Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/11.5.3:11.5.3 Het hof in Kampschöer/Le Roux Fruit Exporters
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/11.5.3
11.5.3 Het hof in Kampschöer/Le Roux Fruit Exporters
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS350964:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2013, JIN 2014/8 m.nt. J. van der Kraan en JOR 2014/3 m.nt. S.M. Bartman en X.D. van Leeuwen (Kampschöer/Le Roux Fruit Exporters), r.o. 4.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de zaak die bij de Hoge Raad voorlag had het hof, onder verwijzing naar voornoemde parlementaire geschiedenis, overwogen dat (i) naar de letterlijke tekst van art. 2:11 BW de aansprakelijkheid van een rechtspersoon, als bestuurder van een andere rechtspersoon, tevens hoofdelijk rust op alle bestuurders die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid bestuurder waren van die rechtspersoon en (ii) de grondslag voor de voornoemde aansprakelijkheid ook gelegen kan zijn in art. 6:162 BW. Het hof overwoog daarna echter dat wanneer het gaat om aansprakelijkheid in de zin van art. 6:162 BW:
“het voor de hand [ligt] om te oordelen dat voor aansprakelijkheid van de tweedegraadsbestuurder nog steeds moet worden geëist dat hem persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.”
Daartoe overwoog het hof dat indien de tweedegraads bestuurders, eerstegraads bestuurders zouden zijn geweest, het voor aansprakelijkheid van deze eerstegraads bestuurders op grond van art. 6:162 BW ook zou zijn vereist dat hun persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van de antimisbruikbepaling van art. 2:11 BW kon volgens het hof niet de bedoeling zijn dat álle tweedegraads bestuurders zonder meer aansprakelijk zijn op de enkele grond dat één van hun collega-bestuurders persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. De door de eisende partij voorgestane letterlijke toepassing van art. 2:11 BW op de tweedegraads bestuurder zou, aldus het hof, niet zonder meer leiden tot zijn aansprakelijkheid.1