De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.2.5.3:5.2.5.3 De verzekerde sommen volgens de Wam: gevaarlijke stoffen
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.2.5.3
5.2.5.3 De verzekerde sommen volgens de Wam: gevaarlijke stoffen
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS401872:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De minimaal in verband met art. 3a Wam te verzekeren som bedraagt € 10 miljoen. Met het woordje 'voorts' in het eerste lid van art. 3a geeft de wetgever aan dat deze som dient te worden verzekerd naast de 'normale' verzekerde som op grond van art. 3 Wam. Dat betekent dat een voertuig met een maximaal toelaatbaar gewicht van meer dan 3.500 kg de volgende dekking dient te hebben:
— € 1 miljoen per gebeurtenis in de zin van art. 3 voor schade aan zaken;
— € 5 miljoen per gebeurtenis in de zin van art. 3 voor schade aan personen voor alle slachtoffers tezamen;
— € 10 miljoen per gebeurtenis in de zin van art. 3a voor schade (als bedoeld in art. 8:1210 onderdeel b) BW) veroorzaakt door gevaarlijke stoffen.
Voor zover de schade die door de gevaarlijke stof is veroorzaakt ook onder de dekking van art. 3 valt, kunnen de benadeelden ook aanspraak maken op de dekking op grond van dat artikel. De dekking voor andere schadeposten dan de 'klassieke' personen- en zaakschade is echter beperkt tot € 10 miljoen per gebeurtenis in de zin van art. 3a.
Hiervoor, paragraaf 5.2.5.1, merkte ik reeds op dat de wetgever bij het redigeren van art. 3a Wam uit het oog lijkt te zijn verloren dat art. 14 onder b) van de Richtlijn alleen betrekking heeft op de hoogte van de verzekerde som.
Art. 3a Wam bevat een regeling die weliswaar niet geheel duidelijk is, maar die zou kunnen meebrengen dat niet slechts de hoogte van de verzekerde som, maar (ook) de bijzondere aansprakelijkheidsregeling van art. 8:1210 BW 'geëxporteerd' wordt.
Art. 3a lid 3 Wam bevat de (met het derde lid van art. 3 Wam overeenkomende) bepaling dat de dekking zich moet uitstrekken tot de aansprakelijkheid voor de schade, toegebracht door gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in bij AMvB aangewezen landen. De hoogte van de dekking wordt bepaald door de wetgeving van het land van de schadeveroorzakende gebeurtenis, tenzij de wetgeving van het land waar het voertuig gewoonlijk is gestald een hogere voorschrijft, in welk geval deze laatste hogere dekking geldt.
In aanvulling daarop bevat art. 3a echter nog een tweetal voorschriften waarin naar art. 8:1210 BW wordt verwezen.
In de eerste plaats bepaalt het tweede lid van art. 3a Wam, dat de dekking zich moet uitstrekken tot aansprakelijkheid voor de schade, bedoeld in art. 8:1210 onderdeel b BW, toegebracht in de landen van de EER. Ook in het vijfde lid, dat bepaalt dat de dekking zich moet uitstrekken tot de aansprakelijkheid voor schade zoals die voortvloeit uit de toepasselijke wet wordt weer verwezen naar art. 8:1210 onderdeel b) BW.
Men zou deze bepalingen op het eerste gezicht zo kunnen lezen, dat de verzekering ook dekking moet geven in de andere landen van de EER voor schade-elementen die in Nederland gedekt zouden zijn op grond van art. 3a Wam jo. 8:1210 BW, maar die in het land van het ongeval niet onder de dekking van de verplichte motorrijtuigverzekering behoeven te vallen. Daarmee zou de Wam verdergaan dan waartoe de Richtlijn verplicht. Ook lijkt de bepaling mee te kunnen brengen dat de polis in de bij AMvB aangewezen landen dekking moet geven indien de schade zich niet in het verkeer voordoet, hetgeen in de meeste landen een voorwaarde voor toepasselijkheid van de Wam' is. Ook hier zou de Wam dan verder gaan dan de Richtlijn eist.
Een andere en beperktere lezing van art. 3a is echter eveneens mogelijk, waardoor het meer, zij het nog niet geheel in overeenstemming, met de Richtlijn zou zijn. Weliswaar wordt in het eerste lid gesproken over dekking van de aansprakelijkheden die zijn gebaseerd op afdeling 8.14.1 BW, maar in het tweede en het vijfde lid, die de dekking in het buitenland regelen, wordt niet gerefereerd aan de gehele afdeling, maar slechts aan (de aansprakelijkheid voor de schade bedoeld in) art. 8:1210 BW. Een denkbare en zoveel mogelijk 'Richtlijn-conforme' uitleg zou dan meebrengen dat slechts bedoeld wordt dat de dekking € 10 miljoen moet bedragen als schade door een gevaarlijke stof wordt toegebracht met als gevolg dood of letsel van personen, andere schade buiten het voertuig aan boord waarvan de gevaarlijke stof zich bevindt en kosten van preventieve maatregelen en verlies of schade ten gevolge van zulke preventieve maatregelen. De vraag wie aansprakelijk en dus gedekt is en of ook schade buiten het verkeer gedekt moet worden alsmede de vraag naar het aansprakelijkheidsregime zou dan door de toepasselijke wet worden beheerst. Ook dan blijft echter het bezwaar bestaan, dat de Wam bepaalt welke schadesoorten moeten worden gedekt, een vraag die in wezen door de wet van het land van het ongeval wordt beheerst.
Het verdient daarom aanbeveling art. 3a Wam te wijzigen in die zin, dat duidelijk wordt dat alleen de hoogte van de dekking in aanmerking behoeft te worden genomen bij een ongeval in een andere lidstaat en niet het eventueel ruimere schadebegrip. Als een gevaarlijke stof aan boord van een motorrijtuig met een maximaal toegelaten gewicht van meer dan 3.500 kg schade veroorzaakt in een andere lidstaat, moet de aansprakelijkheid worden bepaald aan de hand van de wet van het land van het ongeval; deze wet dient eveneens te bepalen of deze aansprakelijkheid op grond van de toepasselijke 'Wam' moet worden gedekt en welke schadeposten door de verzekeraar moeten worden vergoed. Het gedekte bedrag bedraagt dan als deze vragen bevestigend worden beantwoord - minimaal € 10 miljoen.