Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.5.3
10.5.3 Reikwijdte van de responsieplicht
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393, m.nt. Buruma. Zie met name rechtsoverwegingen 3.8.1 tot en met 3.8.4.
Reijntjes spreekt in zijn annotatie bij HR 28 november 2006, NJ 2007, 123 in dit verband van ‘ontsnappingsclausules’.
Volgens Fokkens wordt de overweging dat niet op elk detail hoeft te worden ingegaan vooral ingegeven door de wens de al zwaar belaste strafrechter niet nog meer te belasten door nieuwe motiveringseisen (Fokkens 2011, p. 191).
HR 18 november 2008, LJN BD6359, NJ 2009, 117 m.nt. Reijntjes onder NJ 2009, 119. Zie ook HR 21 april 2009, NJ 2009, 213.
In dit geval biedt de uitspraak reeds voldoende informatie. Zie HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393, m.nt. Buruma, r.o. 3.8.2.
Zie onder meer HR 12 juli 2011, LJN BQ6573, HR 28 september 2010, LJN BN0035, HR 13 juli 2010, NJ 2010, 455, HR 16 december 2008, LJN BF3304, NJ 2009, 29, HR 4 maart 2008, LJN BC3748 en HR 28 november 2006, NJ 2007, 123, m.nt. Reijntjes.
HR 28 november 2006, NJ 2007, 123, m.nt. Reijntjes.
HR 4 maart 2008, LJN BC3748.
HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393. Zie in dit verband ook HR 23 april 2004, LJN BZ7143.
HR 23 maart 2010, NJ 2010, 315, m.nt. Buruma.
In het standaardarrest van 6 april 2006 gaat de Hoge Raad in algemene termen in op de inhoud en reikwijdte van de (op dat moment) nieuw ingevoerde wettelijke responsieplicht.1 In algemene zin behelst de responsieplicht dat de rechter in zijn uitspraak de redenen opgeeft die ertoe hebben geleid dat het naar voren gebrachte standpunt niet wordt aanvaard. De gevallen en de mate waarin een beslissing nadere motivering behoeft, hangt volgens de Hoge Raad af van ‘de aard van het aan de orde gestelde onderwerp, alsmede de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten’. In bepaalde gevallen kan een uitdrukkelijke weerlegging in een afzonderlijke overweging achterwege blijven. Een dergelijk geval doet zich volgens de Hoge Raad voor als de uitspraak reeds voldoende gegevens bevat of het ontbreken van een motivering geen afbreuk doet aan de toereikendheid of begrijpelijkheid van de motivering van de uitspraak mede gelet op hetgeen ter terechtzitting aan de orde is geweest.2 De Hoge Raad overweegt in dit verband ook nog dat de responsieplicht niet zo ver strekt ‘dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan’.3
Sinds 2006 zijn diverse arresten gewezen waarin de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring werd betwist. Niet in alle gevallen werd een nadere motivering van de feitenrechter verlangd. Een voorbeeld waarin een afzonderlijke overweging achterwege mocht blijven, betreft een zaak van 18 november 2008.4 Hier staan de verklaring van de verdachte en de getuigenverklaring van de aangeefster ter zake van de tenlastegelegde verkrachting tegenover elkaar. Op een cruciaal punt – het plaatsvinden van vaginale gemeenschap – leggen zij tegengestelde verklaringen af: de verdachte stelt de aangeefster niet vaginaal te hebben gepenetreerd, de aangeefster stelt van wel. In de nadere bewijsoverweging geeft het hof aan dat het uit het DNA-onderzoek afleidt dat de verdachte de aangeefster wel degelijk heeft gepenetreerd. Over de betrouwbaarheid van de verdere verklaring van de aangeefster wordt verder niet gerept en evenmin wordt op de door de raadsman aangevoerde punten ingegaan. Advocaat-generaal Vellinga is daarom van oordeel dat niet aan de wettelijke responsieplicht is voldaan. Niettemin is het wel duidelijk waarom het hof meer geloof hecht aan de verklaring van de aangeefster dan die van de verdachte. Voor het verhaal van de aangeefster is objectief steun te vinden in het verrichte technisch onderzoek. Daarmee geeft het hof – impliciet – aan waarom het het verhaal van de aangeefster betrouwbaar acht en de lezing van de verdachte verwerpt: op een cruciaal onderdeel is voor het verhaal van het slachtoffer meer steun dan voor het verhaal van de verdachte. Dit is voor de Hoge Raad voldoende motivering, ook al wordt niet afzonderlijk op de door de verdediging aangevoerde punten ingegaan. In algemene zin hoeft niet afzonderlijk aandacht te worden besteed aan een verweer omtrent de betrouwbaarheid als de verwerping van het standpunt al in de gebezigde bewijsmiddelen of in de aanvullende bewijsmotivering ligt besloten.5
