Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/11.5.2
11.5.2 Parlementaire geschiedenis van art. 2:11 BW met betrekking tot art. 6:162 BW
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS348504:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken I 1985/86, 16 631, nr. 27b (MvA), p. 22.
Honée 1986, p. 103; Wezeman 1998, p. 372; M.L. Lennarts, Concernaansprakelijkheid (diss. Groningen; Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 32), Deventer: Kluwer 1998, p. 262 e.v.; Hellinga 2013; Van Bekkum 2015b; Roest 2016.
Kamerstukken I 1980/81, 16 631, nr. 3 (MvT), p. 3.
Honée 1986, p. 103; Wezeman 1998, p. 371-372 (die blijkens Van Schilfgaarde, Winter & Wezeman 2013, Van de BV en de NV, nr. 49 mogelijk zijn mening heeft bijgesteld); Lennarts 1998, p. 262 e.v.; Hellinga 2013 onder verwijzing naar A-G Langemeijer in zijn conclusie bij HR 28 april 2000, JOR 2000/128; Van Bekkum 2015b; Roest 2016.
Art. 1401 BW (oud).
Lennarts 1998, p. 262 e.v.; Hellinga 2013.
Hellinga 2013 onder verwijzing naar A-G Langemeijer in zijn conclusie bij HR 28 april 2000, JOR 2000/128.
Wezeman 1998, p. 371.
Hellinga 2013 onder verwijzing naar A-G Langemeijer in zijn conclusie bij HR 28 april 2000, JOR 2000/128.
HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen), r.o. 3.5.
Hellinga 2013; Van Bekkum 2015b; Roest 2016.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/476; Van Schilfgaarde, Winter & Wezeman 2013, Van de BV en de NV, nr. 49; Assink & Slagter 2013, Compendium Ondernemingsrecht, p. 270 e.v.; Bulten & Leijten 2013, p. 166; Huizink 2014c, GS Rechtspersonen, art. 2:11, aant. 6.5; Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/211; M.J. Kroeze en J.B. Wezeman, ‘Over art. 2:11 BW, matroesjkapoppetjes en de aansprakelijkheid van de beleidsbepaler’, in: C.D.J. Bulten, A.F.J.A. Leijten, J. Fleming e.a. (red.), Marius geannoteerd – Opstellen aangeboden aan Mr. M.W. Josephus Jitta (Serie Van der Heijden Instituut, nr. 133), Deventer: Kluwer 2016, p. 219-232.
Zie de jurisprudentie genoemd in de inleiding van dit hoofdstuk.
Over de vraag of art. 2:11 BW ook van toepassing is op aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder uit hoofde van art. 6:162 BW, is de parlementaire geschiedenis beknopt, doch niet onduidelijk. De Minister merkte het volgende op:
“Prof. Honée staat nog stil bij de vraag welke aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder ingevolge het voorgestelde artikel 4a tevens aansprakelijkheid is van de bestuurders van die rechtspersoon. Met de hoogleraar ben ik van mening dat hier wordt gezien op de wettelijke aansprakelijkheid, niet de contractuele aansprakelijkheid. Waarom de aansprakelijkheid ex artikel 1401 [thans art. 6:162 BW, toev. auteur] tegenover schuldeisers en die uit artikel 8 (ik neem aan dat dat artikel is bedoeld en niet artikel 7) boek 2 B.W. [thans art. 2:9 BW, toev. auteur] zouden zijn uitgesloten, is mij niet duidelijk. Men kan deze aansprakelijkheden weliswaar niet op één lijn stellen met die uit de artikelen 138 en 248, dan toch wel als wettelijke aansprakelijkheden daarmee vergelijken.”1
In weerwil van deze parlementaire geschiedenis is in het verleden door verschillende schrijvers gesteld dat art. 2:11 BW niet geldt voor de onrechtmatige gedraging van de rechtspersoon-bestuurder.2 Zij baseerden zich eveneens op de wetsgeschiedenis waaruit blijkt dat art. 2:11 BW uitsluitend betrekking heeft op gevallen waarin de wet aansprakelijkheid van regelt:
“dat naast de rechtspersoon ook haar bestuurders (natuurlijke personen) aansprakelijk worden in de gevallen waarin de wet de aansprakelijkheid van bestuurders regelt.”3
Art. 2:11 BW zou daarom beperkt zijn tot de aansprakelijkheden van de rechtspersoon-bestuurder ‘als bestuurder’ van de onderliggende rechtspersoon. Een onrechtmatige gedraging is niet een aansprakelijkheid die typisch samenhangt met de rol van bestuurder en dus zou art. 2:11 BW niet van toepassing zijn op art. 6:162 BW.4 De bedoelde schrijvers stelden voorts dat de hiervoor geciteerde opmerking van de Minister over de toepasselijkheid op art. 6:162 BW5 alles behalve overtuigend is. De Minister had immers alleen maar opgemerkt dat hem niet duidelijk was waarom deze bepaling zou zijn uitgesloten voor de toepassing van art. 2:11 BW, terwijl hij niet had toegelicht waarom hem dat niet duidelijk was.6 Bij een dergelijke onduidelijkheid omtrent de wil van de wetgever tot uitbreiding van aansprakelijkheid zou een terughoudende interpretatie passen.7 Uit rechtszekerheidsoverwegingen zou art. 2:11 BW voorts restrictief dienen te worden uitgelegd.8 Dit zou te meer gelden gelet op het in het aansprakelijkheidsrecht geldende uitgangspunt dat eenieder alleen voor zijn eigen daden en nalatigheden aansprakelijk is te houden, behoudens wettelijke uitzonderingen.9 Ook stelden zij onder verwijzing naar Ontvanger/Roelofsen10 dat toepassing van art. 2:11 BW ertoe zou leiden dat voor bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW niet langer persoonlijke ernstige verwijtbaarheid zou zijn vereist. Dat zou in strijd zijn met het oordeel van de Hoge Raad dat een bestuurder jegens een schuldeiser van de vennootschap alleen onrechtmatig kan hebben gehandeld, wanneer hem persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bovendien zijn eerstegraads natuurlijk persoon- of rechtspersoon-bestuurders evenmin hoofdelijk aansprakelijk voor de onrechtmatige gedragingen van hun mede-eerstegraads bestuurders.11 Het zou niet logisch zijn dat dit uitgangspunt door art. 2:11 BW zou veranderen.
Een meerderheid van de schrijvers was, onder verwijzing naar voormelde parlementaire geschiedenis, echter van mening dat art. 2:11 BW wel geldt voor de onrechtmatige gedraging van de rechtspersoon-bestuurder12 en in de feitenrechtspraak was dat ook de heersende leer.13 De Hoge Raad heeft deze leer bevestigd in de zaak Kampschöer/Le Roux Fruit Exporters.