Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.9
4.2.9 Tussenconclusie
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS399610:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Betaalorganen zijn in het kader van het ELGF en het ELFPO belast met de betaling van de landbouwsubsidies.
Verhoeven schrijft dat alleen bepalingen die rechtstreekse werking hebben kunnen dienen als wettelijke grondslag voor het handelen van nationale uitvoeringsorganen. Dit volgt volgens haar uit de definitie van rechtstreekse werking, namelijk 'the obligation of national courts and administrative authorities to apply the relevant provision of European law as a standard for legality or other forms of compatibility review or as a norm which governs the case.' Gelet op deze definitie kunnen alleen bepalingen die rechtstreekse werking hebben worden toegepast door nationale uitvoeringsorganen, aldus Verhoeven. Zie Verhoeven 2011, p. 228. In het kader van dit proefschrift is juist de vraag interessant in hoeverre nationale uitvoeringsorganen aan bepalingen in Europese subsidieverordeningen een bevoegdheid tot terugvordering kunnen ontlenen indien de bepaling neergelegd in de Europese verordening weliswaar als zodanig geen rechtstreekse werking heeft, maar deze bepaling de lidstaten wel een eindresultaat voorschrijft, namelijk de terugvordering van Europese subsidies.
Als gezegd is dit nog niet door het Hof van Justitie onderschreven.
In de vorige paragrafen is geprobeerd aan te geven in hoeverre vaststelling of het gebruik van het nationale recht noodzakelijk dan wel mogelijk is indien Europese subsidieverordeningen worden uitgevoerd door nationale uitvoeringsorganen. Hieruit kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
Ten aanzien van bepalingen die geen beoordelingsmarge inhouden voor de lidstaten zijn geen nationale uitvoeringsmaatregelen noodzakelijk. Zij zijn rechtstreeks toepasselijk. Deze bepalingen moeten direct door de bevoegde nationale autoriteiten worden toegepast in de subsidierelatie met de eindontvanger van de Europese subsidie. Het is echter wel mogelijk om nationaal recht vast te stellen ter invulling van een aan de lidstaten gelaten beoordelingsvrijheid dan wel discretionaire ruimte.
Bepalingen in een Europese subsidieverordening die aan de lidstaten een beoordelingsmarge laten, moeten worden uitgevoerd met behulp van het nationale recht.
Voor zover Europese subsidieverordeningen met betrekking tot een bepaald aspect van de uitvoering geen gemeenschappelijke Europese regels bevatten wordt de uitvoering in zoverre beheerst door het nationale recht, tenzij sprake is van een uitputtende Europese regeling.
De lidstaten zijn op grond van het beginsel van loyale samenwerking gehouden om de bevoegde nationale uitvoeringsorganen aan te wijzen die met de uitvoering van de Europese subsidieverordening zijn belast. Dit geldt ook voor een bepaling die zich leent voor rechtstreekse toepassing, tenzij daarin het specifiek bevoegde nationale uitvoeringsorgaan is aangewezen.
Ten slotte moet worden gewezen op bepalingen in een Europese subsidieverordening die verplichtingen bevatten die zijn gericht tot de lidstaat. Als duidelijk is dat de lidstaat alleen aan deze verplichtingen kan voldoen indien de eindontvanger van de Europese subsidie zich ook houdt aan deze verplichtingen, is het noodzakelijk dat deze verplichtingen op grond van het nationale recht gelden in de nationale subsidieverhouding tussen het nationale uitvoeringsorgaan en de eindontvanger van de Europese subsidie.
Voor de gevallen twee tot en met vijf is in de voorgaande paragrafen, mede aan de hand van de jurisprudentie van het Hof van Justitie, uiteengezet dat toepassing van nationaal recht nodig is. Indien het bestaande of vastgestelde nationale recht nationale uitvoeringsorganen onvoldoende mogelijkheden biedt om de in de Europese subsidieverordeningen neergelegde verplichtingen uit te voeren, handelt de lidstaat in strijd met het Europese recht. De vraag rijst of ter voorkoming daarvan nationale uitvoeringsorganen alsnog een bevoegdheid (bijvoorbeeld tot intrekking en terugvordering van een Europese subsidie) aan een Europese subsidieverordening kunnen ontlenen. Dit lijkt op het eerste gezicht een opmerkelijke vraag, nu in de vorige paragrafen juist is geconstateerd dat nationaal recht noodzakelijk is voor de uitvoering van de Europese subsidieverordening. Ik geef drie voorbeelden waaruit blijkt dat het noodzakelijk is om, indien wordt vastgesteld dat het benodigde nationale recht ontbreekt of het bestaande nationale recht niet voldoet, te bezien of een nationaal uitvoeringsorgaan toch een bevoegdheid kan ontlenen aan een bepaling die is neergelegd in een Europese verordening.