Als gezegd zijn er ook diverse voorbeelden waarin door de Hoge Raad wel een uitdrukkelijke weerlegging werd verlangd.6 In de zaak van 28 november 2006 had de feitenrechter niet zomaar voorbij mogen gaan aan het verweer omtrent de betrouwbaarheid nu de verdediging uitdrukkelijk had gewezen op inconsistenties en feitelijke onjuistheden in de betwiste getuigenverklaring.7 In een andere zaak werd een schending van de motiveringsplicht aangenomen omdat de feitenrechter niet was ingegaan op het verweer dat de herkenning van de verdachte als dader van een poging tot doodslag was ‘vervuild’. In deze zaak had de raadsman in detail aangegeven waarom de herkenningen niet deugden en zijn verweer met objectieve gegevens uit het dossier gestaafd. Dit verweer mocht niet zomaar worden gepasseerd.8
Doordat de zaken waarin een schending van artikel 359 lid 2 Sv werd aangenomen vrij uiteenlopend van aard zijn, is het lastig om een algemene lijn te ontdekken. De verschillende zaken lijken met elkaar gemeen te hebben dat in de gebezigde bewijsmiddelen niet of slechts in beperkte mate directe steun is te vinden voor het betwiste onderdeel van de getuigenverklaring, terwijl de getuigenverklaring wel een doorslaggevende rol speelt in de bewijsconstructie. Het gaat om gevallen waarin een positieve bewijsbeslissing min of meer staat of valt met de geloofwaardigheid van de getuige. Dit noopt tot een nadere uitleg van de rechter omtrent de betrouwbaarheid van de gebezigde verklaring, op het moment dat de getuige in kwestie wisselende of op punten aantoonbaar onjuiste verklaringen heeft afgelegd of dat er aanleiding bestaat om te twijfelen aan de wijze waarop de verklaring tot stand is gekomen.
De vraag is verder hoe uitvoerig de motivering dient te zijn. Het behoort tot de standaardjurisprudentie van de Hoge Raad dat bij verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet op ieder detail van de argumentatie hoeft te worden ingegaan.9 Soms kan worden volstaan met een betrekkelijk summiere overweging, zo blijkt onder meer uit een uitspraak van 23 maart 2010. In deze zaak was een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van medeverdachte X., die de verdachte aanduidde als de grote man achter de hennepkwekerij. Het hof had het verweer verworpen met de volgende motivering.
‘Naar het oordeel van het hof zijn de voor het bewijs gebruikte verklaringen van X. voldoende betrouwbaar en geloofwaardig. Die verklaringen vinden naar het oordeel van het hof ook genoegzaam ondersteuning in andere gebezigde bewijsmiddelen. Daaraan doet naar het oordeel van het hof niet af dat voornoemde getuige bij diverse gelegenheden anders en/of tegenstrijdig heeft verklaard.’
Deze uiterst summiere motivering is voor advocaat-generaal Hofstee aanleiding om te concluderen dat het middel terecht is voorgesteld. Het hof legt immers niet uit ‘a) waarom het de verklaringen van X. betrouwbaar acht en ook niet b) hoe en door welke andere bewijsmiddelen die verklaringen worden ondersteund’. 10 De Hoge Raad oordeelt echter anders. Het hof heeft met de mededeling dat de verklaringen genoegzaam steun vinden in het overige materiaal en dat het de tegenstrijdigheden in de verklaringen van de verdachte onder ogen heeft gezien, zijn beslissing om van het standpunt af te wijken voldoende gemotiveerd. De Hoge Raad maakt er in dit verband nog melding van dat het hof de getuige zelf ter zitting heeft gehoord. Hoewel de motivering geen blijk geeft van de inhoud van de gemaakte afweging, is deze volgens de Hoge Raad toch toereikend. Niettemin kunnen wel kanttekeningen worden geplaatst bij dit arrest temeer het hof erkent dat de getuige in kwestie ‘bij diverse gelegenheden anders en/of tegenstrijdig heeft verklaard’. De mededeling dat het hof de verklaring niettemin betrouwbaar en geloofwaardig acht, komt voor de motivering geen zelfstandige waarde toe. Het feit dat het hof de verklaringen heeft gebruikt, geeft immers reeds aan dat zij voldoende betrouwbaar zijn bevonden. Het enige wat in dit verband overblijft, is de mededeling van het hof dat de verklaringen ‘genoegzaam steun vinden in andere bewijsmiddelen’. Dat had ook uit de opgesomde bewijsmiddelen zelf kunnen worden afgeleid, maar daar zit wellicht de crux. Het feit dat de verklaring op de betwiste onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen is voldoende om geen nadere – of in dit geval: niet een meer inhoudelijke – motivering van de rechter te verlangen.
Geconcludeerd kan worden dat in bepaalde gevallen het voldoende is dat de feitenrechter er rekenschap van geeft dat hij de afweging heeft gemaakt, terwijl in andere zaken een meer inhoudelijk inzicht in de gemaakte afweging is vereist. Indien de gronden voor verwerping van het verweer uit de bewijsmiddelen of de nadere bewijsmotivering kunnen worden afgeleid, dan worden aan de afzonderlijke motivering minder hoge eisen gesteld. In evidente gevallen kan een nadere op de betrouwbaarheid van de getuige toegespitste motivering zelfs geheel achterwege blijven.