Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/10.3.3
10.3.3 Van EEX-Verdrag naar EEX-Verordening
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS577549:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Verordening 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1.
HvJ EG 15 mei 1990, zaak C-365/88 (Kongress Agentur Hagen GmbH/Zeehaghe BV), Jur. 1990, p. 1-1845, r.o. 17.
11e overweging van de preambule.
5e overweging van de preambule.
15e overweging van de preambule.
Denemarken neemt een bijzondere positie in als gevolg van protocol 5 bij het Verdrag van Amsterdam. Denemarken heeft een algemeen voorbehoud gemaakt met betrekking tot op titel IV EG gebaseerde regelingen. Ten gevolge van de verwerping van het Verdrag van Maastricht door de Deense burgers in 1992 is het Koninkrijk Denemarken geen partij bij de aanneming door de Raad van maatregelen uit hoofde van Titel IV EG. Krachtens art. 68 EEX-Vo heeft de Verordening slechts in de betrekkingen tussen de lidstaten het EEXVerdrag vervangen en Denemarken is krachtens art. 1 lid 3 EEX-Vo geen lidstaat in de zin van de EEX-Vo.
PbEU 2004, L 94.
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Lugano 16 september 1988, Trb. 1989, 58; Trb. 1991, 179; Trb. 1992, 72; Trb. 1998, 73.
Het begrip 'burgerlijke en handelszaken' dient volgens het HvJ EG autonoom uitgelegd te worden 'aan de hand van, enerzijds, de doelen en het stelsel van het Verdrag en, anderzijds, de algemene beginselen die in alle nationale rechtsstelsels tezamen worden gevonden.' Zie HvJ EG 14 oktober 1976, zaak 29/76 (LTU/Eurocontrol), Jur. 1976, p. 1541, NJ 1982, 95; Strikwerda 2005, nr. 233. Zie over het begrip burgerlijke en handelszaken ook Polak 2003, p. 676-684; Polak & Bomhoff 2005, p. 153-179.
Verdrag nopens de erkenning en tenuitvoerlegging van in het buitenland gewezen scheidsrechtelijke uitspraken op 10 juni 1958 te New York gesloten, Trb. 1959, 58; Trb. 1964, 96; Trb. 1971, 85; Trb. 1980, 27; Trb. 1996, 13.
Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam hebben de Europese Raad en de Commissie op grond van artikel 65 EG ook communautaire bevoegdheden tot regelgeving inzake samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen. De op artikel 65 EG gebaseerde EEX-Vo (Brussel 1-vo) regelt als opvolger van het EEX-verdrag (het Verdrag van Brussel van 1968) de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.1
Het HvJ EG heeft met betrekking tot de voorloper van de EEX-VO (het ax-Verdrag) geoordeeld dat het ax-verdrag niet tot doel heeft het procesrecht één te maken, maar de rechterlijke bevoegdheid voor de beslechting van civiel-en handelsrechtelijke geschillen binnen de Gemeenschap te verdelen en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen te vergemakkelijken.2 Het hoofddoel van de EEX-VO is rechtszekerheid en komt grotendeels overeen met de doelstelling van het EEX-verdrag. Partijen moeten weten waar ze aan toe zijn. In de preambule wordt dan ook gewezen op het feit dat de (bevoegdheids)regels in hoge mate voorspelbaar moeten zijn.3 Daarnaast vormt de goede werking van de interne markt een belangrijk doel. In de preambule wordt overwogen (r en 2e overweging):
'De Gemeenschap heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te handhaven en ontwikkelen waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is. Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een dergelijke ruimte dient de Gemeenschap onder meer de maatregelen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken vast te stellen die voor de goede werking van de interne markt nodig zijn.
Sommige verschillen in de nationale regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen bemoeilijken de goede werking van de interne markt. Bepalingen die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook de vereenvoudiging van de formaliteiten met het oog op een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is, zijn onontbeerlijk.'
Met het oog op het vrije verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken is het volgens de preambule nodig en passend de regels inzake de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in een verbindend en rechtstreeks toepasselijk besluit van de Gemeenschap neer te leggen.4
Een belangrijk nevendoel van de EEX-VO is het beperken van parallel lopende processen die worden behandeld voor rechters van verschillende lidstaten en het voorkomen van in meerdere lidstaten gegeven onverenigbare beslissingen. De verordening beoogt volgens de preambule een duidelijke en afdoende regeling te geven om problemen op het gebied van aanhangigheid en samenhang op te lossen.5 In de preambule wordt overwogen (16e en 17e overweging):
'Op grond van het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling is het gewettigd de in een lidstaat gegeven beslissingen van rechtswege te erkennen zonder dat daarvoor, behoudens bij betwisting, nog een procedure moet worden gevolgd. Eveneens op grond van dit wederzijds vertrouwen moet de procedure om een in een lidstaat gegeven beslissing in een andere lidstaat uitvoerbaar te verklaren, doeltreffend en snel zijn. De verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing moet daarom vrijwel automatisch, zonder dat het gerecht ambtshalve een van de in deze verordening genoemde gronden voor niet-uitvoering kan aanvoeren, worden afgegeven, na een eenvoudige formele controle van de overgelegde documenten.'
Denemarken nam (overeenkomstig een protocol bij het Verdrag van Amsterdam) oorspronkelijk niet deel aan de EEX-VO, zodat het EEX-verdrag van toepassing bleef op de verhouding met Denemarken.6 De Europese Gemeenschap heeft echter met het Koninkrijk Denemarken een overeenkomst ondertekend waarin de bepalingen van de onderhavige verordening tot Denemarken worden uitgestrekt. De overeenkomst is in werking getreden op 1 juli 2007.7
Het te Lugano gesloten EvEx-verdrag tussen de toenmalige EG-lidstaten en de toenmalige lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie (Finland, Noorwegen, Oostenrijk, IJsland, Zweden en Zwitserland), dat in werking is getreden op 1 januari 1992, is voor wat Nederland betreft nog slechts van belang in de verhouding tot Zwitserland, Noorwegen en IJsland.8 De andere toenmalige leden van de Europese Vrijhandelsassociatie zijn inmiddels toegetreden tot de EU. Nu — voor zover relevant bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht — de inhoud van het EvEx-verdrag voor een groot deel identiek is aan het EEX-verdrag en de EEX-VO, besteed ik geen nadere aandacht aan het EvEx-verdrag.
De EEX-VO is uiteraard van belang voor mededingingsrechtelijke zaken die voor de nationale burgerlijke rechters komen, nu het materiële toepassingsgebied van de bevoegdheidsregeling van de EEX-VO volgens artikel 1 EEX-VO bepaalt dat de Verordening van toepassing is op 'burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht'.9 In het tweede lid van artikel 1 EEX-VO wordt een aantal onderwerpen buiten het materiële toepassingsgebied van de verordening gesteld. Voor de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht is van belang dat arbitrage buiten het materiële toepassingsgebied van de EEX-VO valt. Voor arbitrage is onder andere het Verdrag van New York betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van in het buitenland gewezen scheidsrechtelijke beslissingen van belang.10