Dit geldt allereerst ten aanzien van bepalingen waarvan vaststaat dat zij rechtstreeks toepasselijk zijn. In artikel 80, eerste lid, van de Commissieverordening is bijvoorbeeld bepaald dat de landbouwer, in geval van een onverschuldigde betaling, het betrokken bedrag terugbetaalt, verhoogd met de overeenkomstig het tweede lid berekende rente. Uit de van toepassing zijnde Europese subsidieregelgeving volgt dat de betaalorganen1 verantwoordelijk zijn voor de terugvordering van onverschuldigd betaalde Europese subsidies. Hoewel de lidstaten op grond van de Verordening nr. 1290/2005 gehouden zijn deze betaalorganen aan te wijzen, is daarmee Europeesrechtelijk nog niet duidelijk of een omissie aan de zijde van de lidstaten betekent dat geen terugvorderingsbevoegdheid kan worden ontleend aan de in de Europese subsidieverordening neergelegde verplichting tot terugbetaling. Vaak zal de aanwijzing van het bevoegde orgaan wel hebben plaatsgevonden, maar is dat bijvoorbeeld niet in de juiste nationale regeling vervat of is het bevoegde orgaan in strijd met het nationale recht slechts feitelijk aangewezen. Het is de vraag of dit als consequentie moet hebben dat rechtstreeks toepasselijke Europese bepalingen niet kunnen worden geëffectueerd.
Ten tweede kan het voorkomen dat de uitvoering van een bepaling uit een Europese subsidieverordening weliswaar wordt beheerst door het nationale recht en de desbetreffende bepaling niet rechtstreeks toepasselijk is, maar daarin wel een eindresultaat aan de lidstaat wordt voorgeschreven ten aanzien waarvan geen beoordelingsmarge bestaat. Een voorbeeld biedt artikel 23 van de Coördinatieverordening waarin is bepaald dat de lidstaten, teneinde de acties van de particuliere of publiekrechtelijke projectontwikkelaars te doen slagen, de nodige maatregelen dienen te nemen om regelmatig te verifiëren dat de door de Gemeenschap gefinancierde maatregelen stipt zijn uitgevoerd, onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen, door misbruik of nalatigheid verloren middelen te recupereren. Indien toepassing van het bestaande nationale recht ertoe leidt dat aan de Europese verplichting geen gevolg kan worden gegeven, rijst de vraag of de in de Europese verordening neergelegde verplichting niet een voldoende grondslag biedt voor een bevoegdheid van een nationaal uitvoeringsorgaan om tot terugvordering over te gaan. Op deze wijze wordt de effectuering van het Europese recht gewaarborgd.2
Ten derde wijs ik op de onder 5 omschreven situatie. Dat het uitgangspunt is dat nationale uitvoeringsorganen zijn gehouden om aan hen in een Europese subsidieverordening opgelegde subsidieverplichtingen door te vertalen in de nationale subsidieverhouding,3 alvorens deze verplichtingen aan de eindontvanger van de Europese subsidie kunnen worden tegengeworpen, betekent helaas niet dat dat altijd gebeurt. De opvatting dat bepalingen die zijn gericht tot de lidstaten of nationale uitvoeringsorganen geen subsidieverplichtingen voor de eindontvanger van de Europese subsidie kunnen inhouden, heeft in dat geval tot gevolg dat weliswaar in strijd is gehandeld met een Europese subsidieverordening, maar het nationaal uitvoeringsorgaan op die grond niet de Europese subsidie kan intrekken. De vraag rijst of in dat geval niet moet worden geoordeeld dat op de professionele eindontvanger van de Europese subsidie de verplichting rust om te bedenken dat ook aan de lidstaat gerichte verplichtingen voor hem relevant kunnen zijn. Zou het nationale uitvoeringsorgaan de verplichting ook niet rechtstreeks op grond van het Europese recht aan de eindontvanger van de Europese subsidie kunnen tegenwerpen en op grond hiervan de bevoegdheid hebben om bijvoorbeeld de subsidieaanvraag af te wijzen dan wel de Europese subsidie terug te vorderen? Specifieke jurisprudentie van het Hof van Justitie hieromtrent ontbreekt.
Op de voorgaande vraagpunten wordt in de volgende paragraaf dieper ingegaan.