan worden volgehouden dat sprake is van een douanewaarde die de economische waarde van de ingevoerde goederen reflecteert. De planningsmogelijkheden kunnen derhalve niet tot onderwaardering van de ingevoerde goederen leiden.