Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.7.2.4
5.7.2.4 Op vordering van de procureur des Konings
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859229:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit is vergelijkbaar met een hoofdofficier van justitie in Nederland.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 3 en Casman 2013, p. 17-18.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 15-16. Vgl. ook Barbaix 2018, p. 429-430, Barbaix & Verbeke, RW 2012-13/nr. 30, p. 1164, Barbaix & Verbeke, TEP 2013/3, p. 17-18, Barbaix & Verbeke, in: Comm. Erf., art. 727, p. 13-14 (online, bijgewerkt tot 26 september 2013) en Boone, Not.Fisc.M. 2013/4, p. 105.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/5, p. 2 en Casman 2013, p. 17.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/5, p. 3.
Amendement nr. 30, Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/6, p. 1 en Casman 2013, p. 17.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/6, p. 2 en Casman 2013, p. 17-18.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/6, p. 3 en Casman 2013, p. 18.
Casman 2013, p. 18.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/8, p. 31.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/8, p. 32.
Casman 2013, p. 18. Vgl. ook Barbaix 2018, p. 429-430, Barbaix & Verbeke, RW 2012-13/nr. 30, p. 1164, Barbaix & Verbeke, TEP 2013/3, p. 17-18, Barbaix & Verbeke, in: Comm. Erf., art. 727, p. 13-14 (online, bijgewerkt tot 26 september 2013) en Boone, Not.Fisc.M. 2013/4, p. 105.
Artikel 4.6 § 2 lid 2 BBW bepaalt dat de bedoelde onwaardigheid door de rechtbank wordt uitgesproken op vordering van de procureur des Konings.1 Het procesmonopolie op dit punt is dus voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Hierover is gedurende de parlementaire behandeling wisselend gedacht.
Een eerste versie is conform de uiteindelijke wet.2 Ter toelichting is daarover opgemerkt dat de zaak voor de civiele rechter moet worden gebracht, omdat dit niet meer kan voor de strafrechter. Vanwege het feit dat de redenen om een dergelijke zaak voor de rechter te brengen, de individuele belangen van de betrokken erfgenamen overstijgen en het algemeen belang treffen, moet het initiatief voor het instellen van deze vordering uitsluitend bij het Openbaar Ministerie liggen.3
In een volgende versie is opgenomen dat de vordering kan worden ingesteld door de erfgenamen van het slachtoffer of door de procureur des Konings.4 Deze koerswijziging is verantwoord met de argumentatie dat gelet op de ernst van de feiten en gelet op de louter burgerrechtelijke gevolgen van de vordering er geen bezwaar bestaat om ook de erfgenamen van het slachtoffer het initiatief te verlenen een vordering in te stellen.5 Hierop volgt een nieuw amendement dat teruggrijpt naar het oorspronkelijke voorstel.6 Er wordt hierbij gewezen op het persoonlijke en rechtstreekse belang dat sommige erfgenamen of legatarissen er bij kunnen hebben dat een andere erfgenaam wordt uitgesloten en op het behoud van strafrechtelijke waarborgen voor de persoon die postuum onwaardig wordt verklaard. Daarnaast wordt opgemerkt dat het Openbaar Ministerie over meer onderzoeksmogelijkheden beschikt dan de civiele rechter om de waarheid van de feiten aan het licht te brengen, rekening houdend met het respecteren van bepaalde procedures waarover de onwaardige beschikt zou hebben mocht hij nog in leven zijn en met respect voor de rechten van de verdediging.7 Ter illustratie worden vragen opgeworpen als: zal de burgerlijke rechter in staat zijn om uitspraak te doen over wettige zelfverdediging of verschoonbare doodslag en hoe kan de burgerlijke rechter oordelen over toerekeningsvatbaarheid van de dader voor de gepleegde feiten? Geconcludeerd wordt dat de redenering bij het vorige voorstel inhoudende dat het enkel om louter burgerrechtelijke gevolgen van de vordering gaat, niet strookt met het feit dat onwaardigheid alleen kan volgen als de verantwoordelijkheid van de dader voor de feiten, volgens de criteria die normaliter in het strafrecht gelden, vaststaat.8
De discussie was hiermee niet ten einde. De vraag naar het initiatiefrecht is binnen de Senaatscommissie voor Justitie nog uitgebreid besproken.9 De optie dat het Openbaar Ministerie moet worden gehoord indien het initiatief wordt genomen door de erfgenamen van het slachtoffer, passeert daarbij ook de revue.10 Hier wordt tegen ingebracht dat de procureur des Konings dan wel een minder beslissende rol wordt toebedeeld. Indien het initiatiefrecht uitsluitend bij de procureur des Konings ligt, beslist hij na een objectieve analyse de vordering in te leiden. Wordt de procureur gehoord, dan is de burgerlijke rechter minder afhankelijk van het strafrechtelijke aspect. Het strafrecht is van beslissende betekenis bij onwaardigheid. Er wordt uitgegaan van een strafbaar feit dat vervolgens tot onwaardigheid kan leiden. Dat maakt dat de garanties zoveel mogelijk moeten worden behouden. Dit kan enkel bij een monopolie bij het Openbaar Ministerie, zo is betoogd.11
De Senaatscommissie hakt de knoop door in het nadeel van de erfgenamen. Het initiatiefrecht komt uitsluitend bij de procureur des Konings te liggen. Erfgenamen en legatarissen kunnen dus geen civiele vordering instellen. Hetzelfde lot treft schuldeisers.12